Machine Head :: 5 februari 2010, Vorst Nationaal

”Bulldozer crushes all”, brult frontman Rob Flynn ergens halfweg de set. Een snelcursus Machine Head in drie woorden.

De kans dat u de voorgeschiedenis van Machine Head nog niet kent als u deze recensie hebt aangeklikt, is zo goed als nihil. Maar goed, voor de uit-de-lucht-vallenden onder u: Machine Head had een aardige reputatie opgebouwd met enkele geslaagde hardcore/thrashalbums in de vroege jaren negentig maar hielp zichzelf om zeep door mee te willen surfen op de nu metalhype. Zulke geintjes worden maar matig geapprecieerd in een oerconservatieve wereld als het metalmilieu en dus bekocht de band dat nogal foute experiment met een artistiek en financieel faillissement.

Daardoor zijn er nog steeds mensen die graag boutades plaatsen als “wie gelooft Machine Head nog?”, maar eerlijk is eerlijk, doorgaans zijn dat niet de meest verlichte of plezante geesten van de hoop. De meeste weldenkende mensen hebben de groep na twee oerdegelijke comebackalbums allang vergeven. Bovendien heeft Machine Head zich sindsdien gevestigd bij een hele nieuwe garde metalheads die zweren bij de metalcore van bands als Hatebreed en Bleeding Through. Het is dan ook geen toeval dat zanger-gitarist Rob Flynn in 2005 gebombardeerd werd tot een van de iconen uit de 25-jarige geschiedenis van het metallabel Roadrunner.

Dat is in grote mate de verdienste van de band zelf, die perfect aanvoelde dat thrash en speed metal helemaal terug waren en in 2007 met The Blackening een bombastisch gitaarepos maakte. Dat Machine Heads liveshows er nog steeds staan als een huis, weet de band zelf ook, en hij zet volop in op die sterkte. Drie jaar tourt hij nu al op het laatste album, of 330 optredens lang. Zelfs een mysterieuze hartaandoening die leadgitarist Phil Demmel een paar keer deed instorten op het podium, kon de groep niet stoppen.

Om maar te zeggen dat Machine Head de touwtjes tegenwoordig steviger in handen heeft dan ooit te voren, en niet van plan is om snel weer los te laten. Vorst Nationaal kan daar sinds deze avond van meespreken. Er zijn van die bands die hun set openen met twee sterke nummers en de rest dan maar voor het einde bewaren. Maar Machine Head stoomt gewoon door, de hele avond lang. “Clenching The Fists Of Dissent” mag in bloedrood tegenlicht de avond aftrappen, en wordt snel gevolgd door al even naar de keel grijpende nummers als “Imperium” (met die fantastische thrashbridge misschien wel het kwintessentiële Machine Headnummer), “Beautiful Mourning” en daarna een hoofdstukje The More Things Change. Beenharde machometal die wijdbeens de testosteronspiegel de hoogte injaagt, opnieuw en opnieuw en opnieuw.

Wanneer Machine Head met het walstempo van “Now I Lay Thee Down” het geweer even van schouder verandert, is dat een hoogst welkome verademing. Op dat moment zijn we immers al half murw gebeukt. Dat is ook de grootste zwakte van deze groep: hij is op z’n best als hij uitgebreid met de spierballen kan rollen, maar dat kan je geen optreden lang doen. Daarvoor zit er net iets te weinig variatie in de laaggestemde bulderriffs en is Rob Flynns kretologie, die vooral uit “fuck yeahs” en “motherfuckers” bestaat, te voorspelbaar. Maar ach, welke populaire metalband is dat niet? Het moet zowat het enige echte minpunt van de avond geweest zijn, dat en het feit dat publiekslievelingen “Blood For Blood” en “The Blood, The Sweat, The Tears” de setlist niet haalden.

Een paar oudere, thrashy nummers brengen opnieuw wat leven in de brouwerij en wie dan nog steeds niet helemaal mee is, wordt met “Bulldozer”, een hoogst aanstekelijke ode aan de twee-akkoordenriff, bij de haren weer in de set gesleurd. Vanaf dan gaat het allemaal crescendo, met drummer Dave McClain, die op zijn platform hoog boven alles uittorent en de band met zijn uitgepuurde drumwerk de sporen geeft. Rechttoe rechtaan en soms bijna tribaal in zijn voorkeur voor opzwepende floortomritmes.

Het eerste bisnummer “Halo” wordt enthousiast onthaald, niet in het minst door een bebaarde Kerry Kinglookalike die op het gangpad in de tribune wild gesticulerend, luchtdrummend en met wijdse armbewegingen meegroovet op het ritme, en halverwege het nummer zijn leeg bierbekertje in een boog in de zaal onder hem keilt. Het is dat complexloze, bijna naïeve levensplezier dat metaloptredens tot zo’n belevenis maakt en opgepompte bodybuilders in mouwloze shirts twee uur lang in enthousiaste jochies verandert. U moet het meegemaakt hebben om het te begrijpen.

En laat het duidelijk zijn dat het geven van metaloptredens een discipline is die voor Machine Head geen geheimen meer heeft. Het afsluitende “Davidian”, een echte klassieker, wordt door de hele vloer op pompende vuisten onthaald en zoals dat hoort bij de succesvolle doortocht van een Amerikaanse metalband zijn de voetbalhymnes na afloop niet van de lucht. Rob Flynn kijkt ernaar en glundert. “I don’t think I’ve heard that one before.” Dat kan niet gezegd worden van de metal die de band vanavond op de planken bracht, maar het stoorde slechts zelden. Machine Head deed vooral waar het goed in is. Alles en iedereen verpletteren.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

een × twee =