WERCHTER 2005 :: Veilig maar staand als een villa in Brasschaat

Het regende eerst afzeggingen en net toen we dachten dat we een zonnige editie tegemoet gingen openden de hemelsluizen zich ook effectief. Werchter startte dit jaar dus onder een slecht gesternte en kon die mal à l’aise vier dagen lang nauwelijks van zich afschudden. Lag het aan ons of begint het festival een beetje een vermoeide indruk te geven? Misschien wordt het tijd om één en ander eens op te frissen.

Dag één: Dansen in de geschiedenis

We keken serieus uit naar deze openingsavond van Werchter 2005, want er zou flink gedanst gaan worden. Wie geen gevoel voor ritme had kon bovendien — op enige afstand van het beweeglijker volkje — aan de hand van deze avond de geschiedenis der elektronische muziek schrijven. We hadden ons voorgnomen een serieus danske te placeren, maar wel met het notaboekje als houvast. Voor als de ritmes wat te raar bleken.

Met de laatste plensbui van de dag net achter de rug — dàchten we — leek de wei er op enkele plassen na acceptabel bij te liggen. De mannen van The Bravery deden hard hun best om te verbergen dat ze hun sound bijeen gejat hebben, maar op een leuke “Honest Mistake” na leken ze vooral een slappe voorbode van wat nog zou komen.

In de Marquee gaf Saul Williams de aftrap met een gebalde set vol politiek geëngageerde en intellectuele hiphop. Hij raasde boos maar genuanceerd over het podium terwijl de DJ zware gitaarriffs, ragga-beats en een snufje jungle uit zijn samplers en draaitafels toverde. Williams leek ten overvloede te willen bewijzen dat hiphop ook zonder schaars geklede dames, geweerschoten en holle beats kan: keeping it real als het ware. Het klonk strak, stevig, dansbaar, maar bij wijlen net te prekerig om ons helemaal te bekeren.

Over New Order hoorden we achteraf dat ze niet in grote doen waren. Welja, de heren worden al een dagje ouder, Bernard Sumner was moe en niet helemaal in vorm, maar het moeten verwende muzieksnobs geweest zijn die er niet van genoten om New Order eindelijk (nog) eens live te zien. Peter Hook was wèl in topvorm en baste zoals gewoonlijk menig onderbuik door elkaar, terwijl hij wijdbeens solerend alle hoeken van het podium verkende.

New Order geraakte pas na een een half uurtje helemaal op temperatuur, maar zette dan wel foutloze versies neer van klassiekers als “Your Silent Face”, “Bizarre Love Triangle”, “True Faith”, “Love Will Tear Us Apart” en uiteraard “Blue Monday”. We zongen vrolijk mee en waagden met een weidse glimlach de eerste danspasjes van het weekend. Een vluchtige blik in de rondte leerde dat dit de meest gangbare respons op de passage van New Order was. Het had natuurlijk allemaal nog beter gekund en Joy Division-nummers die niet door Ian Curtis worden gezongen klinken net iets minder intens, maar New Order verzorgde de perfecte soundtrack bij de eerste zonnestralen van het Werchter-weekend.

Het kersverse solo-album van Roisin Murphy is een stuk minder toegankelijk dan het recente werk van Moloko, maar er stond toch heel wat volk op haar te wachten aan de Marquee. Met een kwartier vertraging verscheen ze ten tonele, getooid in een minuscule cocktailjurk en met een boeket bloemen dat ze tijdens openingsnummer “Dear Diary” deskundig aan flarden mepte. De songs klonken wat dansbaarder dan op plaat en de meer bizarre kantjes van haar samenwerking met Matthew Herbert werden er live afgevijld, wat het druk feestende publiek la Murphy duidelijk in dank afnam.

