Being There




Sommige films, de meeste films, zijn goed om één keer te zien en
dan heb je het wel gehad. Amusement, weet u wel, je kijkt ernaar en
je vergeet het. En dan heb je films die groeien met elke volgende
kijkbeurt, die steeds beter worden en waar je steeds meer
verschillende dimensies in gaat ontdekken. ‘Being There’, een
liefdesproject van acteur Peter Sellers, is zo’n film. Sellers
probeerde negen jaar lang om een verfilming van Jerzy Kosinski’s
roman van de grond te krijgen, maar verschillende commerciële flops
tijdens de jaren zeventig zorgden ervoor dat het hem maar niet
wilde lukken. Uiteindelijk draafde hij dan maar, dik tegen z’n zin,
op in nog maar een ‘Pink Panther’-film om z’n status bij het grote
publiek op te vijzelen. Het succes van zijn Inspector Clouseau was
voldoende om hem eindelijk z’n droom te laten realiseren – Sellers
werd genomineerd voor een oscar (hij verloor van Dustin Hoffman
voor ‘Kramer Versus Kramer’) en stierf een jaar later. Voor zijn
dood maakte hij enkel nog ‘The Fiendish Plot of Dr. Fu Manchu’, een
volslagen flop. ‘Being There’ werd in feite zijn
testamentfilm.

De aantrekkingskracht van het verhaal voor Sellers lag in de manier
waarop het hoofdpersonage, Chance de tuinman, absoluut geen
persoonlijkheid lijkt te hebben. Sellers zelf was iemand die z’n
hele leven lang worstelde met een acute identiteitscrisis. Hij
beschouwde zichzelf als een man zonder een eigen karakter, met
enkel een leegte in z’n ziel, die werd opgevuld door de rollen die
hij speelde. Wanneer Sellers ophield met acteren, was hij niemand.
Hetzelfde geldt min of meer voor Chance – aan het begin van de film
treffen we hem aan als de tuinman van een herenhuis in New York,
die sinds z’n kindertijd dat huis niet meer heeft verlaten. Zijn
hele leven bestaat uit zijn tuin en de indrukken van de
buitenwereld die hij heeft kunnen vergaren via de tv.

Dat is een eigenaardige beginsituatie, die nooit helemaal wordt
opgehelderd: Chance spreekt over “de ouwe man”, blijkbaar de
eigenaar van het huis, die voor hem zorgde, hem kleedde in z’n
eigen afdankertjes en hem eerst voorzag van radio’s, daarna van
televisies, om zich bezig te houden. Wie was die oude man precies
en wat was zijn relatie met Chance? Er loopt ook nog een
huishoudster rond, Louise, die enkel in het begin wordt opgevoerd
en vervolgens uit het verhaal verdwijnt, zonder dat ze enig licht
op de situatie kan werpen. Na de dood van “de ouwe man”, wordt
Chance voor het eerst in z’n leven geconfronteerd met de echte
wereld – wanneer hij op straat wordt lastiggevallen door een
jeugdbende, neemt hij z’n afstandsbediening (die hij uiteraard met
zich heeft meegenomen), en probeert hij het jonge tuig weg te
zappen. Hij is verbaasd dat het niet lukt.

Door een stom toeval komt Chance (en hoe kàn het met die naam ook
iets anders dan stom toeval zijn?) terecht bij een invloedrijke
bankier. Ben Rand (Melvyn Douglas), is een oude zakenman die de
president financiëel advies geeft maar nu langzaam ligt te sterven
aan anemie. Zijn echtgenote Eve (Shirley MacLaine), voelt zich hoe
langer hoe meer aangetrokken tot deze mysterieuze figuur, die zich
constant uitlaat in ongetwijfeld zeer diepzinnige metaforen rond
tuinen en bloemen.

