
Tijdens een huwelijksfeest van kennissen leerden zangeres Valerie
en producer Waldeck elkaar kennen. Een gemeenschappelijke liefde
voor muziek bracht hen aan de praat en in plaats van een romance,
bloeide hieruit een samenwerkingsverband onder de naam ‘Saint
Privat’. Iets later leverden ze het bewijs af dat trouwpartijen
toch nog ergens goed voor zijn: debuut ‘Tous Les Jours’ (2004) dat
al snel radiostations in Frankrijk, Duitsland en Oostenrijk
inpalmde en enkele dagen na de release al aan een tweede persing
toe was. Ook de pers hield van de frivole kitsch en dus werd weinig
aan de formule gesleuteld voor opvolger ‘Superflu’, die de
oppervlakkige glamourwereld wil bezingen zonder een blik in haar
groezelige achterbuurten te schuwen. Afgaande op de façade van deze
plaat zouden we denken dat we hier te maken hebben met een Franse
equivalent van Kate Ryan, maar laten we ook een blik werpen achter
de foto en zien of daar wat meer schuilgaat.
Ontdaan van vooringenomenheid zoekt het schijfje een weg naar de
cd-speler en na een luisterbeurt borrelt de nood aan een eerste
bijsturing op. De op basis van de aankondiging verwachte satire
blijft uit. Een track als ‘Mademoiselle’ geeft wel een sneer naar
het oppervlakkige glamourleven van de door een kapitalistische
ingesteldheid gedreven m’as-tu-vu, maar van een ware
pastiche is geen sprake. Eerder is dit een stijloefening geworden
die de filosofie van de nouvelle vague in het achterhoofd houdt:
stijl als credo, inhoud niet langer als noodzaak. Dit levert een
reeksje licht verteerbare popsongs op, die soms van een bijna
belachelijke simpliciteit getuigen maar binnen de context van de
plaat nog wel kunnen entertainen. ‘Poisson Rouge’ is wat De Roover
en De Mol een ‘klein bloot liedje’ zouden noemen, vervuld van
levenswijsheden als “Quand on fait l’amour, il n’y a pas de
discours”, ‘Oh-lala’ wint punten door de sensueel gefluisterde
introducties met Proustiaanse verwijzingen en ‘Un, deux, trois’ zou
een bekoorlijke begeleiding voor een Martini-commercial kunnen
vormen. De retro-toets van het materiaal zorgt bovendien ook voor
een korte trip down memory lane, met de Lio-achtige ritmiek van ‘La
Melodie’ (“Sous la pluie je chante une petite melodie plein de
nostalgie”) en de kitschy ballad ‘Sans Remords’ op kop.
Toch is het niet een en al zorgeloosheid gedurende deze veertig
luchtige minuten. Sommige tracks worden net iets te doorzichtig om
nog enige indruk te maken. ‘Superflu’ doet even met kippenvel
terugdenken aan die korte periode in een obscuur verleden toen
Opium de Vlaamse hitparade bestormde, ‘Une Dernière Cigarette’
klinkt kinderachtig, mede omwille van de gemakkelijke rijmpjes en
wordt verder geplaagd door instrumentale intermezzo’s die enkel in
een verlaten hoekje van een hotellobby thuishoren. Echt triestig
wordt het bij ‘Rosemaries Baby’, een ongeïnspireerd deuntje, in
alle banaliteit ingevuld met een reeks lalala’s en dadada’s. De
aanwezigheid van een aantal Engelstalige nummers doorbreekt even
het imaginaire flaneren over de Champs Elysées. Bij de losse cover
van ‘Somebody To Love’, sensueel en muzikaal verzorgd, is dit nog
een welgekomen verstoring, hoewel het stemmetje hier wel heel
onzeker en bijgevolg te dunnetjes resoneert. Overbodig is dan weer
het amateuristische ‘Confusing Love’, waarop Valerie een
geforceerde poging onderneemt om accentloos Engels te zingen
terwijl een lichte Franse tongval deze droge prefabpop net met een
humoristisch tintje had kunnen opfleuren.
Onze grote vrees bij de aanblik van ‘Superflu’ is geen realiteit
geworden: dit is geen zoveelste Eurodance-foltering geworden, wel
een evenzeer foute doch veel genietbaarder collectie kitschpop.
Ongetwijfeld zal deze plaat na aankoop ergens in een donker hoekje
van de kast weggemoffeld worden, maar na een grauwe dag wel met
plezier van onder het stof gehaald worden. Probleem is wel dat een
dergelijk album nood heeft aan een tracklist die van het eerste tot
het laatste nummer onwaarschijnlijk catchy en entertainend is. Laat
dat hier met de aanwezigheid van een handvol fletse vullers nu niet
het geval zijn, wat de charme van ‘Superflu’ een serieuze deuk
geeft.



