Cactus Festival 2007 :: Bellenblazers, sandalenmensen en het kind in elk van ons

Stiekem is het Cactus Festival al sinds jaar en dag een pracht van een subtopper in het Belgisch festivallandschap. Net onder de Pukkelpops, Dours en Werchters is het één van de weinige kleinere festivals waar de programmering enkel om de muziek draait, en niet om de bieromzet of andere middenstandersbesognes. Met een zinderend optreden van Flaming Lips en een voorts ronduit fijn festival is het behoud in die eerste klasse voorlopig verzekerd.

Dag één: Een stem als een maanlandschap

Het bleef droog in het Minnewaterpark in Brugge, maar de kille wind zorgde ervoor dat het meer op een late herfst- dan op een aangename zomeravond leek. De oren die toch boven de jaskragen kwamen piepen, kregen een degelijke openingsdag van Cactus, maar met net iets te weinig hoogtepunten om echt te prikkelen.

Cactus is traditioneel een festival dat een breed publiek trekt. In een mooie setting van gras, bomen en bloemen gooit moeder een dekentje open en tovert wat koeken uit haar tas, waarna de kinderen er een sport van maken om lege bekertjes te verzamelen, en vader de krant openslaat. Ook voor wie het beu is om op elk festival dezelfde mayonaise van de vingers te likken is dit een verademing: specialiteiten uit Senegal, Vietnam of Korea vullen de maag, en worden doorgespoeld met dranken die variëren van koffie tot rumcocktails. De muziekliefhebber komt echter voor het eigenzinnige aanbod en voor enkele exclusieve Belgische festivalconcerten, zoals vandaag van José Gonzalez, Cake en The Waterboys.

In tegenstelling tot de eerder genoemde acts, is de voormalige Rock Rally-winnaar Mintzkov — we besparen u vandaag de dEUS-vergelijkingen — wel prominent op de zomerpodia aanwezig. Reden daarvoor is de aardige plaat 360° van enkele maanden geleden, waarvan "Return & Smile" het festival mag openen. "One Equals A Lot" zorgt voor het eerste geknik in de voorste gelederen van het publiek, en tijdens "360°" verdwijnt het jasje van frontman Philip Bosschaerts naar de achtergrond. De band lijkt strak op elkaar ingespeeld, zonder daarbij te routineus te klinken. Het mist voorlopig nog wat variatie om langer dan een half uur écht te boeien, maar een finale met nieuwe single "Ruby Red" en "Hitman" doet het beste vermoeden voor de toekomst.

De volgende in de artiestenwachtkamer is de Zweedse singer-songwriter José Gonzalez, die de status van halfgod verwierf met een cover van "Heartbeats" van The Knife. In afwachting van het nieuwe album In Our Nature wordt de succesplaat Veneer uitgewuifd. We zijn al langer overtuigd van het talent van deze man, maar onze frisse benen blijven een beetje op hun honger zitten bij dit nogal zittende concert. Het nefaste geroezemoes tijdens zijn wijdse klanken bewijst trouwens nog maar eens dat Gonzalez als singer-songwriter samen met dance- en hiphopacts in het drieluik zit dat makkelijker in een zaal wordt opgepikt dan op een festival. Toch noteren we knappe versies van "Crosses" en "Lovestain", en komt de soloartiest ook goed weg met een cover van "Love Will Tear Us Apart".

Wie Mark Lanegan de laatste jaren nog niét op een podium is tegengekomen heeft daar serieus veel moeite voor moeten doen. Vandaag staat de Amerikaan, met een stem als een maanlandschap, vooraan met het elektronicacollectief Soulsavers, die voor de gelegenheid een soulbluesrock-achtige plaat opnamen die op Lanegans lijf geschreven is. Je bent fan van zijn grafgeluid of niet, maar vanaf het eerste woord maakt hij indruk. De bassen klinken zwaar en zompig en doen samen met een laptopbehang soms aan Massive Attack denken. Lanegan — net zoals Walter Grootaers steeds met één hand op de micro, en één aan het statief vastgeroest — ziet er nooit uit alsof hij er met plezier staat, weten we. Maar halfweg, na het klassevolle "Revival", houdt hij het al voor bekeken. De rest van de band brengt nog een genietbaar uitspinsel, maar met normaal nog 20 minuten te gaan, is het weer aan de tappers.