Voor de muzikaal wat minder begaafde medemens mocht Snoop Dogg daarna zijn ding doen op het hoofdpodium, maar de fijnproevers wisten dat ze aan de Marquee moesten zijn voor een zeldzaam festivaloptreden van de duitse techno-pioniers Kraftwerk. Je kan er naar blijven gissen of ze alles live speelden of gewoon een tape lieten lopen: de show was alleszins fenomenaal. Van “The Man Machine” tot “Radioactivity” en “Autobahn” tot “Music Non stop”: alle hits passeerden de revue, met prachtige (perfect getimede) graphics op een gigantisch videoscherm. Voor dat scherm: vier mannen van middelbare leeftijd die in perfect kostuum uitdrukkingsloos achter een laptop stonden.

Voor “The Robots” werden vier heuse robots het podium op gerold, die een beetje met hun mechanische armen zwaaiden. Als dit nummer al live gebracht werd, was het alleszins niet op het podium te zien, maar we lieten het niet aan ons hart komen en dansten lustig verder op de geperfectioneerde elektro-pop van de Duitsers. Het optreden van Kraftwerk was zonder twijfel een van de absolute hoogtepunten van Werchter 2005, en één van de beste festivaloptredens die we ooit zagen.

Met de laatste tonen van Kraftwerk vielen ook de eerste druppels van een heuse wolkbreuk op de weide, waardoor de Chemical Brothers het helaas zonder ons moesten doen. Terwijl we almaar doorweekter richting bushalte waadden, hoorden we hen er in de verte wel een serieuze lap op geven. Het zou zonder het onweer de perfecte afsluiter van de eerste Werchterdag geweest zijn. Een dag bovendien waarop de meeste muziek uit computers, samplers en synthesizers kwam. Er zullen zelden minder gitaren op een dag Werchter geklonken hebben, maar zelfs een geboren rocker als (mvm) heeft ze nauwelijks gemist. Rock Werchter 2005 was ondanks het weer nagenoeg perfect gestart.

Dag twee: Mrauw!

De solden zijn vandaag begonnen en dus schaffen we ons maar een paar flinke laarzen aan om de in een modderpoel herschapen weide van Werchter opnieuw te betreden. De weergoden lachen ons echter toe en weten met zwoele zonnestralen menig ranke verschijningen in bikinitopjes naar buiten en binnen ons gezichtsveld te lokken. Ja, de tweede Werchterdag begon dus erg mooi.

Kliekjesdag, daar lijkt het vandaag wel op. We proefden hier en daar van een optreden maar gingen toch vooral voor die enkele naam die naar meer smaakte. De poppunk van Jimmy Eat World gaat razendsnel aan ons voorbij en doet ons vooral beseffen dat ook de punk tegenwoordig bij de solden ligt. En hoewel we nog later dan anders bij onze positieven waren, slagen we er ook vandaag niet in om aan de gekeelde varkens van Within Temptation te ontsnappen.

Wijselijk laten we dat gejeremieer links liggen voor een portie Dresden Dolls. Hun zogenaamde cabaretpunk weet blijkbaar meer harten te beroeren dan we durfden bevroeden en het wordt dan ook een drummen van jewelste om iets van hun theatrale show op te vangen. Brian Viglione speelt — zoals steeds — een treffende “Coin-Operated Boy”, terwijl Amanda Palmer zich zonder meer verliest in een beklijvende “Half Jack”. Covers zijn er van “War Pigs” en een Frans gezongen en waardig “Amsterdam”. Een tent jonge honden gaat uit de bol. We weten het wel zeker: hierboven trekt Brel eens goedkeurend aan zijn Gitane.

Garbage komt even later de puntjes op de i zetten: het gaat dan wel om drie lelijke venten en een stoeipoes met klauwen, ze hebben wel meer hits bij elkaar geschreven dan u en ik hadden onthouden. Een set lang bleven we gebiologeerd kijken en luisteren naar de perfecte rockmachine die de groep is. Hitsingle na supertrack passeert de revue, met opvallend veel songs van hun tien jaar oude debuut. En passant weet Shirley Manson niet alleen ieders — euhm — hart te veroveren door haar fraaie kont te tonen maar draagt ze ook “Sex Is Not The Enemy” op aan alle vrouwen. Mrwauw!

