Ry Cooder, een muzikale ontdekkingsreiziger

The UFO has landed. The Ry Cooder Anthology was dit jaar één van de fraaiste cd-boxen die je onder de kerstboom kon aantreffen. Deze door zoon Joachim samengestelde compilatie grasduint doorheen de 40 jaar lange carrière van duizendpoot Ry Cooder. Goddeau doet hetzelfde, maar dan met woorden.

Weinig artiesten van wie de carrière zo lang draagt, consequent op torenhoog niveau vertoeft en bovenal zo uiteenlopend is als die van Ry Cooder. Toch geniet Cooder, net als andere typische musician’s musicians als Van Dyke Parks, Chris Whitley of Townes Van Zandt vooral aanzien van collega’s en rockjournalisten.

Al won Cooder zes Grammys, werd hij door Rolling Stone op plaats acht in hun top 100 van grootste gitaristen ooit geposteerd en zei de Duitse cineast Wim Wenders over Cooders wereldberoemde soundtracks: “zijn gitaarspel werkt ook als een camera, het doet ons de beelden beter begrijpen”, toch is hij bij het grote publiek nog steeds geen household name”.

Een regelrechte schande vond goddeau, en dus brengen wij, aan de hand van vier verschillende facetten in Cooders caleidoscopische carrière hulde aan deze levende legende. Het verhaal van Ry Cooder, een muzikale ontdekkingsreiziger.

1. Ry Cooder: de studiomuzikant.

Ryland “Ry” Cooder, geboren op 15 maart 1947 in Los Angeles, richt in ‘65 samen met Taj Mahal het bluesrockcombo The Rising Sons op. Cooder vertoeft in die tijd frequent in de lokale folk- en bluesclubs en valt daar vooral op door zijn enorme leergierigheid en zijn puntgave gitaartechniek. The Rising Sons is helaas geen lang leven beschoren, maar Cooder is intussen wel in het vizier van Captain Beefheart verzeild, die hem prompt een stek in diens Magic Band aanbiedt.

Het glasheldere, rootsy gitaarspel van Cooder valt nadrukkelijk te horen op Safe As Milk. De pas 20-jarige gitarist weigert een permanent lidmaatschap, maar bouwt integendeel verder aan een ijzersterke reputatie als studiomuzikant, met bijdrages aan Marianne Faithfull (“Sister Morphine”), Nancy Sinatra en vooral The Rolling Stones.

Cooders aanwezigheid tijdens de opnamesessies van Beggars Banquet en Let It Bleed heeft een grote invloed op de nieuwe, countrygetinte sound van The Stones heeft. Na de dood van Brian Jones in ’69 is Cooder één van de kandidaat-opvolgers, maar hij weigert opnieuw, verbitterd door een dispuut over de credits van “Honky Tonk Women”.

Intussen heeft Cooders reputatie als virtuoze en veelzijdige (hij is zowel de slide-, elektrische en bottleneck-gitaar als de mandolinemeester) studiomuzikant een hoge vlucht genomen. In de loop van de seventies levert de gitaargrootheid vervolgens hand- en spandiensten aan het kruim van de rockwereld, gaande van Little Feat en Randy Newman, over Johnny Cash tot Van Morrison.

Cooder bewijst in die jaren dat hij het ook als soloartiest kan en richt zijn pijlen eveneens op het componeren van filmsoundtracks. Zijn gastbijdrages worden schaarser, al tilt hij nog albums van collega-gitaarvirtuozen Eric Clapton en John Lee Hooker (Mr Lucky, ’91) naar een hoger niveau.

Zeer vermeldenswaardig zijn verder nog zijn odes aan Duane Eddy (middels de tributeplaat His Twangy Guitar And The Rebels, met verder ook nog Paul McCartney, George Harrison en John Fogerty) en Warren Zevon (Cooder speelt mee op twee nummers van diens memorabele afscheidplaat The Wind).

2. Ry Cooder: de soloartiest

Ondertussen floreert ook Cooders solocarrière. In 1970 komt de veelgeprezen studiomuzikant met een titelloos debuutalbum op de proppen, geproduceerd door Beach Boys-coryfee Van Dyke Parks. Het album grossiert in country- en folkgetinte eigen songs en covers van Woody Guthrie en Leadbelly. Het is even wennen aan Cooders nasale stemgeluid, maar ook vandaag nog klinkt het album opvallend fris en begeesterend.

