Charles Gayle & Han Bennink :: 20 april 2010, Vooruit

Op papier lijkt de combinatie van deze twee veteranen aanvankelijk niet compatibel: de sterk religieuze inslag van Gayle’s werk (getuige daarvan titels als Repent, Consecration en Testaments) lijkt haaks te staan op de ‘het leven als carnaval’-attitude van Bennink. Maar dan zou je wel voorbijgaan aan andere raakvlakken.

Als er iets is dat de twee verenigt, dan is het wel het volkse element en de expliciet en subtiel binnengesmokkelde roots-invloeden. Bij alle projecten waar Bennink bij betrokken is, of het nu gaat om intieme duoconcerten, het grootschaligere ICP Orchestra of zelfs zijn soloperformances, krijg je immers een volledige staalkaart van volksmuziek te horen. Middenin stevig in de free jazz verankerde passages is er hem immers niets aan gelegen om te rotzooien met wals- en/of marsritmes, swing en blues bij het zootje te betrekken of het parcours van de clowneske performance art te bewandelen. Bennink is een rasechte muzikale anarchist. Alles is mogelijk en het enige dat voorspelbaar is, is zijn onvoorspelbaarheid.

Een heel ander verhaal bij Gayle, die sinds zijn opduiken in de late jaren tachtig (daarvoor zou hij twee decennia als straatmuzikant geleefd hebben) vooral bekend is van zijn woelige performances en sterk door Albert Ayler beïnvloede emotionele rollercoasters met een hoge blues- en gospelfactor. Net als bij een jongere muzikant als Darius Jones hoor je nog de restanten van de kerk in z’n spel, de kreten van religieuze extase en het wrange gehuil van het persoonlijke lijden. De roots én de vrije expressie ervan zijn doorslaggevend. Komt daar nog eens bij dat Gayle ook het humorelement niet vreest: in het verleden zaaide hij meermaals vertwijfeling met een soort mime-act als ‘Streets the Clown’. Deze liet hij nu achterwege.

Een concert dat dus alle kanten op kon gaan. Dat deed het ook, al leverde het zelden vuurwerk op. Gayle begon verrassend op altsax (de tenor is normaal zijn handelsmerk) en liet horen dat zijn expressieve sound op z’n 71ste nog steeds intact is. Zijn spel, vol bluesy honks en gierende stoten staat lijnrecht tegenover de gestileerde, academische jazz waar veel van zijn leeftijdsgenoten mee opgroeiden. Zijn legendarische epische notenslierten liet hij nu wel achterwege, ten voordele van korte erupties, nu eens melodieus en verrassend mooi, dan weer aftastend, slechts aanzetten tot iets dat nooit helemaal ontwikkeld werd.

En Bennink blééf Bennink, zingend en neuriënd, op en naast het drumstel kloppend, met z’n voet op de snare drum stompend en stokken omhoog werpend. Het is en blijft een unieke one man show die doet grijnzen en schuddebuiken, al zou je soms ook willen dat de man nu en dan op de rem ging staan. Stokken vlogen immers met de regelmaat van de klok tegen de grond (in het eerste nummer al een keer of vier) en nu en dan had je het gevoel dat de man vooral met zichzelf bezig was. In een sterke duo performance vindt er normaal gezien een uitwisseling van informatie plaats die leidt tot nieuwe ontdekkingen of krijg je een wisselwerking van ideeën die energieopwekkend werkt. Hier kreeg je soms het gevoel dat Bennink enkel geïnteresseerd was in wat hij allemaal tegenover Gayle’s spel zou kunnen plaatsen, of het nu steek zou houden of niet.

Gayle liet het zich alleszins niet aan z’n hart komen en herhaalde zijn individuele stijl ook op de piano. Op dat instrument doet hij wel vaker de traditie aan, waardoor je een excentrieke combinatie van stride, boogie, bop en free te horen krijgt. Een kleurrijk amalgaam, maar het mist de gezaghebbende slagkracht van zijn saxspel. Bennink greep die kans aan om zijn onconventionele stijl compleet uit te buiten: spelen op schoenzolen, op de vloer, op zijn stoel, op een microstatief. Stokken vlogen omhoog, omlaag, naar links, rechts en het publiek en de mond in. Gelukkig vielen er geen gewonden, het zou nochtans gekund hebben. Aan het einde van de set werd nog een keer alles uit de kast gehaald met een krachtig samenspel, wat ook nog eens werd herhaald in het korte bisnummer.

Amper drie kwartier nadat de veteranen het podium op wandelden zat het er echter al op. Het was een amusante voorstelling, zoals verwacht, maar ook eentje van gemiste kansen. Met hun staat van dienst zijn deze twee immers tot veel meer in staat dan wat we te horen kregen. Nu was het vaak wat vrijblijvend en nonchalant, en dat is iets dat je zelfs onder het mom van free jazz niet verkocht krijgt aan een publiek dat eigenlijk niet minder verwacht dan een bevestiging van het kolossale talent van deze twee.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

acht − vijf =