In de Marquee doen The Kills ondertussen hun moordende ding. Met demonisch genoegen jagen VV en Hotel er een bloemlezing uit hun twee platen door waarbij publiekslievelingen als “The Good Ones” worden afgewisseld met minder voor de hand liggend materiaal als “Dead Road 7”. Minder intens dan op Pukkelpop vorig jaar, maar nog steeds alive and kicking. Al blijft bij het bekijken van de groepsleden vooral de vraag: hoe lang nog?

Met een duister “Alles half” begint Monza in de Marquee aan een goeie set. De intro van “Dreiklangdimensionen” loopt prachtig over in “Van God Los”, de koele beat van “Een soort van vrede” blijkt live een stuk beter te werken dan op plaat. Overigens lijkt Meuris steeds meer op een gezette Ian Curtis met zijn grijze hemd en das (en die mottige debardeurs). Maar ook: een rasperformer.

Op het hoofdpodium is Velvet Revolver een nostalgietrip van jewelste. Scott Weiland en alles van Guns ’n Roses behalve Axl Rose putten nog steeds rijkelijk uit het hitreservoir van hun oude groepen. Flauw vinden wij dat, maar Weiland blijft nog altijd een echte frontman: als een kruising tussen een Nazi-nicht en een wandelende rockcliché laveert hij over het podium, ons opnieuw onderwijzend in “rock ’n fucking roll”. Na zoveel geweld kunnen wij niet anders dan grijnzen bij het zogenaamde rockgehalte van Jamie Cullum in de Marquee.

Cullum gedraagt zich dan ook meer als een baldadige puber dan als het vleesgeworden rockmonster. Naast Cullum klinkt zelfs Chris Martin zowaar rebels. Gelukkig is de jazzy knuffelbeer meer dan het mannelijke antwoord op dat andere product genaamd Norah Jones. Beleefd en met twee woorden sprekend, weet Cullum eens te meer aan te tonen dat hij wel degelijk over een flinke portie muzikaal talent beschikt. Gemakkelijk te verteren jazz en een zeemzoeterige Radiohead-cover “High And Dry” fluistert de cynicus links van ons, maar de fluweelzachte romantica rechts van ons bekoort veel meer. Alras krijgen we dan ook visioenen van diners bij kaarslicht en lange wandelingen op het strand.

Ach, Cullum mag dan wel een marketingstunt zijn, hij klinkt tenminste goed. En als afwisseling tussen al dat geweld was hij dan ook welkom. Net zoals ouwe rot Elvis Costello, deze maal vergezeld van The Imposters. De man blijft met zijn potige rock, geïnjecteerd met een flinke scheut rockabilly jong en oud boeien, zelfs als is de portie oud iets beter vertegenwoordigd naast maar ook op het podium. “I want you” blijft zonder meer een kippenvelmoment, zelfs al is het een getalenteerde gepensioneerdenbond op het podium. Snotters en oude zakken, beiden wisten ons te bekoren.

Billy Joe Armstrong van Green Day is bijna veertig maar nog altijd een puber. Wat zeggen we? Een klein kind is het. En zo is het goed: wij hebben nooit veel opgehad met volledig uit onkreukbaarheid en stijfsel opgetrokken personages die zich het epitheton “volwassen” laten aanmeten. Voor je ’t weet ben je Geert Bourgeois of Yves Leterme en dat — geef nu toe — wil toch niemand?

