The Exit :: Home for an Island

Radiovriendelijkheid is een verwerpelijk begrip. Meestal is het op niet meer van toepassing dan op platgeproduceerde pop, ontdaan van enige ziel of emotie, op maat gesneden van een vooropgesteld luisteraarsprofiel, en samengesteld door een marketingstudie. Het soort onderzoek waar karaktertrekken gedegradeerd worden tot kwantificeerbare items.

Veeleisend zijn we niet. Het behoeft tegenwoordig niet meer dan een stel degelijke songs om je te onderscheiden van het gros doorsneebands dat ons dagelijks door de strot wordt geramd. Durf met je groep richting kiezen zonder bandwerk te leveren. Heb bovenal gezicht, niet zomaar een gezicht maar een tronie, een bakkes waar menig gestyled boysbandlid een serieuze klap op wil verkopen, weliswaar eerder uit jaloezie dan adoratie. Gewoon omdat jij wel je ding kan doen. Spijtige zaak dat The Exit nu net verstoken is van ieder voorvermeld puntje. Van veel meer dan een The Police-doorslagje kennen we ze immers niet. Zelf situeren ze zich in de hoek van eighties-iconen Hüsker Dü of The Clash, zij het ontdaan van enige aanzet tot eigen persoonlijkheid.

In 1999 vormden drie punkertjes uit the big apple iets met gitaar, drum en vocalen. De broertjes Ben en Gunnar Brewer, aangevuld met bassist Tim Shaya, brachten een eerste e.p. uit. Geen idee hoe het ding onthaald werd maar op veel meer dan gematigd enthousiasme kan het niet zijn geweest. Shaya verkaste immers in ijltempo naar andere oorden en een van de Brewers zag meer rock-’n-roll in zijn studie Pol&Soc. Uiteindelijk besloten de broertjes toch een nieuwe bassist, Jeff DaRosa, op te vissen en de band een nieuwe kans te geven. Na twee jaar aanmodderen verscheen halverwege 2002 eindelijk hun debuut, het lauw onthaalde New Beat. Vier jaar na datum is de hoop op een definitieve doorbraak nog steeds niet aan flarden gereten. Deze plaat werd immers uitgebracht in 2004 maar verdiende klaarblijkelijk een nieuwe uitgave. Dat The Clash namedroppen hip is, zal hier niet vreemd aan zijn.

Opener annex single "Don’t Push" is een mijlpaal. Het is pretentieus en in die hoedanigheid vier minuten volstrekt overbodige geluidshinder. Het is niet veel meer dan wat gejengel dat erg doorsnee staat te wezen, tot de puberpunk-achtergrondvocalen het finaal de zeebodem in torpedeert. Toegegeven, in vergelijking met dit nummer haalt de rest van het album nog enig niveau. Een nummer als "Soldier" kunnen we immers bezwaarlijk als slecht omschrijven. Zijn status als complete outsider op dit album is daar niet vreemd aan. Daarnaast zijn we ook gewoon vatbaar voor mondharmonica-intermezzo’s die baden in een Dylanesk sfeertje. Zeker na zeven tracks zonder noemenswaardig smoelwerk.

Met vitale rocker "Let’s Go To Haïti" kunnen we nog vrede nemen en ook "So Leave" — overigens erg Reggatta de Blanc — kan er nog mee door. "It’s basically just about love and politics." Zo vat zanger Ben Brewer het debuut van zijn band samen, of daar doet hij althans toch een poging toe. Toegegeven: beide ingrediënten zijn overduidelijk aanwezig, incidenteel zelfs gevat in één strofe: "I left my home for an island/Where rebels fly in on airplanes/I left my girl for a guitar/Now I can play all night long". Weinig subtiel maar waarschijnlijk van grote therapeutische waarde voor de betrokkenen.

De plaat meandert een eind weg. Hier en daar een scheut indierock, stevig bijgekruid met reggea/dub en stevig meeliftend op de postpunkhype. Geen haan die er feitelijk naar kraait. Het blijft immers allemaal erg doorsnee, zonder enige nuance of oprechte emotie. Een hapklare brok voor de gemiddelde consument van populaire cultuur, maar een weinig verteerbaar vreten voor diegenen met drang naar avontuur.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

20 + twee =