Ben Lee :: The Rebirth Of Venus

We hebben er maar liefst vier jaar op moeten wachten, maar eindelijk is het nog eens zover: indiepoptovenaar Ben Lee heeft een nieuw album klaar. Dat hij de plaat maar ineens aan Venus (godin van de liefde en de schoonheid) heeft opgedragen, duidt ongetwijfeld op een hoop goede bedoelingen, maar zal ons eerlijk gezegd worst wezen. Wij zijn vooral heel nieuwsgierig om een creatieve singer-songwriter weer aan het werk te zien.

Men zegt dat goede wijn geen krans behoeft. Het is alvast een gezegde waar Ben Lee over kan meespreken, want met opener "What’s So Bad (About Feeling Good)?" probeert hij zichzelf meteen aan te kondigen zoals men hem het beste kent: catchy en altijd paraat om het perfecte popnummer af te vuren. Met het oosters getinte slagwerk op enkele potten en pannen — dat verdacht veel aan Alphaville’s "Big In Japan" doet denken — breekt hij al meteen harten.

Dat hij er tegen het einde van het nummer nog wat kinderkoortjes tegenaan gooit, kan Lee’s identiteit als fantasierijke poptovenaar alleen maar bevestigen: een popgroep als pakweg Liquido maakte met het met kinderkoortjes verrijkte "Play Some Rock" indertijd een belachelijke indruk, maar een artiest als Lee weet heel goed wanneer hij met zulke effectjes kan uitpakken, en dat siert hem. Hij is de perfecte blauwdruk van een veelzijdige artiest die erin slaagt om schaamteloos popgevoelige muziek te maken zonder echt fout over te komen. Een eigenschap waar groepen als Live, Zornik of Arid uiteraard alleen maar van kunnen dromen.

Eén van de hoofdredenen is dat Lee goed weet te doseren. Dat merk je bijvoorbeeld in een liedje als "Surrender", waarin hij iedere zinsnede met een hogere stem eindigt. Na enkele nummers begint zo’n aanpak wellicht te irriteren, maar indien het tot één nummer beperkt blijft, heeft het net een heel verfrissend effect. Een soortgelijke bedenking kan gemaakt worden bij het hilarische "I’m A Woman Too", waarin Lee het zelfs over zijn maandstonden heeft: te veel nummers van een dergelijk kaliber zijn schadelijk voor een plaat, maar voor een enkele song is het fantastisch voer om een nietsvermoedend publiek een onnozele lach op het gezicht te toveren.

Dat is echter niet de enige reden waarom Lee’s muziek er behoorlijk lekker ingaat. Hij weet ook nog eens zichzelf en het popwereldje goed te relativeren. Dat deed hij ten tijde van Awake Is The New Sleep al met single "Catch My Disease", door naar commerciële succesverhalen als Beyoncé en Good Charlotte te knipogen. Deze keer doet hij het met "I Love Pop Music", waarin hij lachend laat horen hoe er met gezaag over milieu of politiek altijd wel te scoren valt. Dat hij daarbij als het tegenovergestelde van een karikatuur als Bono klinkt, is net de clou.

Dat Lee van een dergelijke tongue-in-cheek-stijl langzaam maar zeker zijn handelsmerk begint te maken, mag eveneens uit het lichtvoetige "Yoko Ono" en het halve protestnummer "Wake Up In Amerika" blijken. Met nummers als "Bad Poetry" en "Blue Denim" komen echter minder sierlijke punten van zijn stijl naar boven: door te veel te relativeren, neigt Lee af en toe naar het compleet tegenovergestelde van opdringerige popmuziek, namelijk té onopvallende muziek, waarvan bijna niets blijft hangen.

Dat is een heikel punt dat weliswaar altijd al een beetje op de loer heeft gelegen, maar dat bij platen als Breathing Tornados en Awake Is The New Sleep nog net iets minder opviel, temeer omdat het voordeel van het verrassingseffect Lee toen nog in de kaarten speelde. Intussen heeft Lee echter de kaap van dertig jaar bereikt en is hij bijna een household name geworden. Geen reden tot paniek, want talent is er nog steeds in overvloed, maar een beetje herbronning kan wellicht geen kwaad.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

15 − een =