En toch had Green Day het allemaal iets strakker mogen aanpakken. Ja, die twee uur die ze hadden losgekregen (gehaaid onderhandeld? Colonel Parker van gene zijde aan het werk gezet?) moesten gevuld, maar dan zagen wij dat liever met goeie versies van de helft van American Idiot die ze niet speelden (geen “Wake Me Up When September Ends”? Schande!) dan met de supersoaker-ongein die we nu kregen. Mooiste moment: dat glunderende meisje dat één nummer lang achter de drums mocht plaatsnemen. Waarna de finale kwam met “We Are The Champions” en dat welkome “Good Riddance (Time Of Your Life)”. Green Day was best fun, maar niet de triomfantelijke splinterbom waarop wij hadden gehoopt.

Waarna Faithless nog maar eens zijn kunstje mag doen ter afsluiting: dreunende beats, kathedralen van synths en zestigduizend man die wappert met die handjes. Fijn zo, maar het hoefde even niet voor ons, wij waren de laatste jaren al afdoende bediend en kunnen wel eens iets anders gebruiken. Rock Werchter dag twee herenigde ons met jeugdliefdes Garbage en Green Day, leerde de jeugd dat “Amsterdam” pure rock ’n roll is, maar was voor de rest vooral slappe hap. Slapen, en hopen op beterschap voor:

Dag drie: Tot Tranens toe

Terwijl er in andere parken nog maar eens een mondiaal geweten wordt geschopt, slepen wij ons met terechte tegenzin naar de derde dag van deze uit de hand gelopen jamboree. Geroemd om zijn organisatie, zijn gefêteerde leiders en zijn Grundlichkeit: dat moet uiteindelijk wel uitmonden in theatraal fascisme op het hoofdpodium later op de avond.

Ook al proberen net voor de wei een groepje diepchristelijke idioten, ongetwijfeld met de steun van de lokale tsjevenburgemeester, ons aan de hand van een gezuiverd T-shirt weg te houden van de verderfelijke plaats: we raken toch binnen. We worden echter bijna onmiddellijk omsingeld door een bende bierbuiken met een Rammstein-shirt. Dat werd dus al lopen, zo vroeg op de dag. Gedaan met het gesleep: op naar lawaai.

En dat was er zaterdag overvloedig. Groepen als The Dears en Bloc Party verloren de melodie niet uit het oog, maar anderen (Audioslave en Millionaire bijvoorbeeld) verkozen de kaarsrechte weg naar adrenaline. Maar, laat ons wel wezen: wij houden intens van lawaai. Het overstemt op zijn minst het netwerken in de persruimte.

Sommige bro’s maken er op de zaterdagnamiddag ook wel een spelletje van: een wraakroepend optreden, gelardeerd met sterke drank en een setlist met daarop één nummer. The Game is wat je krijgt als je programmeert met verstopte oog- en oorkleppen. Het hiphopgezeik van vorig jaar bleek al wat geminderd, maar hopelijk hebben ze het daar in Vlaams-Brabant begrepen voor de volgende edities.

Door heel wat annuleringen (wij hebben het zelf ook even overwogen) moest er door Schuer & vooral co bovendien heel wat worden gepuzzeld. Een leuk tijdverdrijf waarvoor de organisatie zelfs niet over de landsgrenzen ging zoeken. Het huis zat toch vol en ach, u kwam, zoals steeds, toch voor de sfeer. Of om aan te schuiven voor een gesponsorde knapzak aan een touwtje.

Wel opvallend — af en toe was er wel degelijk muziek — is de schaduw van Ian Curtis, die bij momenten over deze editie van Rock Werchter hangt. Speelt Therapy? nog gierende covers van “Isolation” en “She’s Lost Control” tijdens hun verschroeiende openingsset, later op de avond zou Interpol de Marquee helemaal omtoveren tot een Plezierige Divisie. Al vanaf de eerste dromerige noten van “Next Exit” gaat het massaal aanwezige publiek horizontaal voor dit donkere New Yorkse kwartet. Om helemaal loos te gaan na de prikkelende aankondiging This is “Evil”. Interpol laat de Pyramid murw achter, hoewel het publiek tevergeefs jammerde om bissen: de bassist was té ziek.

