Jeanne Dielman, 23 Quai du Commerce, 1080 Bruxelles





Met : Delphine Seyrig, Jan Decorte, Henri Storck e.a.

“Maar er gebeurt zo weinig in die film!”

Zie daar een vaak gehoorde kritiek op ‘Jeanne Dielman, 23 Quai
du Commerce, 1080 Bruxelles’, inmiddels meer dan dertig jaar oud,
maar nog steeds een zeldzaam hoogtepunt in de Belgische cinema. Wie
wilde achtervolgingen en hoog oplopende conflicten verwacht, komt
evenwel bedrogen uit, want – inderdaad – héél veel gebeurt er niet.
Wat de toen 25-jarige cineaste Chantal Akerman registreert, is
horror op de kleinst mogelijke schaal. Een stille strijd van een op
het eerste zicht ordinaire huisvrouw, Jeanne Dielman, die samen met
haar puberende zoon Sylvain op een doodgewoon appartementje woont
in Brussel. Daar, tussen vier beklemmende appartementsmuren, brengt
Jeanne de hoofdmoot van haar tijd door. Ze verschoont de bedden, ze
maakt het eten en doet daarna de afwas. Maar – en nú wordt het
interessant – dat alles doet ze met een stiptheid die grenst aan
het obsessieve. Jeanne werkt volgens een agenda waar ze zich strikt
aan wil houden. Alsof ze bang is om, zelfs voor heel even maar, de
controle te verliezen.

“Klinkt spannend. En dat duurt dan ook nog eens 200
minuten!”

Tweehonderd-en-een minuten zelfs, maar het lijkt nóg
langer te duren. Omdat Akerman de banaliteit van Jeannes bestaan
vastlegt in een reeks statische longtakes, glijdt de tijd niet
verder, maar strompelt hij verder. Zoals Akerman de camera
laat lopen wanneer Jeanne achter het fornuis staat, bijvoorbeeld:
haast ondrááglijk lang, alsof ze bewust het geduld van de kijker op
de proef wil stellen. Akerman denkt er niet eens aan om de opname
vroegtijdig stop te zetten. Ze toont het leven zoals het werkelijk
is: ongepolijst, rauw, met een absoluut minimum aan montage en
decoupage. De strakke kadreringen laten bovendien geen enkele
ruimte voor bewegingsvrijheid. Ondanks haar zelfstandigheid is
Jeanne geen vrije vrouw, maar slechts een gevangene, die haar eigen
lot moet ondergaan. Iedere cut biedt een nieuwe hoop op
verlossing, tot we beseffen dat de volgende opname gewoon meer van
hetzelfde toont. Zo is het leven van Jeanne Dielman. Zo is
misschien ook het leven van u en ik. Een eindeloze opeenvolging van
steeds weer hetzelfde.

“Ja, maar toch: 200 minuten!”

Zo lang duurt het nu eenmaal vooraleer ‘Jeanne Dielman, 23 Quai
du Commerce, 1080 Bruxelles’ zijn geheimen prijsgeeft. Zo lang
duurt het vooraleer je de gruwel kan herkennen die geruisloos de
film binnen sluipt – al brengt het woord “gruwel” waarschijnlijk de
verkeerde verwachtingen met zich mee. Maar geleidelijk aan begint
het minutieus geordende universum van Jeanne Dielman kleine
barstjes te vertonen. De aardappelen koken over, haar horloge werkt
niet meer, en als ze haar dagelijkse tas koffie wil gaan drinken,
blijkt dat de vaste serveuse afwezig is. Het lijken slechts
onbeigheden, maar voor iemand als Jeanne, die voortdurend haar
greep wil behouden op de werkelijkheid, zijn het catastrofes. Het
zijn symptomen van de chaos, die zich onmiskenbaar aan haar
opdringt. Zal Jeanne zich kunnen aanpassen of geraakt ze definitief
de pedalen kwijt?

“En dan? Wat gebeurt er dan?”

Ik wil nu niet alles verklappen, maar in eerste instantie
gebeurt er niet zo heel veel. Jeanne is tenslotte geen vrouw die
gemakkelijk haar gevoelens prijsgeeft, en dat is een
understatement. Ze kent bovendien niemand die naar haar zou
willen luisteren. Ze heeft geen echte vrienden, en haar
zoon loopt nu ook niet bepaald over van empathie. Maar haar houding
in het laatste kwart van de film wijst er subtiel op dat er iets
fundamenteels is veranderd. Bijvoorbeeld: wanneer Jeanne – in een
hoogst memorabele scène – aan tafel plaatsneemt om het gehakt te
kneden, lijkt ze elk moment te zullen kraken. Je kan de
frustraties, de woede, de haat voelen smeulen onder haar
expressieloze gelaat. Als ze kon, zou ze haar eigen leven – en de
hele wanorde daaromheen – willen uitkotsen en doorspoelen. Maar in
de plaats daarvan, kwijt ze zich aan haar taken als huisvrouw en
kneedt ze gehakt. Nog nooit was gehakt kneden zo intens als in

“Misschien. Spelen er bekende koppen in mee?”

Wel, euh, in de rol van Sylvain herkent u niemand minder dan de
jonge Jan Decorte – u weet wel: de theatermaker met de extravagante
haartooi, dezer dagen een paardenstaart, als ik me niet vergis – en
de Oostendse filmpionier Henri Storck is ook even kort in beeld te
zien. Maar dé sleutelrol is weggelegd voor de Franse actrice
Delphine Seyrig, die in de rol van Jeanne een prestatie levert
waarvoor woorden tekort schieten. Eigenlijk is het onvoorstelbaar
dat een actrice als Seyrig, die in het verleden met onder meer
François Truffaut, Alain Resnais en Fred Zinneman had mogen werken,
zich hier schikt naar de wensen van de 25-jarige, onbekende,
Belgische – ik kan het niet genoeg beklemtonen! – Chantal Akerman.
Het is voornamelijk dankzij haar kwaliteiten als actrice dat Jeanne
Dielman een van de meest complexe, fascinerende personages is
kunnen worden in de Belgische filmgeschiedenis – misschien zelfs in
de filmgeschiedenis tout court.

En weet u, ik heb niet eens gezegd hoe Jeanne haar brood
verdient – anders ook best spectaculair – maar dat moet u misschien
zelf maar eens uitzoeken. Want meer dan een oefening in geduld, is
Jeanne Dielman een oefening in het film kijken, in het
begrijpen van de betekenis van beelden. Voor een geoefend oog kan
het niet zo heel moeilijk zijn, maar er kruipt een beetje tijd in.
201 minuten, om precies te zijn, en geen minuut korter.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

vier + 17 =