Dat het grote publiek voor de twee laatste bands kwam, is duidelijk te merken aan de stijgende drukte voor het podium tijdens de soundcheck van Cake. De Amerikanen met hoog entertainmentgehalte doorbreken de zwaarmoedige klanken die tot nu toe overheersten met "Frank Sinatra". Frontman John McCrea lokt het publiek uit zijn egelstelling door hen volkeels "Sheep Go To Heaven" te laten meebrullen, en door bindteksten op te dissen over de luxe van stromend water, en over de gebroken rib onderweg naar hier, waardoor hij geen hoge noten kan zingen. Of dat de reden is voor het ontbreken van bekende nummers zoals "The Distance", "Short Skirt, Long Jacket" of "Perhaps, Perhaps" weten we niet, maar het doet in ieder geval geen afbreuk aan de set. De charismatische McCrea heeft de touwtjes strak in handen, en vuurt in de plaats kleppers zoals "Rock ’n Roll Lifestyle" en "Never There" op ons af. Covers van dienst zijn "Excuse Me (I Think I’ve Got A Hearteache)", en het na enig gesmeek afsluitende "War Pigs".

Afsluiter van deze openingsrit is het Britse The Waterboys. De staat van dienst wordt uitgedrukt in het aantal grijze haren, zowel bij de fans als bij de band, die in de jaren tachtig op zijn hoogtepunt was. Het gezapige publiek heeft ondertussen net genoeg alcohol genuttigd om zich door de vioolklanken en Ierse invloeden te laten verleiden tot een volksdansje. Negen jaar geleden stond de band hier al eens, en vanavond wordt het nieuwe album Book Of Lightening voorgesteld. Nieuwe nummers als "The Crash Of Angel Wings" worden voor alle veiligheid nog voorgesteld, maar bij "The Whole Of The Moon" heeft zelfs de aanwezige jeugd geen aankondiging nodig. Mike Scott en de zijnen stellen niet teleur en verliezen zichzelf bijna in "Glastonbury Song" en in het machtig uitgesponnen "Medicine Bow". Geen encores voor de headliner: "Fisherman’s Blues" zet een punt achter een genietbare avond, die evenwel de drang naar beter tijdens de rest van het festival niet kon wegnemen.

Dag twee :: Stuiterspasmen

Dag twee van Cactus was die van de vervangingen: zowel The Dears, Stephen Marley als Explosions In The Sky gaven in de aanloop naar het festival verstek. In de plaats kwamen echter grotere namen: met Horace Andy, The Rakes en vooral Mogwai werden in extremis nog enkele kleppers vanjewelste binnengehaald.

Archie Bronson Outfit krijgt de eer om de affiche openen, ergens rond de middag en in volle zon, waardoor de band niet bepaald op zijn plaats staat. De stevige rock van het drietal hoort immers thuis in een smerige nachtclub. Maar niet getreurd, aan kwaliteit wordt er niet ingeboet. "Dead Funny" bewijst een stamper van formaat te zijn, en ook "Dart For My Sweetheart" kan op een overtuigend applaus rekenen. De kop van dag twee is er met een imposante optater meteen af.

"This is an awful place", indeed: de zonneschijn gunt iLiKETRAiNS immers geen enkele toegeving. Niet dat de heren dat aan hun hart laten komen. Met een waardig soort van overgave steken ze zelf de handen uit de spoorweghemdjesmouwen om een begrafenissfeertje op te hangen. Ze slagen uiteindelijk maar half in hun nobele opzet, maar brengen toch een beklijvende vertoning op de planken. Het niveau ligt voortdurend hoog: "We Go Hunting" speelt een mokerende basdrum uit tegen de intrieste voordracht van zanger Dave Martin, terwijl "A Rook House For Bobby" en "Spencer Perceval" tekenen voor een zinderende finale. iLiKETRAiNS toont zich niet als de band van het Grote Gebaar, maar slaagt er met zijn unieke postrock-meets-treurzang wél in een pak zieltjes te winnen.

Met een potsierlijke zonnebril maakt daarna de frontman van The Rakes zijn intrede. Hij lijkt vastberaden een optreden lang de wat spastische opper-Brit uit te hangen, en slaagt daar ook meesterlijk in. Echt veel zin lijkt de band er niet in te hebben, maar eens op dreef wordt er wel een relatief goede set neergezet. Vooral de songs van het debuut krijgen de handen op elkaar, maar ook de singles van het nieuwe Ten New Messages kunnen op een herkenningsapplausje rekenen. Geen slechte beurt voor The Rakes, maar aan de enkels van een Franz Ferdinand zijn ze nog lang niet.