In de loop van de jaren ‘70 brengt de veelzijdige artiest nog zeven soloplaten uit, muzikaal van erg verschillend allooi. Speelt op Cooders eerste twee soloplaten nog zijn uiterst herkenbare rootsy slide guitar de eerste viool (ook Boomer’s Story uit ’72 staat er bol van), dan gaat Cooder steeds vaker experimenteren met andere stijlen, niet zelden binnen één en hetzelfde album.

Het in mei ’74 uitgebrachte Paradise And Lunch bijvoorbeeld bevat zowel opzwepende rythm & blues, jazz als traditionele gospelsongs. Op Jazz (’78) brengt Cooder dan weer hulde aan de legendarische ragtime en vaudeville, die in de jaren ’20 en ’30 hoogtij vierden.

Cooders fascinatie voor lang vervlogen periodes en uit het oog verloren volkeren komt in zijn solowerk steeds nadrukkelijk op de voorgrond. Into The Purple Valley vertelt het verhaal van de massale volksverhuizingen tijdens de Dust Bowl. Voor Chicken Skin Music (’76) trekt Cooder zelfs naar Hawaï om er zich, met behulp van de lokale slack guitar-grootheden Gabby Pahinui en Atta Isaacs, de typische Hawaïaanse sound aan te meten.

Bop Till You Drop vervolgens is, anno ’79, het eerste popalbum dat digitaal geproduceerd wordt. In de jaren ’80 en ’90 zet Cooder zijn solocarrière echter op een lager pitje. De door elektrische gitaar gedragen albums The Slide Area (’82) en Get Rhythm (’87) zijn met hun epische verhalen over Mexicaanse immigranten en hun niet-Westerse instrumentatie vintage Cooder. Maar de muzikale kameleon stort zich in deze decennia volop in andere avonturen.

Het componeren van filmsoundtracks en talrijke allianties met buitenlandse artiesten vormen de hoofdbrok van deze avonturen, maar Cooder bewijst in deze periode dat hij ook in groepsverband tot grootse prestaties in staat is.

In 1992 stampt hij, samen met Nick Lowe, John Hiatt en Jim Keltner, namelijk de supergroep Little Village uit de grond. Deze vier muzikale zwaargewichten werkten in ’87 al samen voor de opnames van Hiatts Bring The Family, en brengen vijf jaar later als Little Village een titelloze plaat uit. Na die release en een uitgebreide tournee wordt de groep echter opnieuw ontbonden.

Na Get Rhythm is het wachten tot 2005 vooraleer Cooder nieuw solowerk uitbrengt. Geheel in zijn eigen traditie gaat de muzikale ontdekkingsreiziger in het drieluik Chavez Ravine (2005), My Name Is Buddy (’07) en I, Flathead (’08) op zoek naar het Los Angeles van zijn jeugd.

3. Ry Cooder: de filmcomponist

Cooders kortstondige maar intense flirt met The Rolling Stones kwam er vooral dankzij de introductie van Jack Nitzsche, manusje-van-alles uit hun dichtste entourage. Wanneer die zich op het componeren van filmsoundtracks gaat toeleggen, vindt hij in Cooder de geknipte handlanger. Het eerste wapenfeit van de tandem Nitzsche-Cooder is de beruchte hippiecaptatie Performance.

Dat die nu nog herinnerd wordt, valt vooral toe te schrijven aan de veelbesproken naaktscènes tussen Jagger en Anita Pallenberg (het toenmalige liefje van Keith Richards), maar minstens evenzeer aan de spraakmakende soundtrack, met Ry Cooder en Randy Newman in een glansrol. Absoluut hoogtepunt is “Memo From Turner”, het allereerste solonummer van Jagger, met Cooder op de bottleneck guitar. In ’78 slaan Cooder en Nitzsche de handen opnieuw in elkaar voor de soundtrack van Blue Collar, een film van Paul Schrader met Richard Pryor en Harvey Keitel in de hoofdrol.

Met het aanbreken van de jaren tachtig schroeft Cooder, wiens soloalbums inmiddels als zoete broodjes over de plank gaan, zijn medewerking aan filmsoundtracks nog wat op. Dit filmwerk biedt Cooder naar eigen zeggen “a cool piece of change”.

