Nick Cave & The Bad Seeds :: The Road To God Knows Where/Live At The Paradiso

E.M.I. lijkt met een grootschalige heruitgavenpolitiek bezig te zijn inzake oude video’s. Nadat de Amerikaanse Astoria-video van Radiohead een internationale dvd-release kreeg, worden nu twee oude video’s van Nick Cave & The Bad Seeds op schijf gebundeld. Het pakket van tourdocumentaire en concertfilm geeft een compleet beeld van Cave eind jaren tachtig/begin jaren negentig.

Hoe geef je de verveling, de eindeloze routine van een tour weer? Dat is de vraag die filmmakers regelmatig voor hun voeten geworpen moeten krijgen, want telkens weer willen artiesten dat het grote publiek nu eindelijk eens ziet "hoe het er echt aan toegaat". Dat het weinig rock-’n-roll is. Monotoon. Niets glamoureus.

Radiohead kwam af met het van zelfbeklag bol staande Meeting People Is Easy, Nick Cave had in 1989 met The Road To God Knows Where al een andere manier getoond waarop het niet moet: een documentaire laten maken die minstens even saai is als de ontelbare uren op de bus en in de soundcheck. Maar liefst anderhalf uur lang kunnen we kijken naar Nick die een bizarre brief van een fan leest, Nick op de bus, Nick die een telefonisch interview geeft, de tourmanager die de band wekt, … De gemiddelde Carnivale-aflevering is toch nét iets boeiender.

Gefilmd in stemmig zwart-wit door de Duitse regisseur Uli M. Schueppel tijdens een Amerikaanse tour in 1989 krijgen we toch een paar scènes die de moeite waard zijn. Mondhoeken krullen bij het zien van een Cave die offstage zijn pompeuze bindteksten al even oefent, ronduit hilarisch zijn de danspassen van Cave en de Bad Seeds wanneer na een soundcheck in de lege zaal Madonnas "Papa Don’t Preach" weerklinkt. Een discussie over een ontoereikende P.A. geeft dan weer wél eens een interessante blik achter de schermen.

Gelukkig is Live At The Paradiso uit 1992 een boeiendere schijf. Twaalf songs – een uur lang – krijgen we een beeld van Nick Cave zoals hij was halverwege zijn carrière: Henry’s Dream zal niet lang daarna verschijnen, een paar jaar later zal de doorbraak komen met Let Love In. We krijgen dus een setlist waarin de klassiekers als "Deanna", "The Mercy Seat", "Tupelo" (hier ronduit donderend en omineus) of "The Weeping Song" al prominent aanwezig zijn. Daartussen echter niet de soft-croonerstuff van The Boatmans Call of de door gospel beïnvloede nummers van het recentste Abattoir Blues/The Lyre Of Orpheus. Wat we krijgen is het rauwe van "The Carny" en "Jack The Ripper" (Cave: "this song expresses the very essence of love").

Opvallend is hoe de Cave van toen zich verhoudt tot die van nu. In 1992 was er van de doorwinterde performer nog veel minder sprake. De frontman is er al, het theatrale aspect is er minder: hier staat Cave nog écht passioneel op het podium, wat het optreden duizend keer intenser en opzwepender maakt. Teveel theater doet zijn muziek duidelijk geen goed.

Eind jaren tachtig/begin jaren negentig was Nick Cave een artiest die al goed gerodeerd en gedisciplineerd meedraaide in het tourcircus, maar nog genoeg demonen had overgehouden om bezeten performances te geven. Dat hij toen nog in kleinere zalen speelde zorgde natuurlijk ook voor meer directheid. Deze dubbele dvd toont beide kanten mooi: hoe boeiend het er op het podium aan toe ging is te herbekijken op Live At The Paradiso, de strontvervelende achterkant daarvan is net iets te overtuigend gecapteerd op The Road To God Knows Where.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

twee × vier =