Op de Main Stage was op de valreep ’t Hof Van Commerce aan de affiche toegevoegd om een lege spot op te vangen. De drie West Vlamingen doen wat van hen verwacht mag worden: vette beats over de wei jagen en ondertussen in hun onbegrijpelijke taaltje raps en naar verluidt grappige bindteksten uitkramen. Waar het over ging? w’en er gien gedacht van, maar een onderhoudend optreden was het wel.

Eerder hadden we al middelmatige tot prima optredens van Daan (dat witte pak! die overdreven mep van “Housewife”! het pompend arrogante “Victory”! Een Duran Duran-cover?), Admiral Freebee en The Dears gekregen. Al leek het bij die laatste buiten de Pyramid Marquee alweer eerder op een sit in, Tien’anmen-pleinstyle, voor dit prima optreden. Beste stem van de dag trouwens, die van Murray Lightburn van The Dears.</i /></i />

Rechtgestaan wordt er wel voor het langverwachte optreden van Bloc Party. In de tent is het duidelijk een feestje waar elke zin luidkeels wordt meegebruld, de plankenvloer daarbuiten omwoelen Franz Ferdinandstyle zit er niet in. Mild als we zijn gaan we er van uit dat het aan de slechte klankbalans ligt.

Audioslave is de Velvet Revolver van vandaag: cliché rockposes, scoren met de hits van de vorige groepen van de heren (Rage Against The Machine en Soundgarden), en een langgerekte geeuw. Het mag iets meer zijn, ja. Millionaire, bijvoorbeeld, dat na twee passages die te kampen hadden met technische storingen een revanche van jewelste komt nemen met nieuwe plaat Paradisiac onder de arm. De set bestond vooral uit nieuwe nummers, maar om het publiek mee te slepen in de luider-dan-luid-trip, opent Millionaire met lieveling “Champagne”. Mauro springt even het podium op om “I’m On High” mee vorm te geven. Met elk nummer wint Millionaire aan credibility en de band laat uiteindelijk de Marquee totaal lamgeslagen achter.

Met het tweeluikje “The Frail”/”The Wretched” opent Trent Reznor van Nine Inch Nails de poorten van zijn hel. Het volgende uur hamert hij ons met vroege mokerslagen als “Wish” en “March Of The Pigs” in perfecte timing (nog voor Reznor zijn microfoonstandaard heeft weggesmeten staat een roadie al klaar met de vervanger) nog een paar Dantekse kringen lager. Dat de nieuwe nummers van het recente “With Teeth” iets minder bijten en slechts een vagevuurtje zijn vergeven we met graagte wanneer “Head Like A Hole” en een ingetogen “Hurt” de show (want dat was het, maar wat voor één.) afsluiten.

Met een erg dubbel gevoel zien we hoe The Tears een nauwelijks driekwart gevulde Marquee mag afsluiten. Je kon zonder problemen tot aan de eerste rij, even naar Rammstein gaan kijken en terugkeren naar je oude plek. Geen goed teken alvast. De groep rond Brett Anderson en Bernard Butler stond er wél beter op zijn plaats dan op de eerder geplande Main Stage, maar als afsluiter vielen deze Britse Tranen druppelend door de mand. Erg jammer, want met Here Come The Tears schreven Anderson & Butler een erg aardig vervolg op het afgesloten Suede-hoofdstuk.

Opener “Lovers” klonk nog fris en baldadig, “Refugees” greep spetterend en in recordtijd naar de keel en tijdens “Apollo13” liet Anderson — tikje arrogant bij momenten — zijn stem zodanig mooi overhellen dat we klaar waren voor een heus kantelmoment. Maar het kwam er niet, net zo min als het verhoopte Suede-nummer. Tijdens afsluiter “The Ghost Of You” gingen de Britten er bij liggen en knalde Butler nog bijna kronkelend zijn gitaar in een lid van de security, maar het bleef ook nu weer bij “bijna”. Een degelijk, maar ietwat onbevredigend optreden.