Vaak terugkerende naam hierbij is regisseur Walter Hill. De twee grootheden uit California bundelen hun krachten een eerste keer in ’80 voor de western The Long Riders. Voor Streets Of Fire (’84) en Johnny Handsome (’89) doet hij dat kunstje nog eens over. Hun samenwerking culmineert in ’86 in de soundtrack van de op het leven van Robert Johnson gebaseerde prent Crossroads. Het spetterende duel tussen Ralph Macchio (wiens gitaarstukken allemaal door Cooder werden ingespeeld) en gitaarvirtuoos Steve Vai is legendarisch.

Het magnum opus uit Cooders soundtrackcarrière is echter Paris, Texas van Wim Wenders (’84). Deze cinematografische parel, naar een scenario van Sam Shepard, sleept dat jaar de Gouden Palm in Cannes in de wacht. Paris, Texas is echter onlosmakelijk verbonden met de bloedmooie Cooder-soundtrack, die extra uit de verf komt tijdens de langgerekte woestijnshots.

Diens jeremiërende slide guitar, geïnspireerd op “Dark Was The Night (Cold Was The Ground)” van Blind Willie Johnson, weerspiegelt op onnavolgbare wijze de getormenteerdheid en eenzaamheid van de hoofdpersonages. Cooder op de top van zijn kunnen, quoi.

Ook in de jaren negentig vinden Walter Hill en Cooder elkaar, voor de biopic over de legendarische Apacheleider Geronimo, Geronimo, An American Legend (’93). Cooders voorliefde voor opzienbare figuren uit de rijke Amerikaanse geschiedenis komt dus ook in zijn filmwerk nadrukkelijk naar boven.

Tot op heden gaat Cooder op dat elan verder, met bijdrages aan onder andere Dead Man Walking, Last Man Standing, The End Of Violence en Primary Colors. In 2007 nam Wong Kar-Wai enkele van Cooders songs op voor de soundtrack bij zijn My Blueberry Nights.

4. Ry Cooder: de muzikale archeoloog

Het grootste handelsmerk van Ry Cooder is echter zijn fascinatie voor onbekende, vervlogen muziek. Op zijn best haalt Cooder oude parels opnieuw vanonder het stof, blinkt ze middels een moderne opsmuk op en schenkt ze vervolgens een nieuw leven.

Dat hij daarbij maar wat graag over de eigen, Amerikaanse grenzen kijkt, blijkt in ’76 al met zijn trip naar Hawaï om er samen met enkele lokale muzikanten Chicken Skin Music op te nemen. Op dat album wisselen traditionele Hawaiaanse songs en Amerikaanse traditionals elkaar naadloos af. Wereldmuziek in zijn puurste vorm.

Prominent aanwezig bij deze opnames is de accordeon van Flaco Jimenez. Jimenez was één van de grootste namen uit de Tejano-scène, de folkscène van de talrijke Hispanics in Texas. Jimenez speelt op enkele van Cooders soloplaten accordeon, in ’88 is Cooder op zijn beurt de voortrekker van de tribute-plaat Flaco’s Amigos. Ook op Jimenez’ Partners (’92) is Cooder te horen.

Vanaf de jaren negentig trekt Cooder ononderbroken de wereld rond, op zoek naar vergeten meestermuzikanten. Zijn nauwgezette waarnemingen van Amerikaanse idiomen en zijn zoektocht naar oude, minder voor de hand liggende muziekscènes levert Cooder het nogal potsierlijke epitheton “etnomusicoloog” op. Zijn nauwelijks te stillen honger naar vervlogen en erg diverse muziekstijlen vormt, in combinatie met zijn encyclopedische muzikale kennis, de rode draad door Cooders carrière.

Telkens drukt hij zijn duidelijke stempel op de ontgonnen muziekschatten. “The thing is to reinterpret the past according to contemporary standards”, stelt Cooder zelf zijn beginselverklaring scherp. Jim Keltner, de legendarische sessiemuzikant die op bijna al Cooders soloplaten drumt, omschrijft het als volgt: “Rys kennis van oude muziek, Amerikaans of niet, is ongezien. Uit het blote hoofd dist hij de namen van allerlei muzikanten op waar niemand ooit heeft van gehoord. Ik verdenk hem ervan of hij ze niet af en toe zelf verzint.”

