AC/DC :: Black Ice

"It’s A Long Way To The Top (If You Wanna Rock ’n’ Roll)" (1975), "Let There Be Rock" (1977), "Rock ’n’ Roll Damnation" (1978), "Rock And Roll Ain’t Noise Pollution" (1980), "For Those About To Rock (We Salute You)" (1981), "That’s The Way I Wanna Rock ’n’ Roll" (1988), "Rock Your Heart Out" (1990), "Can’t Stop Rock ’n’ Roll" (2000), etc. Kerels waar je op kan rekenen, die Aussies. Als we de songtitels op Black Ice mogen geloven, dan is dit een AC/DC Grand Cru.

Vrouwen, keet schoppen en rocken zijn altijd al de favoriete onderwerpen van de hardrockers geweest. Of het met hun leeftijd (stevig op weg naar een collectieve driehonderd jaar) en/of verminderde potentie te maken heeft, is niet duidelijk, maar de nadruk komt steeds meer op dat laatste te liggen. Op Black Ice vinden we naast single "Rock ’n’ Roll Train" ook nog "She Likes Rock ’n’ Roll", "Rock ’n’ Roll Dream" en "Rockin’ All The Way". Een prachtrecept voor een weergaloze riffmarathon à la Let There Be Rock, Highway To Hell of Back In Black?

Helaas niet, maar laten we daar ook niet té rouwig om zijn. Wat AC/DC klaarspeelde tussen 1975 en 1980 — een keer of drie-vier de volmaakte hardrockplaat afleveren — is hen door niemand nagedaan, en dat latere albums het al eens lieten afweten, wordt graag met de mantel der liefde bedekt. Ook wij zweren bij de Bon Scott-jaren (voor de sound, de humor, de blues en kopstoten als "Let There Be Rock" en "Whole Lotta Rosie"), maar na een stuk of tien albums is Johnson al lang aanvaard. Met Stiff Upper Lip (2000) wisten ze bovendien even het beste uit de twee werelden te combineren. Met opnieuw George Young achter het mengpaneel resulteerde het in hun vuilst rockende plaat sinds de late jaren zeventig.

Wie hoopte op Stiff Upper Lip, Pt. 2 is eraan voor de moeite. Black Ice sluit immers nauwer aan bij de meer op de Amerikaanse markt gerichte albums die de band maakte na het vroegtijdig heengaan van Scott. Highway To Hell was al een aanloop, maar de meest succesvolle formule werd gevonden met Back In Black en For Those About To Rock, gestroomlijnde platen die met hun heldere, radiovriendelijke productie een toegankelijker geluid hadden en een groter publiek bereikten. Ook Black Ice ruilt de zompige bluessound van Stiff Upper Lip in voor een knisperende, frisse rockproductie van Brendan O’Brien. De band klinkt daardoor wat minder monolithisch en heavy, maar tegelijkertijd ook jonger en leniger.

Een AC/DC-klassieker bevat steeds 8 tot 10 songs en duurt zo’n 40 minuten. Black Ice neemt daarentegen pas genoegen met 15 songs en 55 minuten. Misschien het gevolg van de lange wachtperiode, maar het was alleszins niet nodig. Een formule blijft immers een formule en tenzij je echt kan uitpakken met een reeks wereldsongs, gaat ze snel vervelen. Dat is waarom die oudere albums zo goed werken en waarom de band live blijft aanslaan: het draait immers om een uitgekiende opeenvolging van hoogtepunten. Op Black Ice vallen er geen nummers terug te vinden die meteen toegevoegd mogen worden aan het Pantheon der Grote Rocksongs. "Rock ’n’ Roll Train", "Big Jack" en "Spoilin’ For A Fight" zullen het prima doen in de arena’s, maar classics? Nah.

The only tempo is mid-tempo denken die van AC/DC al jaren, en nu is het merendeel van de songs er ook op gericht de nekspieren aan het bewegen te krijgen. "Wheels", "She Likes Rock ’n’ Roll", "War Machine" (een halfzus van "Given The Dog A Bone") en de titeltrack zijn vintage AC/DC: simpel, paraderend met dichtgeknepen billen en de ballen vooruit, stijf van de testosteron. Experiment is een groot, zelfs vies woord in AC/DC-land, maar nu en dan wordt wat gerotzooid met de formule: "Anything Goes" is het lightproduct op deze plaat, een popsong die bij Q ongetwijfeld op uitzinnig gekakel wordt onthaald; Angus haalt de slide boven tijdens het bluesfestijn "Stormy May Day" en de band klinkt tijdens "Decibel" meer als ZZ Top dan als AC/DC, maar uiteindelijk is dit slechts een tijdelijke verstrooiing: bij AC/DC verandert er niets.

Johnson is uitstekend bij stem (nu ja), de backbeat is nog steeds perfect, Malcolm Young blijft zowat de beste ritmegitarist ter wereld en Angus mag nu en dan z’n kunstjes laten horen, maar Black Ice ontbeert dat beetje extra om écht te overtuigen. In plaats daarvan krijg je een even degelijke als vermoeiende plaat met hier en daar een oneinidige ("Money Made") of povere ("Rock ’n’ Roll Dream") song. We willen best acht jaar wachten op nieuw werk van AC/DC, maar we verwachten dan wel een oplawaai. Was Stiff Upper Lip nog een smerig robbertje straatvechten, dan is Black Ice een partijtje armworstelen waar geen einde aan komt.

AC/DC speelt op 1 en 3 maart 2009 in het Sportpaleis. Beide concerten waren meteen uitverkocht.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

8 + negentien =