Magnapop, 13 mei, De Spiraal (Geraardsbergen)

Met al die weelde aan overtuigende concerten zou je haast gaan denken dat er iets schort aan je beoordelingsvermogen. En dan word je plots geconfronteerd met de andere kant van de medaille, een tegenvaller waar je liever geen getuige van was geweest, een weerzien dat brutaal gehakt maakte van mooie herinneringen.

Eerst Tubelight, die voorlopig nog door het leven gaan als “de band van Swinnen Jr.”. Het kwartet speelt weinig originele rock, die herhaaldelijk lonkt naar de coole garagewave van The Strokes, al wordt die wel met verve gebracht. Aanstekelijke melodieën en riffs worden afgewisseld met vrij energieke momenten die de energiemeter wat omhoog jagen. De songs worden zelden langer gerekt dan nodig en vooral de zang van Lee Swinnen maakt indruk. Ook hier doet het denken aan Julian Casablancas, met een afwisseling van droge praatzang en de occasionele schreeuwerige uitbarsting. De band stond er wat statisch bij en sloot af met een trage die daar eigenlijk niet op zijn plaats zat, maar het klonk best veelbelovend. Later die avond zou blijken dat het een meesterlijke performance was in vergelijking met die van de hoofdact.

We waren immers afgezakt voor Magnapop, ooit nog verantwoordelijk voor een stuk van de soundtrack bij onze wonderjaren. Magnapop (1992) was een ongelijke plaat met enkele geweldige hoogtepunten, momenten waarop pop en punk prachtig hand in hand gingen, niet in het minst door de charme van de twee vrouwelijke gezichten. De doorbraak volgde even later met Hot Boxing (1994), een album waarmee de band een aardige aanhang in de Benelux kreeg en uitgroeide tot een band die flirtte met de mainstream. In de tweede helft van de jaren negentig werd het plaatje plots waziger: de ene personeelswissel na de andere zorgde ervoor dat de band in de anonimiteit vergleed en de comebackalbums van 2005 (Mouthfeel) en 2009 (Chase Park) verschenen zo goed als onopgemerkt.

Je gaat er naartoe en verwacht een nostalgische trip. Wat je vervolgens krijgt is een vertoning die bij momenten ronduit aanstootgevend was, een ontluisterende tegenvaller van een niveau dat amper het rockrallyniveau wist te bereiken (laat staan overstijgen). Ruthie Morris kondigde aan dat heel wat songs zouden passeren tijdens dit eerste Europese concert van het jaar, iets wat we tachtig minuten later enkel zouden betreuren. Waarom? Omdat zowat elke song door de mangel werd gehaald, een tamme uitvoering meekreeg, geruïneerd werd door een slappe sound of de schrijnend zwakke performance van Linda Hopper. Een grote zangeres is ze nooit geweest, maar we kunnen ons nog de tijd herinneren dat de peroxideblonde griet overal mee weggeraakte, door haar meisjesachtige stem en haar charme.

Deze keer stond het mens erbij, tja, eigenlijk als een aangeschoten patattenzak. Bij het eerste nummer (oudje “Garden”) slaagde ze er al in om fout in te zetten en het hele nummer naar de verdoemenis te helpen. Had ze zelf begrepen dat ze geen al te beste dag had, dan had dit enigszins gecompenseerd kunnen worden, maar zo verliep het niet. Meer dan een uur lang stond ze wat onnozel te grijnzen, flauwe complimentjes te geven en wat speels-theatraal met haar armpjes te draaien. Zou je enkel rekening houden met haar gelaatsuitdrukking, dan moesten al die songs wel over pannenkoeken bakken gaan. Zakdoek leggen, niemand zeggen. Het eerste uur putte de band uit zijn volledige backcatalogue, via “Ear”, “Piece Of Cake”, “I Don’t Care”, “Satellite”, “Juiciy Fruit” en “Slowly, Slowly” en geen enkele song overtuigde.

De ritmesectie speelde routineus en zonder identiteit, terwijl gitariste Ruthie Morris, gekleed in een Ramones-shirt, zich meteen in het zweet werkte, maar af te rekenen kreeg met een geluidsmix die de gitaarsound wegmoffelde. Dan bleef de nadruk liggen op Hooper, die met haar gekerm zelfs Big Stars’ “Thirteen” naar de kloten hielp. Zo charmant hun versie op het debuut was, zo onbeholpen klonk het hier. Een van de mooiste ballads uit de rockgeschiedenis reduceren tot iets lomp en lelijk. Bah. Alex Chilton en Chris Bell draaiden zich om in hun graf. Het podium afgaan en terugkomen voor een bis, dat gingen de vier niet doen. Meteen verder met de show. Het laatste kwartier werd dan ook uitgepakt met enkele favorieten: “Favorite Writer”, “Merry” en “Open The Door”. Stuk voor stuk songs die de nek omgewrongen werden. Te veel drank, drugs of mattentaart? Het leek op een combinatie van de drie.

Na tachtig minuten zat het erop, maar natuurlijk keerde de band toch terug voor die ene loepzuivere rockklassieker die hij op zijn naam heeft staan: “Lay It Down”. En jawel hoor, ook hier vond Hopper het nodig om de song te verneuken met vals gekweel. Nog een bedankje en brede lach volgden, maar de snelheid waarmee de vier de benen nam sprak boekdelen. Dat een band als Magnapop slordig speelt of een aardig eindje wegrammelt, hoeft geen probleem te zijn. Dat wordt het echter wel als je afkomt met een performance die een band van dat kaliber zich zelfs niet voor een kwartier mag permitteren op een offday. Laat staan dat het dan nog plezierig is. Dit was een concert dat geschiedenis herschreef en dat je liefst van al uit je geheugen zou gommen. Pijnlijk.

Magnapop speelt deze en volgende maand nog vijf keer op Vlaamse bodem. Aan u de keuze.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

dertien − vier =