Slaagden ze er in september al niet meer in volledig te overtuigen, dan is Mogwai op Cactus nog een paar boulevards verder van huis. De lijkbleke Schotten zetten immers een lamlendige vertoning neer, waarbij spelplezier verder af lijkt dan de bekering van de Joden. Geroutineerd, verveeld en eigenlijk zelfs ronduit arrogant — zelfs grondig de mist ingaande zangpartijen blijken voor Burns geen reden om het enerverende grappen met de roadies te onderbreken — kwijten ze zich van hun taak. Ook de songkeuze brengt weinig soelaas: de ingetogen selectie (met onder andere een ok "I Know You Are But What Am I?" wordt alweer ruimschoots uit Happy Songs For Happy People en ander minder opzwepend werk geput) heeft weinig verhaal tegenover de allesoverheersende ongeïnteresseerdheid, waardoor het wachten is op een technisch mankement (of een misverstand?) voor enig animo. Een haastig afgerammeld "We’re No Here" laat het misbaksel uiteindelijk inslapen. Voor ons komt die laatste gunst jammerlijk te laat.

Afsluiten mag Ozark Henry, wereldberoemd in Vlaanderen met z’n schipperende rol tussen de populaire mainstream en de underground, en met intussen genoeg hitmateriaal onder de arm om er net geen ganse set mee te funderen. Zelfs een eerder lauw ontvangen nieuw album zet geenszins een domper op de set: op plaat rustig kabbelende nummers als "Sun Dance" krijgen een beukend jasje aangemeten en worden afgewisseld met tragere gouden oudjes als "Sweet Instigator" en "At Sea". Het is evenwel een half uur wachten voor de (voor zijn doen nogal statische) Piet Goddaer van achter z’n pianootje en samplepanelen komt om zich over te geven aan de stuiterspasmen; echt loos wordt er pas gegaan in het afsluitende drieluik. Het intieme "Give Yourself A Chance With Me" vormt de perfecte voorzet voor een dreunend "La Donna è Mobile", waarin een in witheet tegenlicht houterig headbangende Goddaer z’n concert even op het randje van het hallucinante brengt. Met het onvermijdelijke "Word Up" wordt de hattrick even professioneel als stijlvol binnengekopt.

De headliner bewees zo dat hij z’n plaats op de affiche allerminst gestolen had en gaf Mogwai een droog lesje in efficiëntie: zonder al te veel moeite spoelde hij de bittere nasmaak door die het postrockmonster had achtergelaten. Verder garandeerden de andere bands kwaliteit, hoewel de eerste drie niet bepaald gebaat waren bij de lieflijke locatie en het al even sympathieke zomerzonnetje. Geen erg echter, het is nog steeds de muziek die telt.

Dag drie: Ballonnenballet

Iets voor de ganjarokende sandalenmens, nostalgie voor de oudere jongeren, wat mooie jongens voor de vrouwen en een afsluiter voor het kind in elk van ons: terwijl de allerjongsten zich vol enthousiasme op de bekertjesrecyclage storten, is Cactus op dag drie echt van iedereen.

In lang vervlogen tijden was de Cactuszondag de speeltuin bij uitstek voor de wereldverbeterende alternativo in elke Bruggeling. Van Johnny Clegg & Savuka tot Ladysmith Black Mambazo: elke wereldmuzikant die naam waardig maakte ooit zijn opwachting op het Cactus-festival. Ook vanmiddag zijn daar nog sporen van te vinden met optredens van Tokyo Ska Paradise Orchestra, Ojos de Brujo en The Congos, maar die vertrouwde formule is al enkele jaren losgelaten. Begrijpelijk: wie Flaming Lips als headliner vast kan krijgen, zal die niet weigeren "omdat het vandaag wereldmuziekdag is".

Veel aandacht is er voor Buffalo Tom en dat is niet verwonderlijk: na negen jaar kwam de groep onlangs eindelijk met nieuw werk op de proppen. De band put echter opvallend weinig uit die nieuwe plaat, maar serveert eerder een soort ’greatest hits’-show. Buffalo Tom heeft dan ook l’embarrax du choix: hun songcatalogus is zo omvangrijk dat ze makkelijk twee concerten met verschillende nummers kunnen vullen.

