Seventh Circle




In 2004 kwam de Amerikaanse film ‘Mean Creek’ uit, een krachtig,
realistisch en genuanceerd drama over een stel kinderen dat wraak
neemt op een pestkop. Die film mag wat mij betreft nog steeds tot
de twintig beste van de jaren 2000 gerekend worden, vooral omdat
hij, zonder over de top te gaan, wist door te dringen in de
gedachtewereld van die jonge gasten, terwijl ze geconfronteerd
worden met een zwaar moreel dilemma. Nu is er ‘Seventh Circle’, een
Hongaars drama met een gelijkaardige premisse maar, zoals de titel
al doet vermoeden, een nog veel duisterder mentaliteit. Volgens
Dante Alighieri’s ‘Goddelijke Komedie’ is de zevende cirkel van de
hel immers voorbehouden voor (zelf)moordenaars en mensen die God
zijn afgevallen. Klinkt alvast lollig, vindt u niet? Regisseur
Arpád Sopsits heeft er een loodzwaar, symbolisch geladen drama van
gemaakt, dat ongeacht zijn luidkeels uitgeschreeuwde artistieke
pretenties, echter niet weet te overtuigen.

Het verhaal draait rond een groepje prille tieners, drie jongens
en twee meisjes, die allemaal in hetzelfde dorpje wonen en allemaal
min of meer onder de knoet van de plaatselijke priester, pastoor
Gábor (Zsolt Trill) leven. Tot nog toe zijn ze opgegroeid met het
idee dat God goed is en dat er een onwrikbare morele orde in het
leven bestaat. Maar dan maken ze kennis met de mysterieuze
Sebestyén (László Krikkay), een intens kereltje van een jaar of
twaalf met rood haar en een priemende blik die zo uit ‘The Omen’
had kunnen komen. Sebestyén is, om het zacht uit te drukken, een
vreemde jongen: hij is geobsedeerd door de dood, daagt de anderen
uit om zo lang mogelijk in een afgesloten vuilniszak te kruipen,
lijkt een dode duif weer tot leven te wekken en verkoopt regelmatig
lugubere praat die er op neerkomt dat God toch niet bestaat en dat
we dus pretty much kunnen doen wat we willen in het leven,
omdat er toch niemand toekijkt. De andere kinderen, met de
intelligente jongen Sanyi (Benett Vilmányi) voorop, zijn
gefascineerd en laten zich steeds verder drijven.

Voor Arpád Sopsits is ‘Seventh Circle’ het sluitstuk van een
informele trilogie “over de duistere kant van de adolescentie”,
voorafgegaan door ‘Shooting Gallery’ en ‘Abandoned’. Die eerste
twee films heb ik niet gezien, maar als ze in dezelfde lijn lagen
als deze, dan is dat van die “duistere kant” alvast niet
overdreven. Sopsits heeft er in essentie een film van gemaakt over
kinderen die zich realiseren dat de wereld een duistere, letterlijk
van God verlaten plek is waarin alle menselijke handelen volledig
irrelevant en arbitrair is – en de kids handelen daar dan ook naar.
Enfin, ik zie ‘Seventh Circle’ voorlopig nog niet op Ketnet
vertoond worden.

Psychologisch realisme is nochtans niet waar Sopsits op uit is.
Ik kan me maar één scène voor de geest halen waarin de kinderen
zich effectief gedragen als kinderen: op een bepaald moment gluren
de jongens openlijk naar de borsten van het meest “ontwikkelde”
meisje van de bende, wat een aandoenlijk grappig momentje tot
gevolg heeft. Dat is ook meteen het enige moment van humor of
overtuigende menselijkheid in de hele prent. Voor het overige
gebruikt de regisseur de pubers vooral als mondstukken voor zijn
filosofische beschouwingen. “Ik kan geen leven creëren,” zegt de
lugubere Sebestyén op een bepaald moment. “Maar ik kan het wel
kapot maken. Dat is de macht die ik heb.” En hij knijpt een mier
dood. Sanyi schrijft dan weer in zijn dagboek: “Pastoor Gábor zegt
dat God in mij woont. Dan ben ik dus twee personen: mezelf en God.
Maar waarom voel ik me dan zo alleen?” Klinkt dat als
geloofwaardige praat voor kinderen van een jaar of twaalf, dertien?
Natuurlijk niet. De jongeren van ‘Seventh Circle’ praten dan ook
niet, ze dialogeren. Ze spreken niet met hun eigen stem,
maar met die van een schrijver die vooral zoveel mogelijk van zijn
eigen ideeën in zijn dialogen wilt leggen.