Rammstein brengt dit jaar ontgoochelend weinig vuur naar de weide en zo zonder klank- en lichtspel vinden wij al dat gedreun al een stuk minder opwindend. Het publiek lust er echter wel pap van. Weer moeten we bijgevolg op de loop voor lallende Duitsgezinden. Elke generatie moet blijkbaar door die vluchtfase.

Dag vier: Meejanken

Op de laatste dag van Werchter doolt de massa naar goede gewoonte uitgeteld en met verweesde blik in de ogen rond. Tijd om uit te bollen, is er nochtans niet. Met onder meer Foo Fighters, QOTSA en R.E.M. had de Schuer de grootste klappers voor deze zondag voorbehouden.

Op zondagmorgen ligt de weide erbij alsof de Apocalyps net is voorbijgekomen. Ergens op het dorre stort dat ooit baadde in het groen, menen we ternauwernood nog twee ongerepte grassprietjes te ontwaren. Al kan het ook beschimmeld Aziatisch eten zijn. Nooit eerder roken we trouwens zoveel verschillende variëteiten rioolgeur. Halvelings verwachten we elk moment een jonge Mel Gibson als Mad Max in een grote stofwolk het terrein te zien opstuiven. Helaas: de enigen die met veel lawaai tevoorschijn komen, zijn de verfijnde jongens van Flogging Molly.

Wie de ochtendstond een warm hart toedraagt, kan om half twaalf — midden in de nacht naar festivalnormen — al zien hoe de folkpunkers/punkfolkies met veel enthousiasme Ierse traditionals door de mangel halen. Elegant zoals gewoonlijk blazen de Guinnessdrinkers eenieders kater nieuw leven in. U kent het stramien onderhand wel. Ach, volgend jaar zijn het Dropkick Murphys wel weer en kunnen we dit stukje tekst recycleren.

Voor Tom Helsen is eindelijk een plaatsje op Werchter weggelegd. Hij vertaalt zijn dankbaarheid in een oerdegelijke set voor een halfvolle Marquee. Helsen geniet zichtbaar op het podium en laat de vrouwelijke fans uitgelaten kirren als hij na enkele nummers met ontblote bast verder gaat. Voorspelbare hoogtepunten: “When Marvin Calls” en “Slowly”. Verder mompelt Helsen iets over de smeerlap die niet kan komen alvorens een uitstekende versie van Ryan Adams’ “Come Pick Me Up” in te zetten. Tom Helsen is één van die songwriters die wél doorhebben dat omfloersing overbodig is, als de songs maar sterk genoeg zijn. Ja, we hebben het over u, Joost Zwegers.

“God, wat zijn we blij dat we geen Hollander zijn”, is onze enige gedachte wanneer we een flard Kanemeepikken. Zoutloos en ongeïnspireerd haspelt de band zijn nummertjes af, die sowieso al niet het toppunt van muzikaal vernuft zijn. Kane moet zowat Nederlands meest smakeloze exportproduct zijn sinds Heineken. En dat wil wat zeggen.

Wanneer Stash zijn monsterhit “Sadness” inzet, beginnen zich ei zo na Beatlesiaanse taferelen te ontrafelen. Harder krijsend dan Mariah Carey op Live8, maakt de volledige pubermeisjespopulatie op Werchter duidelijk dat op dit moment al het hele weekend wordt gewacht. Dat de rest van het optreden zo goed als onopgemerkt voorbijgaat, daar kraait verder geen haan naar.

