John Butcher, Gino Robair + John Edwards / Talibam! + Alan Wilkinson :: 9 juni 2011, Netwerk

Dat de marge van de jazz en improvisatie ook nog een bewijs kan bieden van extremen die weinig uitstaans hebben met elkaar werd bewezen in Netwerk, waar een hoop kleppers elk op hoogst persoonlijke wijze aan de slag ging met de aanval op de conventies. Bij de ene al met meer succes dan bij de andere.

Het gerucht deed de ronde dat de Brit John Butcher en de Amerikaan Gino Robair enkele dagen eerder nog voor een magisch duoconcert gezorgd hadden in Brugge, dus het was met het nodige ongeduld dat we uitkeken naar hun set met bassist John Edwards, die beide muzikanten door en door kent en vooral met Butcher al een jarenlange muzikale rondedans achter de rug heeft. De drie vonden elkaar vrijwel meteen en werkten aan een set die een subtiel evenwicht vond tussen abstractheid en natuurlijke samenhang. Van alledaagse melodieën, ritmische patronen en ideeënuitwisselingen was geen sprake. Vrije improvisatie laten deze drie immers niet enkel bepalen door de ideeën van het moment, maar ook door de omgeving en de mensen met wie wordt samengespeeld, waardoor het enige voorspelbare de onvoorspelbaarheid is.

Hoewel het niet ging om gehoorbeschadigende geluiden, brute decibelsprongen en een ketting van abrupte wendingen, gingen de drie toch resoluut voor een duik in het onbekende, waarbij het vaak Butcher was die de toon en drukte of kalmte van de muziek bepaalde met z’n tenor- en sopraansax. Machtig om te zien in welke mate hij het instrument beheerst en mogelijkheden exploiteert die de gemiddelde jazzmuzikant volledig negeert. Van spelen met lucht op fluisterniveau tot het verweven van boventonen en boetseren met circulaire ademhaling — ze zijn allemaal een beetje z’n handelsmerk, maar hij blijft je ermee verrassen. Ook opvallend: de manier waarop hij, zonder z’n ademhaling te gebruiken, galmende feedback creëerde en die met een volumepedaal, en eventueel de hulp van Robair, wist te manipuleren en variëren.

Maar niet enkel Butcher leek een bodemloos vat vol creativiteit: Edwards plukte en schraapte er even bedreven op los, zorgde voor een verschuivend harmonisch draagvlak, reageerde met ritmische uitvallen en rommelde met ongebruikelijke speeltechnieken. Het ene moment verdween z’n strijkstok onder de snaren of maakte hij zo’n rauw snerpend geluid dat je je ging afvragen of die stok eigenlijk geen speciale zaag was. Dat terwijl Robair z’n beperkte kit ten volle benutte, door te spelen met stokken, doeken, resonerende buizen, een E-bow en ’s wereld kleinste hi-hat-cimbaal. Hij ratelde er op los, zette de trommels op hun kop, haalde er de gekste dingen mee uit, maar gratuit werd het nergens.

Een eerste lange improvisatie werd wat ongelukkig de kop ingedrukt door iets te ongeduldig applaus uit het publiek, al zorgde een tweede minimalistisch stuk, met een machtig ronkende bas, voor een tweede hoogtepunt. Butcher, Edwards en Robair (‘John, John en Gino’ klinkt een pak cooler, maar misschien net iets té familiair na zo’n classy performance) lieten horen dat de wereld van de vrije improvisatie niet een opeenstapeling van clichés hoeft te zijn en maakten in een beweging komaf met de mythe dat het extreem ontoegankelijke muziek is. Toegegeven, refreinjunks kwamen niet aan hun trekken, maar er werd consistent op een hoog niveau gemusiceerd. Straf.

Van de subtiliteit van het eerste trio viel bij Talibam! weinig te werken. Drummer Kevin Shea (ook bekend van Mostly Other People Do The Killing en het reguliere kwartet van trompettist Peter Evans) en toetsenman Matt Mottel spelen concerten in hetzelfde tempo waarin ze albums uitbrengen. Het is doorgaans een verschroeiend festijn van freakjazz en dat was met saxofonist Alan Wilkinson erbij niet anders. Ook bij hen werd uitgepakt met een langer stuk van een goed half uur gevolgd door een korter, en er werd meteen van leer getrokken met die bekende combinatie van spastische stuiterdrums, uit hun voegen barstende synthesizerklanken en gierende en balkende saxstoten.

Shea’s stijl, alsof hij constant onder hoogspanning staat, is een plezier om naar te kijken en weet aanvankelijk zeker te verbluffen. Hij is het typevoorbeeld van de hyperkinetische Muppets-drummer: steeds uitschietend, te ongeduldig om een ritme langer dan drie slagen aan te houden, doldraaiend alsof hij in gedachten al vijf minuten vooruitloopt op de muziek, en spelend met z’n bekende elektronische speeltjes. Een pure natuurkracht, een Duracellkonijn dat nog dringende dingen te regelen heeft na het concert. Toetsenist Mottel is een al even opvallende figuur, dansend en spurtjes trekkend achter z’n instrument. Enkel jammer dat hij niet altijd zo veel bij te brengen heeft aan de muziek: grote stukken van het optreden bleven immers beperkt tot het spelen van groteske aanslagen op vervormde discoriedels en foute danceklanken.

Idem voor geweldenaar Wilkinson. Z’n energie op zowel de bariton- als de altsax was vrij indrukwekend, terwijl hij best een groot klankenarsenaal uit de mouw schudde, maar toch ging ook hij na een tijdje wat vervelen. De panache en de wild om zich heen schoppende turbokitsch van het trio was aanvankelijk behoorlijk indrukwekkend in z’n woeste vastberadenheid om het kot te slopen, maar ergens halverwege de set daagde het besef dat het daar ook bij zou blijven. Als het bij die eerste lange improvisatie gebleven was, dan was het een gepast kort concert geweest. Het tweede luik zorgde in dit geval voor een vervolg dat er te veel aan was, waardoor de potige hysterie een pak monotoner werd dan het ingetogen voorgerecht, dat gerust nog een vervolg kon verdragen.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

15 + een =