White Lies :: To Lose My Life…

Nu Editors er een jaartje tussen uit knijpt, ligt het veld van de Joy Division-baslijnen en dramatische teksten opnieuw helemaal open. U hebt nu al bijna deze recensie weggeklikt? Niet doen: White Lies bewijst op To Lose My Life… dat er in de schaduw van Tom Smith et les autres nog leven mogelijk moet zijn zolang je singles maar knap genoeg zijn.

Het zijn dan ook tijden waarin een beetje doem even hard aan de orde is als een slordige dertig jaar geleden toen Peter Hook voor het eerst eens stevig aan zijn bas snokte en Ian Curtis de diepste krochten van zijn stem opzocht: de werkloosheid piekt, de economie ligt op zijn gat, en in het Midden-Oosten draaien Israël en Palestina nog een paar rondjes op de vicieuze carrousel. Het is enkel nog wachten op het volgende Sabra en Chatila om ons helemaal terug in die tijd te wanen.

Want daar bevinden we ons ongeveer aan het begin van het opbeurend getitelde To Lose My Life…: zo ergens rond de jaren 80-82, toen de doem van Unknown Pleasures gezelschap kreeg van synthesizers die voor wat toegevoegd drama en glans zorgden. White Lies spaart op zijn debuut de pathos niet, maar verliest zich nooit in de agressie van een Joy Division: het haar moet in de juiste plooi blijven liggen.

Af en toe ontaardt dat al eens in een overdreven uithaal die Midge Ure goedkeurend zou doen glimlachen, maar zelf hebben we geen nood aan de “Vienna”-theatraliteit van “Fifty On Our Foreheads”, de overdosis Killersbombast die “From The Stars” — die aanzwellende synths, dat omineus “Athmosphere”-drumroffeltje — over de rand met de banaliteit duwt of de holle galm van “Nothing To Give”.

Het goede nieuws dan maar en de reden dat we White Lies tot belofte voor 2009 durfden bombarderen? Als het er op is, zit het er boénk op en bewijst de groep meesterschap. “Unfinished Business” is een zich langzaam ontvouwend drama, waarin de groepsleden tonen hoe goed ze songstructuren kunnen inzetten om een verhaal te vertellen. Het omineuze orgeltje zorgt voor geladenheid, de gepassioneerde zang blaast de tragedie (“You’ve got blood on your hands/and I know it’s mine”) leven in. Nog zo’n doemgeladen knaller is “Death” en ook hier is geen refrein nodig. Zanger Harry McVeigh stuwt zijn nummers liever voort door met elke nieuwe strofe het drama wat meer aan te dikken.

Al kan er ook gewoon een popnummertje van af. “To Lose My Life” wordt voortgedreven door een dansbare bas en een uiterst meezingbaar refrein dat – alweer – de pathos niet schuwt: “let’s grow old together and die at the same time”; zwarte romantiek is de rigueur en als het over een dansende discobaslijn wordt gezongen, kunnen wij dat geen klein beetje smaken. Bij “E.S.T.” zijn gedachten aan de synthpop van Depeche Mode dan weer niet ver weg: over echoënde drums en een forse baslijn schetteren de toetsen en het refrein gaat zo volksmennerig breed dat we de groep héél even Rock Werchter zien afsluiten.

Goed, origineel is het allemaal niet en af en toe heeft To Lose My Life een wat artificieel aandoend eightieslaagje waar de groep binnen enkele jaren ongetwijfeld spijt van krijgt. Op de beste momenten is White Lies echter ronduit indrukwekkend en we vermoeden dan ook dat deze plaat onder iets te veel druk is bijeengeschreven om de singles bij elkaar te houden; de band heeft geen halve B-kant op overschot. Geen drama: een potentiële hit of drie horen we hier wel, en een festivalzomer lijkt ook gegarandeerd. We horen nog van White Lies.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

18 + 2 =