Portishead :: 8 mei 2008, Vorst Nationaal

Weinig bands die na een goed decennium opnieuw samenkomen, ontworstelen zich aan het etiket “reünie”. Portishead deed het met verbazend gemak. Wie op zo’n geniale manier kan terugkeren als deze band met Third deed, kan het verleden probleemloos achter zich laten. We zagen in Vorst een band die de blik richt op de toekomst.

Het is tien jaar geleden dat Portishead nog eens op een Belgisch podium stond, en er is veel veranderd. Toen stond de groep in het zenit van de triphopmode, maar goed in het vel zaten de groepsleden niet. We herinneren ons hoe een wat beschonken Beth Gibbons het Pukkelpop-publiek in 1998 kwam vertellen dat de rest er geen zin meer in had, maar zij zich wel kostelijk had geamuseerd. Een paar verhalen over hoe ze als halve alcoholverslaafden van de toer waren thuisgekomen later, verbaasde het al niet zo meer dat er lange tijd niets van de groep werd vernomen.

Maar hoe lang moet zo’n lange tijd duren vooraleer het “nooit meer” wordt? In de geesten werd langzamerhand afscheid genomen van Portishead en op een terugkeer werd tegen vorige herfst al niet meer gerekend. Toch is het exact dat wat de groepsleden toen aankondigden: een nieuwe plaat én een nieuwe toer. Zoveel maand later bleek dat nieuwe Third ook nog één van de kanshebbers voor de hoogste stek in het eindejaarslijstje, en u begrijpt dat we nog geen beetje uitkeken naar dit concert.

Terecht, zo blijkt al van bij “Silence”. Met een drummer én een percussionist zet het jachtige ritme meteen een andere geluid neer dan we kenden, maar van bij de eerste vocale uithaal weten we het weer: niemand doet Beth Gibbons als Beth Gibbons. Zelfs als de groep een singer-songwriteralbum zou uitbrengen, dan nog zou het immers onmiskenbaar als Portishead klinken; zo uniek is het stemgeluid van de chanteuse.

Op Third krijgen we niet langer de vertrouwde triphopbeats, maar wordt naast veel krautrock al eens geput uit meer jazzy en folky bronnen. Zo drijft “The Rip” op een eenvoudig getokkeld motiefje van gitarist Adrian Utley, en komt knoppentovenaar Geoff Barrow pas in de knap openbloeiende helft even op de proppen. Een mooi synthmelodietje steekt even de kop op, maar de schuiven gaan dicht voor dat helemaal tot wasdom is gekomen. Barrow — vroeger hét brein achter de groep — zal zich regelmatig op de achtergrond houden, nog het meest tijdens een ingetogen en elektronicaloze versie van “Wandering Star”. Het bewijst dat Portishead met de toevoeging van Utley echt een groep is geworden; niet langer het geesteskind van één man. Alomtegenwoordig is hij dan toch weer in het intens ratelende “Machine Gun”, waarin Gibbons ronduit venijnig klinkt en urgenter dan op plaat.

Er wordt rijkelijk geput uit het gelauwerde doorbraakalbum Dummy (1994): doorbraakhit “Glory Box” mag zelfs vroeg in de set imponeren met een harde uitbarsting en tonnen effect op de stem van Gibbons. “Numb” is nog eens triphop pur sang met een slepend ritme, en een Gibbons die, vastgevroren aan haar microfoonstandaard in die iconische pose, het woord “tristesse” gestalte geeft. Vreemd genoeg wordt “Sour Times” — vroeger de droefheid zelve — in een lichtjes snellere versie bijna een dansbaar popnummer. Knap als immer.

Net als je denkt dat de groepsleden Portishead, hun tweede album uit 1998, volledig links zullen laten liggen, komt “Over” op de proppen. Uitsmijter van de set: een “Cowboys” dat epischer dan ooit klinkt: Gibbons sneert en klonk nog nooit zo bedreigend terwijl de beats traag maar loodzwaar neervallen. IJzingwekkend en meeslepend: hoogtepunt.

Bissen? Traag bouwt de band “Threads” op naar een huiveringen ontlokkende climax waarin Gibbons loosgaat en manisch “I’m tired” schreeuwt tot Utley en de dreigende tonen van Barrow het overnemen. Het perfecte slot voor dit optreden, ware het niet dat er nog zoveel moois te spelen is. “Roads”, bijvoorbeeld, een zeldzaam warm moment in deze context. Zoals het dat van op de liveplaat heeft geleerd, probeert het publiek ook vanavond dat nummer de vernieling in te klappen, maar gelukkig wordt het pleit al snel gewonnen door de band. Met zo’n muziek klap je niet mee.

Laatste nummer ”We Carry On” mist net dat tikje punch dat het op Third zo’n mokerslag maakt, toch breien Utley en Barrow er een krachtig einde aan terwijl Gibbons gewoontegetrouw op de eerste rijen handjes gaat schudden. Om tot slot iedereen nog eens te laten weten dat ze het geweldig vond. Ook dát kennen we nog van tien jaar geleden; zoveel is er eigenlijk toch niet veranderd. Laat dat “We Carry On” dus maar een intentieverklaring zijn: Portishead mag, neen moet, hierna verder gaan en zal hopelijk nog veel platen maken.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

12 − tien =