Du Rififi Chez les Hommes (Rififi)





De naam mag dan wel Frans klinken, maar Jules Dassin was een
volbloed Amerikaan. Geboren en getogen in Connecticut, bouwde hij
in de jaren veertig een succesvolle carrière op als regisseur van
misdaadfilms. Het waren de hoogdagen van de film noir, en wat
Dassin toevoegde aan het genre, was een verhoogd gevoel van
realisme. Hij haalde de criminaliteit weg uit de fantasiewereld van
detectives in trench coats, en plantte het stevig neer in
de mean streets van de grote steden, zoals iedereen die
kende. Zijn ‘The Naked City’ was één van de eerste genrefilms die
werd opgenomen op locatie in New York, en was geconstrueerd om zo
dicht mogelijk een documentaire te benaderen. ‘Night and the City’,
gemaakt in 1950, ging verder op hetzelfde elan. In 1953 kwam Dassin
echter op de befaamde zwarte lijst van Joseph McCarthy terecht,
nadat hij weigerde te getuigen voor het House Unamerican Activities
Committee, dat een heksenjacht voerde op vermeende communisten in
Hollywood. Werkloos trok Dassin naar Frankrijk, waar hij in ’55 de
kans kreeg om ‘Rififi’ te maken, een low budget potboiler,
die aanvankelijk maar weinig artistiek interessant leek voor de
regisseur. Gebaseerd op een goedkoop pulpromannetje, kondigde
‘Rififi’ zichzelf aan als weinig meer dan een zoveelste poging om
te incasseren op de populariteit van het genre (en dan vooral de
Amerikaanse films in dat genre). Maar in Dassins handen werd het al
snel veel meer dan dat.

Het verhaal is standaard geworden: Tony le Stéphanois (Jean
Servais) is een dief die net vijf jaar in de bak heeft gezeten en
daar duidelijk de sporen van meedraagt: hij hoest voortdurend,
heeft een kapot gezopen gezicht en staat continu bij mensen in het
krijt. Wanneer Jo (Carl Möhner) en Mario (Robert Manuel), twee oude
maten van Tony, hem voorstellen om een gauwdiefstal te plegen bij
een juwelier, heeft Tony een beter idee. In plaats van zich
tevreden te stellen met een amateuristische kruimelkraak,
ontwikkelen ze meteen een plan om de safe te kraken. Een plan dat
uiteraard niet zonder gevolgen zal blijven.

Die plot is in de tussenliggende jaren gerecycleerd door talloze
films, van Kubricks ‘The Killing’ tot ‘The Italian Job’:
sympathieke schurken bereiden minutieus hun spectaculaire kraak
voor, waarna het uiteraard misloopt en ze moeten improviseren om
niet in de handen te vallen van de politie of minder sympathieke
schurken. In 1955 waren er natuurlijk heel wat minder precedenten
voor dat verhaal, zeker in de context van de Franse cinema. De
nouvelle vague was nog niet op gang gekomen – dat zou nog
duren tot 1959, met ‘Les 400 Coups’ van Truffaut en ‘A Bout de
Souffle’ van Godard – maar hier zie je toch al een gevoel voor
psychologisch en sociaal realisme dat je, met een beetje goede wil,
als een voorloper van die stroming zou kunnen beschouwen (vooral
omdat Godard heel vaak vertrok vanuit film noir
plotelementen om zijn nouvelle vague films aan op te
hangen). Dassin tekent zijn personages snel maar doeltreffend –
alle leden van de benden worden voorzien van relatief
geloofwaardige motivaties, die misschien niet uitblinken door
originaliteit (de aan lager wal geraakte boef die nog één grote
slag wil slaan), maar die wel kloppen binnen het verhaal. Aan het
einde van de film krijgt Jo van zijn vrouw te horen: “Er zijn
zoveel mensen die in armoede zijn opgegroeid, net als jij. Hoe komt
het dan dat jij het slechte pad op bent gegaan, en zij niet?”
Waarmee Dassin, met een enkele korte dialoog, en passant
de link legt tussen criminaliteit en sociale achtergrond. Veel is
het misschien niet, maar het is wel een evolutie van de ouderwetse
misdaadfilm, waarin goed goed was, en slecht slecht, en daarmee
uit. Dassin had in zijn Amerikaans werk al de neiging vertoond om
meer nuance op te zoeken dan dat, en hier vindt hij een knappe mix
tussen traditionele plotting en toch een ruimere context
voorzien.

