Jon Irabagon :: Foxy

De grens tussen ambitie en stompzinnigheid, tussen grootheidswaanzin en buitensporige lefgozerij, is soms flinterdun. Zelden wordt die grens, tussen debiele koppigheid en briljante scheppingsdrang, zo virtuoos bewandeld als op Jon Irabagons Foxy, een plaat die te nemen of te laten is.

De hoes ziet er wat kitscherig, misschien zelfs goedkoop uit, maar met die simpele vaststelling ga je voorbij aan de jolige anarchie van het Hot Cup-label, dat gerund wordt door volk dat van rebelse knipogen z’n handelsmerk gemaakt heeft en ook nu weer een prachtig staaltje van intertekstuele geinigheid uit de mouw schudt. Net zoals Mostly Other People Do The Killing op z’n laatste drie platen verwees naar klassiekers van Art Blakey, Ornette Coleman en Roy Haynes, is ook de hoes van deze plaat een niet mis te verstane grap voor de jazzfan, een pastiche op Way Out West (1957) van Sonny Rollins, waarop de saxofonist in cowboyoutfit met de sax in de hand in de woestijn staat.

Er dagen nog wat schaars geklede vrouwen op in het kleurrijke artwork. Zo veel dat je zou gaan denken dat je hier te maken krijgt met een flauw stelletje funkjazzmuzikanten die het vooral zelf erg leutig vinden, maar dan ben je dus opnieuw op het verkeerde been gezet. Foxy stelt de luisteraar immers voor een immense uitdaging met een monsterimprovisatie van maar liefst achtenzeventig (!) minuten. En het begint al met een fade in, dus wie weet hoe lang het trio al bezig was. De band die hier aan het werk is: bassist Peter Brendler, saxofonist Jon Irabagon en de legendarische drummer Barry Altschul. Die laatste is vooral bekend van opnames met Anthony Braxton, Sam Rivers en Dave Holland, maar is duidelijk ook een artiest die een stevig potje kan swingen.

De muziek is op zich helemaal niet zo radicaal en bouwt verder op de bluesy swing en groove van hardboptrio’s uit de jaren vijftig en zestig. Wat Foxy echter onderscheidt van de klassiekers is de lengte en de aanpak. Hoewel het album in twaalf stukken geknipt werd en de aparte delen grappige titels meekregen als "Chicken Poxy", "Hydroxy", "Biloxi" en "Epoxy" (de enige uitzondering op dit spelletje is "Tsetse"), betreft het hier een marathonsessie. Op zich geen probleem, ware het niet dat Irabagon voor de volledige lengte van de plaat soleert. Een uur en twintig minuten lang. Hij pakte al eerder uit met een langgerekte improvisatie (I Dont’ Hear Nothin’ But The Blues (2009), met drummer Mike Pride), maar terwijl er op die plaat nog duidelijke thema’s gepresenteerd werden en er gespeeld werd met ruimte en dynamiek, gaat Irabagon hier bijna constant in het rood.

Er zijn wel thematische stukken die in terugkerende patronen opgevoerd worden, maar ze worden bijna onherkenbaar verminkt. Irabagon keert elk idee, elke schijn van een melodie of bluesthema, binnenstebuiten door er genadeloos op in te hakken, variaties in te lassen en er als een halvegare op los te soleren, los van enige zin voor structuur. Door die onophoudelijke notenvloed heeft het iets van Roland Kirks geschifte kermisgekte, en nu en dan misschien ook iets van Coltrane’s diepgaande dissecties, maar bovenal lijkt het alsof je een van de adrenaline stijf staande variatie hoort op Sonny Rollins’ A Night At The Village Vanguard. Er wordt gerotzooid met beboptics, in de blues gedoken, versneld en vertraagd, herhaald en gevarieerd, gesjeesd van de ene climax naar de andere, nu en dan gas teruggenomen, maar nooit geaarzeld, getreuzeld of gekozen voor een makkelijke groove.

Dat maakt van Foxy een belevenis die je van het ene uiterste naar het andere kan sturen wat appreciatie betreft. Zal je aanvankelijk vooral verrast worden door de aanstekelijke energie en prachtige live sound van het trio, dan zal je na het tweeluik "Foxy"/"Proxy" waarschijnlijk de wenkbrauwen beginnen fronsen. Tot de ware aard van het beest begint door te dringen en hun intentie pas écht duidelijk wordt. Verrassing, bewondering. En dan kan uiteindelijk ook de vermoeidheid optreden, want bijna tachtig minuten, dat is l´ng. Zo lang als een actiefilm of een autorit van Gent tot Maasmechelen. Irabagon & co. krijgen dus zeker de prijs voor de grootste inzet. Tien minuten van dit is straf. Tachtig minuten is puur genot. Of hard labeur. Keihard.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

dertien − vier =