‘Being There’ is dus eigenlijk het verhaal van de meest
wereldvreemde man die er ooit geleefd heeft – Chance heeft àlles
wat hij weet van de wereld geleerd van televisie, zijn gehele
referentiekader voor elke vorm van sociaal contact komt uit soaps,
praatprogramma’s en Sesamstraat. Hij heeft nauwelijks een notie van
wat de werkelijkheid te betekenen heeft, maar juist zijn
onwetendheid en zijn onvermogen om op een gepaste manier te
reageren op eender welke informatie, zorgen ervoor dat de mensen
hem gaan bekijken als een uitzonderlijk intelligent, diepzinnig
man. Wanneer de president op bezoek komt bij Rand en aan Chance
zijn mening vraagt over een economisch probleem, wauwelt Chance
iets over de seizoenen die elk hun functie hebben in het leven van
een tuin, en zowel de president (gespeeld door Jack Warden) als
Rand zelf bekijken hem met bewondering, omdat ze ervan overtuigd
zijn dat hij net een haarscherpe, zij het dan metaforische,
economische en politieke analyse heeft gegeven. Op die manier rolt
Chance de hele film door – hij is een volstrekt passief personage,
dat de hele film lang geen klap uitvoert (dat zou hij ook nooit
kùnnen), maar die alles gewoon over zich heen laat stormen, terwijl
hij z’n eigen onvermurwbare zelf blijft. Zijn onwetendheid en
naïviteit worden als wijsheid gezien, en tegen het einde van de
film, wanneer Rand eindelijk is overleden, wordt er onder de
politieke sjoemelaars die deze film mee bevolken, al gefluisterd
dat ze Chance naar voren willen schuiven als de volgende
president.

Regisseur Hal Ashby maakte van ‘Being There’ duidelijk een satire
op de cultus van mediabekendheid. Iemand kan de meest onnozele
dingen zeggen, maar zolang hij die dingen op tv zegt, krijgt het
automatisch een air van autoriteit. Je kunt op café even tussen pot
en pint alle problemen in de wereld oplossen en niemand zal echt
naar je luisteren. Maar doe het op televisie en iedereen neemt je
serieus. Wat is het verschil tussen beide? De manier waarop het
gebracht wordt. Hetzelfde gebeurt in deze film met alles wat Chance
zegt – de meest oppervlakkige man ter wereld krijgt een aura van
waardigheid omdat hij zich in het gezelschap bevindt van rijke
mensen als Rand, of omdat hij op een talkshow op tv
verschijnt.

Peter Sellers maakte hier zijn beste film, samen met ‘Dr.
Strangelove’ – mensen hebben zijn vertolking wel eens eentonig
genoemd, maar dat is dan ook precies hoe het moet zijn. Chance ként
maar één noot in zijn leven, hij weet niet hoe hij zich moet
gedragen buiten een aantal standaardformules die hij van tv heeft
geleerd. Let erop hoe hij ook continu dezelfde dingen antwoordt
wanneer mensen hem iets vragen – wil je iets drinken? Ja, dank u,
ik heb erg veel dorst. Wil je iets eten? Ja, dank u, ik heb erg
veel honger. Chance is niet in staat om zich aan te passen aan zijn
omgeving, hij blijft altijd volledig dezelfde persoon, onder alle
omstandigheden. Sellers weet juist dat gebrek aan emotionele diepte
perfect weer te geven.

‘Being There’ is een geduldige, zorgvuldig opgebouwde film over een
wereldje vol intelligente mensen – politici, bankiers, zakenmannen
– die zich allemaal in doeken laten doen door een autistische
tuinman, simpelweg omdat ze er niet met hun verstand bijkunnen dat
iemand ooit zo wereldvreemd zou kunnen zijn. De laatste scène, die
tot de mooiste in de filmgeschiedenis behoort, geeft zelfs een
religieuze dimensie aan het hele verhaal, voor wie daarnaar op zoek
wil gaan. Wat we hier in de eerste plaats zien, zijn echter een
acteur en regisseur op het toppunt van hun vermogens – zowel
Sellers als Ashby waren waanzinnig getalenteerde mensen, die zich
maar al te vaak hebben moeten lenen voor derderangsprojecten. Hier
deden ze allebei wat ze écht wilden doen, en het resultaat is een
prent die gerijpt is als een goeie fles wijn. Hoog tijd om die nog
eens te kraken.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

4 × een =