Met "Summer", "Rachael" en een lichtjes vals gezongen "Taillights Fade" vroeg in de set hangt snel een hoge meezingfactor in de lucht. Het eerste kippenvel komt bij het al negen jaar niet meer live gespeelde "Darl", een van de prijsbeesten uit succesplaat Let Me Come Over. Misschien iets te traag gespeeld in het begin, toch grote klasse. Stonden verder op de set: "I’m Allowed", "Tree House", "Sodajerk" en een zinderend "Tangerine". Een kristalmooie versie van "Wiser" later gaat het trio zich te buiten aan een nummer van The Rolling Stones. Met een ijzersterk "Staples" wuift Buffalo Tom de fans uiteindelijk naar huis. Altijd prettig om vast te stellen dat je absolute jeugdhelden nog even overeind staan als de Eiffeltoren. Sterk concert.

Het heeft iets gemoedelijks dat Cactus wel ligt, zo’n singer-songwriter in de vroege avond, maar Tom McRae weet dat sfeertje niet volledig uit te buiten. "For The Restless" begint nog puik, maar nieuw werk als "Got A Suitcase, Got Regrets" houdt de aandacht niet gaande. Dat doen klassiekertjes als het bijtende "A&B Song" ("I know I’ll live to see you swinging/given enough rope", het is eens iets anders om mee te zingen) en "The Boy With The Bubble Gun" wel. Prachtig trouwens hoe bij dat nummer steevast de bellenblazers op post zijn. Maar zelfs een exquis "You Cut Her Hair" of "Walk To Hawaï" kunnen McRae niet redden. Het is duidelijk dat de gooi naar een groter publiek met het toegankelijke King Of Cards vierkant is mislukt: zelden zo ver vooraan op een festival zoveel getater gehoord. Op deze manier verliest McRae zijn publiek waar hij bijstaat.

Neen, dan heeft Gabriel Rios het beter voor elkaar: deze zomer staat hij zowat overal, maar ook vanavond ontstaat voor zijn concert een volksverhuis van vrouwelijk schoon die de loopsere vrijgezel maar al te graag volgt. Rios is en blijft een chick magnet, maar hij brengt ook een hoop fijne nummers als "Catch That Cold" of "Baby Lone Star" mee. Rios bouwt zijn set goed op, brengt de boel tot ontploffing en sluit dan af met een akoestisch bisje in de vorm van "Stay". Vakmanschap is het zeker, maar Rios’ mix van electro, latin en nog wat kan ons ook na zijn tweede album nog niet voortdurend boeien. De synths van het puike "For The Wolves" willen we deze zomer echter zeker nog wel een paar keer gaan meepikken.

Na Rios’ concert zien we ons opnieuw geconfronteerd met grote migraties, want zijn publiek is niet dat van Flaming Lips en omgekeerd. Wayne Coyne begeleidt persoonlijk de opbouw van het podium: hij is het levensgrote bewijs dat je controlefreak, workaholic én nar tegelijk kunt zijn. En dan volgt de vaststelling: "hij.heeft.zijn.luchtbel.mee." Extase wanneer Coyne op een pompeuze intro over het publiek wandelt in een grote ballon. Eenmaal terug op het podium vlamt de band naar gewoonte meteen in wereldnummer "Race For The Prize".

Als een continu prutsend kind dat zich voortdurend afvraagt wat er zal gebeuren als hij op dit of dat knopje drukt, raast Coyne over het podium. Terwijl een hoop ballonnen over de hoofden van het publiek een soort ballet uitvoeren, tonnen confetti het luchtruim zoeken en de frontman voor alle zekerheid nog wat extra serpentines de lucht inschiet, serveert de groep een dwarsdoorsnede uit de laatste drie platen, waarbij de nadruk meer dan vorig jaar in de Vooruit op het recentste At War With The Mystics ligt. Multi-instrumentalist Steven Drozd mag de zang in "Pompeii Am Götterdämmerung" voor zijn rekening nemen, en Coyne laat het publiek "The Yeah Yeah Yeah Song" zo luid meebrullen dat het festival ongetwijfeld opnieuw een klacht voor nachtlawaai riskeert, en dan is het al bijna gedaan.

Met één oog op de klok die de deadline ongenadig nadert, haalt de groep nog eens alle toeters en bellen boven voor de overweldigende afsluiter "Do You Realize": de hymne der Flaming Lips-hymnen, een ode aan het leven, een urgente oproep tot kop op, vijf minuten bruisende levenslust tot popsong verpakt. En dan is het gedaan. "What A Wonderful World" zingt Louis Armstrong, en met de glimlach van een kind om de lippen, door Flaming Lips geschilderd, kan dat alleen maar bevestigd worden. Cactus 2007 had de beste afsluiter die het festival zich kon dromen, dit overtreffen zal volgend jaar moeilijk zijn.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

acht − 4 =