The Coral :: Roots & Echoes

Tja, je bent een havenstad of je bent het niet… Naar analogie met
de klotsende baren op zee verloopt ook de muziekscene in Liverpool
in golven. De stad kende haar gouden jaren ’60 met The Beatles, zag in
de jaren ’80 OMD, Frankie Goes to Hollywood en The Christians koers
zetten richting succes en was begin jaren ’90 de thuishaven voor
acts als The La’s, Cast en The Boo Radleys. Daartussen zaten echter
een paar periodes waarin het om god weet welke reden voor
platenmaatschappijen not done leek om een band uit Liverpool aan
zich te binden. Het is in zo’n periode van ‘laagconjunctuur’ dat
een groep schoolvrienden uit het nabijgelegen Wirral The Coral
oprichten.

Aanvankelijk musiceert het zestal meer voor het plezier dan met
brandende ambitie. De band legt zich dan ook van meet af toe op het
coveren van songs uit de jaren ’60 en ’70. Door veel op te treden –
The Coral krijgt al gauw een vaste stek in de legendarische club
The Cavern – worden de zes steeds betere (en zelfzekere) muzikanten
en wagen ze zich steeds vaker aan het schrijven van eigen nummers,
waarin duidelijk invloeden zitten van rock, folk, pop, psychedelica
en zelfs country.
Iemand die meteen gecharmeerd raakt door de band is Alan Wills, die
hen meteen een contract aanbiedt op zijn eigen Deltasonic-label:
dit betekent niet alleen een eerste grote stap voor The Coral, het
is tegelijk ook het begin van een nieuwe locale scene waarvan ook
verwante bands als The Zutons, Dead 60s, The
Basement en The Stands van profiteren. De Britse muziekpers heeft
zelfs meteen een passend etiket klaar voor de nieuwe lichting weed
rokende, met jaren ’60-muziek en psychedelica jonglerende
(gitaar)groepen: Cosmic Scouse.

De zes nemen met Wills de ep’s ‘Shadows Fall’ en ‘Oldest Path’ op,
en gaan vervolgens in zee met Ian Broudie (zie ook: Lightning
Seeds). Hij producet de e. ‘Skeleton Key’, de langspelers ‘The
Coral’ (met ‘Dreaming of You’) en ‘Magic and Medicine’ (met ‘Don’t
Think You’re the First’) én het minialbum ‘Nightfreak and the Sons
of Becker’, platen waarop de groep doorgaans nogal trouw blijft aan
haar sound. De grootste verrassing op ‘The Invisible Invasion’, de
vorige plaat van The Coral, is dan ook dat niet Broudie maar Geoff
Barrow en Adrian Uley van Portishead plaatsnemen in de
producersstoel.

Na ‘The Invisible Invasion’ heeft gitarist Ryder-Jones er even
genoeg van: de hoge werkdruk, stress en persoonlijke tegenslagen
zijn er even te veel aan en hij stapt uit de groep. Lang duurt zijn
bezinningsperiode niet, want wanneer The Coral weer het
repetitiehok inkruipt om nieuw materiaal te schrijven voor ‘Roots
& Echoes’ is hij weer van de partij. De opnames voor deze
vierde, reguliere Coral-plaat vinden plaats in de studio van
Oasisbaas Noel Gallagher (ze mogen zich zelfs uitleven op ‘s mans
gitarencollectie) en resulteren niet alleen in de eerlijkste, maar
ook de meest volwassen en de meest coherente plaat die de band tot
op heden heeft gemaakt. Sterker nog: voor het eerst weten de songs
van The Coral ons ook écht te raken.

De invloeden zijn nog steeds grotendeels dezelfde, het valt wel op
dat de scherpe randjes van de ‘oude’ Coral-sound serieus werden
bijgevijld: de experimenten met klanken en songstructuren (die live
wel eens leidden tot ellenlange, ontspoorde jamsessies) werden
achterwege gelaten en maken hier plaats voor elf keurig afgelijnde,
uitgepuurde, traditionele en sfeervolle songs. Of zoals een andere
recensent het treffend vatte: minder Beefheart, maar meer
Bacharach. De songs zijn niet alleen stuk voor sterk ijzersterk, ze
klìnken ook ongelooflijk.

Wanneer we het gros van de andere besprekingen moeten geloven die
we over ‘Roots & Echoes’ lazen, dan zou dit een draak van een
plaat moeten zijn. Maar wij vinden de eerste helft van de plaat
echt erg leuk, met de op een Motownbeat voortdobberende opener
‘Who’s Gonna Find Me’, de sobere schoonheid van ‘Jacqueline’ en het
vinnige, nog het meest met de vroegere Coral verwante ‘In the
Rain’). De echte hoogtepunten moeten dan echter nog komen, de
nummers die ervoor zorgen dat we het weer niet konden laten deze cd
te overladen met ‘bollekes’: de ballad ‘Not So Lonely’, afsluiter
‘Music at Night’, maar vooral de heerlijke countrypop van ‘Cobwebs’
en het Love-esque ‘Rebecca You’.

U mag ons vierkant uitlachen, ons achterlijk en/of ouderwets, maar
wij houden voet bij stuk: wij vinden dit een goede, bij momenten
zelfs erg mooie plaat!

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

1 × 2 =