The Tears :: Here Come the Tears

De Britse muziekpers was de afgelopen weken het delirium nabij. Er!
Stonden! Namelijk! Enkele! Belangwekkende! Nieuwe! Releases! Op!
Stapel! En om ‘the gap’ op te vullen die het pas afgelopen
voetbalseizoen had nagelaten, heerste er natuurlijk weer dat
kunstmatige, opgeklopt stammentwistsfeertje van weleer. Oasis mocht enkele weken de spits
afbijten, maar in tegenstelling tot een jaar of tien geleden kregen
de Gallaghers niet de gedoodverfde rivalen van Blur tegenover zich
maar de wankers van Coldplay. Ons laat die strijd koud, en
nog geen klein beetje. Chris Martin zal ongetwijfeld het jaar
afsluiten met de mooiste cijfers, terwijl de boulevardpers haar
handen weer meer dan vol zal hebben aan de lotgevallen van de
kapoentjes uit Manchester. De release waar wij persoonlijk het
meest naar uitkeken (nog meer dan die van Coldplay) was de
‘debuutplaat’ van The Tears, het vernieuwde verbond tussen
ex-Suedettes Brett Anderson en Bernard Butler. Bijna tien jaar
hadden de twee, ooit uitgeroepen tot beste songschrijversduo sinds
Morrissey en Marr, niet met elkaar gesproken. Een simpel
telefoontje bleek echter te volstaan om de draad, die was blijven
liggen na Butlers vertrek uit Suede in ’94, weer op te
pikken.

Het verhaal van Suede is gekend. Nog vóór de eerste single werd
geperst prijkte er een foto van de groep op de frontpage van Melody
Maker, met het intrigerende en irriterende opschrift ‘Best New Band
in Britain’. Van meet af aan was Suede dan ook een band om van te
houden of van te gruwen. De eerste singles deden het meer dan
behoorlijk en ook de titelloze debuutplaat werd een succes. Toch
werd Suede – met Anderson als androgyne uithangbord – niet alleen
bedolven onder de superlatieven, er was ook de (niet geheel
onterechte) kritiek dat de band weinig origineel klonk en vooral
leentjebuur speelde bij de glamrockgrootheden uit de jaren
zeventig.
Tijdens de opnames van het tweede album, ‘Dog Man Star’, barstte de
bom. Gitarist Bernard Butler, een muzikaal genie maar niet meteen
een zegen om in groepsverband mee samen te werken, verliet de groep
na hoogoplopende conflicten met zijn collega’s en met producer Ed
Buller. Lange tijd zag het er dan ook naar uit dat een
vredesverdrag tussen Israël en de Palestijnen (of zelfs een reünie
van The Smiths of de Stone Roses) meer kans op slagen zou hebben
dan een vernieuwde samenwerking tussen Butler en Anderson. Suede
bewees immers met ‘Coming Up’ dat het ook zonder Butler kwaliteit
aan commercieel succes kon koppelen, terwijl Butler zelf naar eigen
zeggen vooral uit was op artistieke voldoening.

Ook toen bij het begin van nieuwe millennium het succes van Suede
na twee mindere cd’s tanende was en ook Butler een beetje op een
dood spoor leek te zijn beland, was er niks dat wees op de toch wel
hoogst verrassende carrièrewending met The Tears. Maar alle mooie
woorden en muzikale daden ten spijt, ook nu weer moeten Butler en
Anderson vastgesteld hebben dat zij nooit echt goede vrienden
zullen worden. Het feit dat zij hun ego’s opzij hebben kunnen
schuiven om ons te verblijden met dit fijne schijfje, wekt echter
niet enkel verwondering, maar vooral bewondering op.