Niet van dat alles wordt nadrukkelijk door de kijker zijn strot
geramd, en het mooie aan ‘Rififi’ is juist de manier waarop de film
van begin tot eind nooit zijn drijfkracht verliest. Er zitten
eigenlijk maar twee scènes in die verwijderd hadden kunnen worden,
zonder afbreuk te doen aan het verhaal – allebei scènes waarin één
van de nevenpersonages een liedje zingt in een nachtclub. Maar
zelfs die momenten dragen iets bij, door de titel te verklaren en
de thematiek in de verf te zetten. In ieder geval, ook naar huidige
normen zit er tempo in ‘Rififi’. Dassin is een sterke
verhalenverteller, met een goed gevoel voor ritme, en één van de
voornaamste manieren waarop ‘Rififi’ zich onderscheidt van de
nouvelle vague die zou volgen, is dan ook het belang dat
wordt gehecht aan een formele plot: de intrige drijft de actie meer
dan de personages, en de uitdieping die de karakters krijgen, staat
dan ook ten dienste van de suspense die de plot hoort te
hebben.

En suspense is er, vooral in het orgelpunt van de film: een 28
minuten durende sequens waarin Tony en zijn team binnenbreken bij
de juwelier. Tijdens dit hele segment – ongeveer een vierde van de
film – wordt er geen woord gesproken en klinkt er geen noot muziek.
Het enige dat we horen zijn de omgevingsgeluiden, de ademhaling van
de mannen, hun schoenen die over de vloer schuifelen. Dit half uur
is zo’n briljante cinema, dat ‘Rififi’ zijn status als klassieker
eigenlijk alleen al daaraan te danken zou kunnen hebben. Dessin
bouwt de spanning op met een precisie waar zelfs Hitchcock van
onder de indruk zou zijn. Hij begint de sequens door vooral wide
shots te nemen van alle vier de mannen – een relatief neutrale
cameravoering. Maar naarmate het segment vordert, gaat hij dichter
op de mannen hun huid zitten, en gebruikt hij ook steeds meer
scheve camerahoeken, om de groeiende spanning bij de dieven te
suggereren. Het wordt steeds later, buiten wordt het al licht, en
ze weten dat ze op een bepaald uur weg moeten wezen. Tony en co
worden zenuwachtiger, en de camera benadrukt dat gevoel door steeds
claustrofobischer te gaan kadreren.

En dat is nog niet eens het einde van de film, want daarna gaat
Dassin nog eens een half uur voort – wat in de doorsnee prent de
climax zou zijn geweest, fungeert hier als middenstuk, dat
aanleiding geeft tot een derde akte die zich ontwikkelt als een
klassieke tragedie. Je zou denken dat na zo’n spannende sequens al
wat daarna komt lichtjes teleurstellend zou lijken, maar niets
daarvan. ‘Rififi’ eindigt precies waar hij moest eindigen.

In zekere zin heeft de tijd ‘Rififi’ natuurlijk ingehaald. De
plot is ondertussen al zo dikwijls gerecycleerd dat zelfs dit
origineel wat onder een deja-vu gevoel te lijden heeft. En de
muziek is, zoals zo vaak in films uit dit tijdperk, veel te
bombastisch – misschien ook vandaar dat de overvalsequens zo goed
werkt, in al zijn glorieuze stilte. Maar dit is en blijft de opa
van alle heist movies, intens en meeslepend. En samen met
het in hetzelfde jaar uitgekomen ‘Bob le Flambeur’ van Jean-Pierre
Melville, blijft het ook een scharniermoment in de Franse
cinema.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

een × drie =