Het gevolg is dan ook dat we nooit echt te weten komen wie die
kinderen zijn. De enige ietwat overtuigende relatie in de film is
die tussen Sanyi en zijn zus Maya, gewoon omdat je hier en daar
merkt dat er wat affectie tussen de twee hangt – en affectie is,
net als zowat elke emotie, doorgaans ver te zoeken in ‘Seventh
Circle’.

De film is dus eerder een symbolische constructie dan een
realistisch verhaal: Sopsits begon met een concept en is daar dan
een plot en personages omheen gaan hangen. Meestal werken films
beter als je omgekeerd te werk gaat. Hoe het ook zij, dat gebrek
aan overtuigende personages zorgt ervoor dat je nooit méé bent met
de film, en dat sommige zijsprongetjes ronduit lachwekkend
overkomen. Zo heeft pastoor Gábor de bizarre gewoonte om manisch te
beginnen dansen in zijn kerk als er niemand in de buurt is. Wat
vast wel weer heel diepzinnig bedoeld zal zijn, maar ik mag
doodvallen als ik u kan vertellen wat die bedoeling precies
was.

Niet dat ‘Seventh Circle’ helemaal obscuur of onbegrijpelijk is.
Een aantal thema’s komen wel duidelijk naar voren: menselijke
onschuld is gemaakt om kapot te gaan, bijvoorbeeld. Het
priesterschap wordt gezien als een poging om die onschuld te
bewaren, maar ook dat lukt niet. Volwassen worden is nu eenmaal per
definitie een proces van corrumpering. Sebestyén is degene die de
andere kinderen dat doet inzien, terwijl de priester hen net wilt
laten geloven in onschuld, in de goedheid van de wereld en het
bestaan van God. Wat daarom nog niet wilt zeggen dat die priester
een sympathiek personage is, want hij kan de kinderen geen ander
antwoord geven op hun vragen dan “zeg de tien geboden maar eens
op”. Sopsits suggereert zelfs dat Gábor iets te maken heeft met het
verleden van Sebestyén, hoewel die suggestie nooit echt duidelijk
wordt. (De laatste confrontatie tussen Sebestyén en Gábor heeft
trouwens verdacht veel weg van het einde van ‘Cape Fear’, hoewel
dat ook aan mij kan liggen.)

De acteerprestaties van de kinderen zijn hoe dan ook
indrukwekkend, wat vooral duidelijk wordt tijdens een lang
uitgerekte eindscène. Die scène is één van de meest manipulatieve
en verachtelijke die ik in jaren in een bioscoop heb gezien, maar
ondertussen kan ik ook niet ontkennen dat ze wel degelijk krachtig
was – wat voornamelijk met de acteurs te maken had. Laat het
niettemin duidelijk zijn: ik haatte die scène, omdat ze oneerlijk
en schaamteloos was. Een dergelijk einde moet je verdienen met de
rest van je film. Dat had Sopsits niet gedaan, waardoor ze enkel
smakeloos overkomt – veel smakelozer dan eender wat dat er in
pakweg ‘Antichrist’ te zien was, hoewel er tegen die film dan weer
wél geprotesteerd werd.

‘Seventh Circle’ bevat valabele ideeën en hier en daar wel een
sterk moment – maar het is eerder een (zwaar deprimerend) pamflet
dan een drama. Terwijl film niet gemaakt is om te doceren, maar om
te tonen. Sopsits kan het – bij monde van onnatuurlijk volwassen
klinkende kinderen – goed uitleggen, maar het verpakken in een film
die steek houdt, is nog iets anders.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

vijftien − vier =