Voor Feeder is de Main Stage geen onbekend terrein. Hun passage maakt deze keer echter een stuk meer indruk dan twee jaar geleden, mede omdat de Britten volop kunnen putten uit hun recentste en sterkste plaat. Niettemin is de band niet overtuigend genoeg om het publiek, dat na vier dagen afwisselend regen en hitte behoorlijk murw is, echt over de streep te trekken. Daarvoor volstaat zelfs het onwaarschijnlijke enthousiasme van bassist Taka Hirose niet. Overigens nam Feeder een valse start: door een nog slaperige techniek moesten we het tijdens het eerste nummer zonder vocalen stellen. Volgens een onverlaat naast ons meteen het beste deel van het optreden.

Keane is één van die bands die onze hoofdredacteur tot een misprijzend “bedplassers” nopen. Wij zijn doorgaans iets welwillender en vinden de muziek van Keane wel te pruimen. Alleen blijken ze live ontstellend ontgoochelend: een frontman met het charisma van een droge haring en geen spatje originaliteit in de uitvoering van de songs. De chef zal het niet graag horen, maar we begonnen Chris Martin heel hard te missen. Om van Gwyneth nog te zwijgen.

Was het omdat wij er na Pukkelpop vorig jaar eigenlijk geen bal van verwachtten? Hoe dan ook: Soulwax lijkt vastbesloten zelfs de grootste Soulwaxhater op Werchter over de streep te trekken en dat lukt ook bijna. Een strak en stevig “E Talking” opent een set die lijkt te draaien om de herontdekking van de Song. Gents hipste broertjes kicken nog steeds op mooie geluidjes, maar herinneren zich tegenwoordig terug dat er ook iets achter moet zitten. Haalt de kwaliteitsmeter toch af en toe terug naar de gevarenzone: de wel erg minderwaardige stem van Stephen Dewaele. Als revanche kan dit optreden echter wel tellen. Fan gaan we nooit worden, dit haalde ons toch al een stuk meer over de streep.

Ondertussen, in de Marquee: wat leek te beginnen als een randdebielenproject/muzikale grap (schrappen wat niet past), lijkt nu uitgegroeid tot een beloftevolle groep. Jesse Hughes van Eagles Of Death Metal heeft nieuwe begeleiders rond zich verzameld en naast woestijngoeroe Dave Catching bestaat de groep tegenwoordig ook uit een bassist met kolenschoppen van handen. Met hun boogierock ’n roll krijgt de band de tent in no time plat, vooral dankzij nummers als “I Only Want You” en de Stealer’s Wheel cover “Stuck In The Moment”, voor de gelegenheid omgedoopt tot “Stuck In The Metal”. De Eagles zijn het beste voorprogramma dat Queens Of The Stone Age zich kunnen wensen, ook al staan ze op een ander podium.

De Queens Of The Stone Age voelen zich duidelijk in hun sas onder de verschroeiende zomerzon op de mistroostig verdorde Werchterweide. Alsof de zondvloed van twee dagen geleden nooit heeft plaatsgevonden beuken Josh Homme en z’n Stoffige Schare, middels furieus pompende riffs, als een losgeslagen woestijnwind de bijpassende soundtrack het publiek in. Met venijnig prikkende cactussen van songs als “A Song For The Dead” wordt uiteindelijk zelfs de meest overtuigde groene jongen bekeerd tot Homme’s geschifte woestenijreligie — en geen haar op ons ecohoofd dat zich daar vragen bij stelt.

Stef Kamil Carlens in goeie doen is altijd een feest voor de zintuigen: Zita Swoon begint vrij ingetogen aan de set, maar krijgt al gauw een overvolle Marquee aan het dansen. Carlens’ goddelijke backingzangeressen geven de nummers net dat beetje extra cachet waardoor de ondraaglijke lichtheid — waaraan Zita Swoon in het verleden wel eens ten prooi viel — nooit kan intreden. En jawel, er is zelfs een heus kippenvelmoment bij de Cohen-cover “Rivers Dark”.