Hoe moeten we ‘Here Come the Tears’ nu bekijken? Als een
debuutplaat, een comebackplaat, een plaat van een gelegenheidsgroep
of de derde echte Suede-plaat? Zelf komen we er niet meteen uit,
wat telt is dat het in de eerste plaats een uitstekende plaat is.
Vanzelfsprekend zitten er heel veel ingrediënten van de oude Suede
in de sound en de songs van The Tears, maar tegelijk hoor je dat
Anderson en Butler ook heel wat hebben opgestoken van hun
samenwerkingen na de split. Een groot verschil tussen de eerste
twee Suede-platen en ‘Here Come the Tears’ is volgens mij
bijvoorbeeld de toon. ‘Suede’ en ‘Dog Man Star’ klonken nog
behoorlijk donker, theatraal en dramatisch, ‘Here Come the Tears’
klinkt daarentegen opgewekter en positiever, meer down to
earth
dan het vroegere werk. Deze cd komt qua toon veel dichter
in de buurt van ‘Coming Up’. Op ‘A New Morning’, de laatste
Suede-cd (uit 2002), maakten we ook al kennis met de vocale
metamorfose van Anderson. Weg waren de overtollige effecten, de
galm en de “gecontroleerd overslaande” stem. Blijkbaar was dat voor
hem zelf ook een hele aanpassing, want al te vaak leek hij zich op
die plaat nog wat in te houden. Op ‘Here Come the Tears’ staat er
echter geen maat op Andersons strot en bewijst hij ook zonder
technische snufjes een uitstekend zanger te zijn. Maar het blijven
natuurlijk Brett Anderson en Bernard Butler. De plaat staat bol van
de catchy melodieën, Butlers barokke gitaarkronkels en donderende
drums, van meezingbare anthems en slepende, beklijvende ballads.
Het album is – hoewel kwalitatief een tikkeltje minder – in feite
een pompeuze versie van ‘Coming Up’ en een uitbundiger uitgave van
‘Dog Man Star’.

Zoals bij elke vorige Suede-plaat zijn het in eerste instantie ook
nu weer de gedreven, gracieuze en melodieuze poprockers die we met
plezier uit onze boxen horen knallen. Singles ‘Refugees’ en
‘Lovers’ vormen wat dat betreft een waardig nageslacht voor
‘Trash’, ‘Beautiful Ones’, ‘New Generation’ en ‘We Are the Pigs’.
‘Autograph’ knipoogt nadrukkelijk naar The Smiths, terwijl het
nijdige ‘Brave New Century’ alleen al omwille van de zinssnede
Religion breeds like a disease while people spit on
refugees
” recht van bestaan heeft. In zijn teksten is Anderson
ook veel directer dan vroeger. Zo gaat ‘The Ghost of You’ (onder
meer) over zijn overleden moeder, maar in enkele songs zitten ook
verwijzingen naar racisme in het algemeen en zijn (zwarte) vriendin
in het bijzonder. De tragere songs zijn minder licht verteerbaar,
en toonden – in mijn geval – pas na een tijdje hun werkelijke
pracht.
Aanvankelijk is de balans tussen uptempo songs en het tragere werk
mooi in evenwicht, maar naar het einde van de plaat toe zijn het de
ballads die de bovenhand halen. Daar zitten dan ook enkele parels
tussen, zoals afsluiter ‘A Love As Strong As Death’ en ‘The
Asylum’, die zich zonder blozen kunnen meten met het beste van ‘Dog
Man Star’.

Net als bij Suede zullen heel wat mensen in hun nopjes zijn met
deze cd, terwijl evenveel muziekliefhebbers ‘Here Come the Tears’
zullen afdoen als “weer eens een pure jeanettenplaat”. Zoals u
allicht al had begrepen, rekenen wij ons bij die eerste groep. Wat
de toekomst echter zal brengen is met deze twee keikoppen verre van
duidelijk. Naar verluidt werden er na de opnames van deze plaat
alweer nieuwe songs geschreven en zou er nog een vervolg komen,
maar voor hetzelfde geld wordt de groep na (of tijdens) de
zomertournee weer opgedoekt. Hout vasthouden dus en hopen dat ze
het (minstens) volhouden tot begin juli, wanneer zij langskomen op
het tuinfeestje van de Schuer in Werchter.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

18 − een =