Cooder zelf huivert van omschrijvingen als ‘eclectisch’ of ‘schattenjager’: “Voor mij zijn al de verschillende soorten muziek die ik speel hetzelfde. Het is gewoon tijdloze muziek, iets anders interesseert mij niet.” In een ander interview luidt het als volgt: “Ik zoek nooit. I’m in the habit of being alert. Ik hou gewoon mijn oren open.”

De eerste schandalig vergeten meestermuzikant die door Cooder vanonder het stof wordt gehaald, is de Indiër Vishwa Mohan Bhatt. Bhatt, leerling van de legendarische sitarspeler Ravi Shankar, verdient wereldwijde faam dankzij A Meeting By The River, dat hij samen met Cooder opneemt. Het album, een mix van traditionale Hindustani met Cooders slide guitar, wint in ’94 de Grammy voor beste album in de categorie World Music.

Zo mogelijk nog indrukwekkender is Cooders collaboratie met de Malinese gitarist Ali Farka Touré. De alliantie tussen de “Afrikaanse John Lee Hooker” en Cooder resulteert in een dijk van een plaat, Talking Timbuktu, vol door merg en been gaande bluesriffs. Meer dan terecht wordt de plaat met een Grammy beloond, maar Touré verkiest zijn ranch boven het Westerse sterrendom. In 2005 levert Cooder wel nog piano- en gitaarbijdrages aan In The Heart Of The Moon van Touré en diens landgenoot Toumané Diabaté.

Midden jarig negentig zit Cooder duidelijk op een artistieke goudmijn, want ook met de Spaanse traditionele muzikant Carlos Nunez (Brotherhood Of Stars), de Ieren van The Chieftains (The Long Black Veil) en de Engelse componist-trompettist John Hassel neemt hij platen op. Ook met soul- en gospellegende Pops Staples duikt Cooder de studio in, en komt er weer uit met het Grammy-winnende Father Father.

Cooders zoektocht naar vergeten gloriën kent zijn hoogtepunt in ’97 als hij naar Cuba reist en er de ontbonden Buena Vista Social Club opnieuw bijeen trommelt, een muziekgezelschap wiens hoogdagen al meer dan vijftig jaren achter de rug lagen. Cooder brengt de bejaarde Buena Vista-tenoren Ruben Gonzalez, Ibrahim Ferrer en Compay Segundo opnieuw bijeen, trommelt ook Juan de Marcos Gonzalez, Eliades Ochoa, Omara Portuondo, Julio Alberto Fernandez en Manuel Licea op en neemt stante pede een volledig album met hen op, vol Cubaanse klassiekers als “Chan Chan”, “Dos Gardenias” en “Candela”.

Die — titelloze — plaat wordt een instant kassucces en wanneer de bevriende cineast Wim Wenders een documentaire over de reünie draait, gaan zowel plaat als film in sneltempo de wereld rond. De awards stapelen zich op en in no time groeien de oude knarren, in de winter van hun leven, uit tot heuse wereldsterren.

“De muziek van Buena Vista is als een fossiel uit een tijd dat muzikaal meesterschap en populariteit nog hand in hand konden gaan”, aldus Cooder. “De opname van Buena Vista Social Club was the greatest musical experience of my life.” Woorden die kunnen tellen als ze uit de mond van Ry Cooder komen.

In 2003 maakt Cooder met de Cubaan Manuel Galban de Grammy-winnende plaat Mambo Sinuendo en in 2007 bezorgt hij soullegende Mavis Staples (dochter van Pops, met wie Cooder eerder al actief was) een late wederopstanding met We’ll Never Turn Back, een plaat die bulkt van de sociaal bewogen traditionals.

Inmiddels heeft Cooder (61), zoals gezegd, de draad van zijn solocarrière weer opgenomen en is het vreugdevol afwachten welke verrassende projecten hij nog uit zijn mouw schudt. Een veelzeggend citaat: “Als ik aan een plaat werk — of het er nu één is van een pygmee die op een neusfluit speelt of het Weens filharmonisch orkest — stel ik me slechts één vraag: hoe krijgen we dit zo goed mogelijk aan het klinken?”

Op 21 juni bloemleest Cooder, samen met Nick Lowe, Flaco Jimenez en zijn zoon Joachim, uit zijn gigantische oeuvre in de Antwerpse Elisabethzaal.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

16 − vijf =