Een cirkelzaaggitaar, nog één, een bas die invalt, en dan Dave Grohl die brult “Can you hear me?”: Foo Fighters doen wat van hen verwacht wordt. De één na de andere knaller wordt zonder veel commentaar binnengetrapt en de wei gaat plat. Wanneer Grohl het tijd acht voor een zomerwandelingetje en begeleidende solo kraait daar geen halve haan naar — dit is compromisloos entertainment ten top sudderend in een verfrissend scheutje zelfrelativering. Hij schenkt ons in zijn almachtige goedheid een gegronde reden om bij flinke oerwouden in katzwijm te vallen: een rockgod is verrezen.

“Mijn ritmesectie vanavond: de Foo Fighters.” Tom McRae blijft op zijn best als hij minstens lichtjes cynisch kan zijn. Ondanks het geweld van de Main Stage is McRae bij momenten goddelijk, wanneer het publiek het overneemt aan het eind van “End Of The World News (Dose Me Up)” openen de poorten van het paradijs zich. Tel daarbij nog een ijzig mooie versie van “Sao Paulo Rain” en weet: McRae tekende voor één van de pakkendste optredens van deze Werchter.

Voor de gelegenheid (het wegvallen van Ryan Adams) wordt Belgisch rockmonument Arno nog maar eens afgestoft. Gemakkelijkheidsoplossing of niet, hooggeëerde heer Hintjens is een berekende gok en slaagt er ook deze keer vrolijk aangeschoten in het — overigens niet zo talrijk opgedaagde — publiek z’n roes in te sleuren. Nog harder rockend dan we van hem, of gelijk welk mens op leeftijd, gewoon zijn (een paar metalriffs drijven ons zelfs tot het bovenhalen van de luchtgitaar) kwijt hij zich ook deze keer weer keurig van zijn taak: de obligate hits worden met de geestdrift van een roedel jonge bloedhonden op het publiek losgelaten waardoor de routine op een veilige afstand gehouden wordt. Netjes inpakken in een behoorlijke laag papier en opnieuw de kast in voor volgend jaar is de boodschap.

Het afzeggen van Adams maakt de keuze tussen jeugdsentiment met R.E.M. en één van de meest veelzijdige songwriters van dit moment gelukkig overbodig. De krasse knarren vullen het podium ondertussen al voor de zesde keer en de talrijke hits die het gezelschap ondertussen bijeenschreef worden zelfs door de jongsten (en die worden steeds jonger) moeiteloos meegejankt. Waarmee nog maar eens bewezen wordt dat R.E.M. een klassieke groep is. Ook de meer recente songs staan er overigens er als een villa in Brasschaat. Waar het twee jaar geleden nog voelde alsof R.E.M. een band geworden was die het vooral van zijn verleden moest hebben, bewijzen de immer charismatische Michael Stipe en de zijnen nu breed grijnzend het tegendeel. De anciens leken een tijdlang onvermijdelijk af te stevenen op het TW Classic-podium, maar veranderden net op tijd koers om nog moeiteloos met de hippe jonkies te kunnen meespelen.

Dat de vervangingspool door Saint Bob al was geplunderd maakte het natuurlijk niet gemakkelijk, maar het moment dat elke Belg die ooit een instrument aanraakte, al dan niet als invaller op Werchter mag spelen is niet ver meer af. Wij zagen een festival dat dit jaar wel héél erg op veilig speelde en daar nog zijn geluk uit haalde. Die headliners deden het immers meestal wel — zij het iets te voorspelbaar — terwijl de aanloop maar al te vaak huilen met de pet op was. Rock Werchter hoeft Pukkelpop niet te worden, maar iéts avontuurlijker programmeren zou het wel wat meer pit geven. Nu dreigt het festival langzamerhand in te dommelen tot het onderscheid met TW Classic helemaal vervaagt en we terug oudjes als Sting of Paul Simon als afsluiter krijgen. Wij rillen al bij voorbaat.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

15 + 5 =