Mumford & Sons + Johnny Flynn




Ze werden gelanceerd als een fijn nieuw indiebandje, maar drie
radiohitjes (‘Little Lion Man’, ‘Winter Winds’ en ‘The Cave’) en
een sterk scorend album (‘Sigh No More’) later, blijkt Mumford
& Sons toch eerder een groep voor het grote publiek te zijn. De
AB barstte dinsdagavond al haast uit zijn voegen en blijkbaar stond
er dan nog eens een massa gegadigden op de wachtlijst voor extra
tickets.

De vele liefhebbers moesten echter geduld uitoefenen en twee
support acts uitzitten. De eerste, singer-songwriter
Albatros, zagen we na zijn optreden nog vaker op
het podium passeren, weliswaar in de functie van roadie. Een
permanente overstap naar een plekje in de spotlights zouden de man
voorlopig alsnog niet afraden, want meer dan dertien in een dozijn
folkliedjes kregen we niet te horen van Albatros.

Tweede voorprogramma Johnny Flynn deed het stukken
beter. Heb je je ooit al eens afgevraagd hoe middeleeuwse
rock-‘n-roll zou klinken, mocht er toen al zoiets als een keyboard,
basgitaar en drumstel bestaan hebben? Wel, wij vermoeden dat het
iets moet zijn in de aard van Johnny Flynn tijdens een groot deel
van zijn nummers. In andere songs was Andrew Bird dan weer niet ver
weg. Het publiek vond het – terecht – leuk, de band zelf ook. Zo
leuk zelfs dat ze per ongeluk tien minuten te lang speelden.

Maar leuk of niet: dat ze dan uiteindelijk toch van het podium
gegaan zijn – of beter gezegd: gehaald werden – was maar goed ook,
want anders hadden de toeschouwers daar ongetwijfeld zelf voor
gezocht als hun idolen nog veel langer achter de schermen gebleven
waren. Mumford & Sons werden van bij hun
intrede vertroeteld met hysterisch gejuich en zwaar handgeklap. In
ruil kregen de mensen dan ook precies waar ze op gehoopt hadden:
een overtuigende zanger, vrolijke meezingers en heel veel ambiance.
Het viertal wist de vaak zo schuchtere Belgen zelfs te verleiden
tot een ‘ho down’, in de ‘urban dictionary’ treffend omschreven als
a ceremony in which drunken hicks run around clapping,
yelling, sloshing hard liquor and banging the shit out of their
siblings, all whilst listening to the shittiest type of country
music
“.

Onder de soms wel erg extreme joligheid zitten weliswaar bijzonder
mooie nummers verscholen, zoals het intense ‘I Gave You All’ of de
titeltrack van het album. Ook de twee nieuwe songs klonken best
goed (en duidelijk geschreven volgens het vertrouwde recept), maar
het is toch prille klassieker ‘Little Lion Man’ dat zich opwierp
als de smaakmaker bij uitstek.

Een fijne avond was het zeker, goede muziek kregen we ook te horen.
Wat ons betreft had het hier en daar wat minder opgefokte
feestvreugde en wat meer focus op de knappe songs en het dito
stemgeluid van Marcus Mumford mogen zijn, maar dit is een van die
momenten waarop je als recensent een stapje opzij moet zetten en
het publiek moet laten spreken. Dat publiek had echter weinig
woorden nodig – hun oorverdovend applaus sprak voor zich.

Meer afbeeldingen Mumford
& Sons

Meer afbeeldingen Johnny
Flynn

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

13 + zeven =