New Order :: Waiting for the Sirens’ Call

De eerste plaat die we ooit kochten als autonoom denkend en
handelend wezen (‘Vader Abraham in Smurfenland’, de soundtrack van
‘Grease’ en ‘Dynasty’ van Kiss tellen dus even niet mee) was de
fameuze maxi van ‘Blue Monday/The Beach’, de tweelingd(r)eun die in
1983 onze zomer kleurde, maar buren en familie twee maanden lang de
kast opjoeg. Dat de hoes van die plaat de band telkens een halve
pond armer maakte, wisten we toen natuurlijk niet, en dat New
Order, platenfirma Factory en danstempel The Hacienda tien jaar
later failliet zouden gaan, zal zeker niet aan ons gelegen hebben.
Na ‘Blue Monday’ hebben we immers – in de mate dat ons zakgeld dat
toeliet – zowat alles gekocht wat we van de Mancunians tegenkwamen.
Schitterende maxi’s, leuke (maar soms net iets te wisselvallige)
langspeelplaten en andere (vaak overbodige en veel te dure)
parafernalia.

Wie New Order niet kent, zal nu allicht zijn schouders ophalen bij
het nieuws dat de groep haar achtste langspeler in vijfentwintig
jaar op de markt bracht en deze zomer – hout vasthouden – voor het
eerst sinds 1985 weer op een Belgisch podium zal te zien zijn.
Alhoewel, in tijden dat muzikanten de hemel worden ingeschreven
omdat zij er in slagen te klinken als een perfecte kopie van Dylan,
Young en andere Springsteens, kan het misschien geen kwaad even
stil te staan bij een groep die wel inventieve dingen heeft gedaan.
Als Joy Division, met de betreurde Ian Curtis, waren ze eind jaren
’70/ begin jaren ’80 de ultieme cold wave band; als New Order
smokkelden ze steeds meer elektronische elementen in hun gedreven
songs en slaagden ze er als geen ander in twee totaal verschillende
werelden met elkaar te verzoenen en in elkaar te laten overvloeien.
Weinig bands kunnen zowel overtuigen met pure dance als met
onversneden gitaarrock, en dat zonder gezichtsverlies te lijden. De
eerste New Order-plaat – het naargeestige en bijwijlen nogal
geforceerde ‘Movement’ – kwam allicht iets te vroeg na het abrupte
einde van Joy Division. De erfenis van zanger en tekstschrijver
Curtis hing als een molensteen om de hals van de onzekere Bernard
Sumner, die was gebombardeerd tot nieuwe frontman omwille van het
onnozele feit dat hij op het podium minder om handen had dan
bassist Peter Hook en drummer Stephen Morris. Om Sumner toch een
beetje te ontzien en te ontlasten, werd Morris’ vriendin Gillian
Gilbert ingelijfd als gitariste-toetseniste. Een jaar later ging
The Hacienda open en die gebeurtenis werd opgeluisterd door
‘5.8.6.’, een eenentwintig minuten durende ‘compositie’ van Morris,
die wat had zitten klooien met een pas aangekochte synthesizer. Een
ingekorte versie van het nummer verscheen op de tweede plaat
‘Power, Corruption & Lies’, maar véél bekender werd uiteraard
de herwerkte versie die als titel ‘Blue Monday’ meekreeg. ‘P, C
& L’ liet een groep te horen die meer dan ooit tevoren gebruik
maakte van technologie en elektronica, en een soort cold wave
speelde die serieus flirtte met het smeltpunt. In de tweede helft
van de jaren ’80 combineerde de band op ‘Low Life’, ‘Brotherhood’
en ‘Technique’ gebalde gitaarpop met gesofisticeerde synthpop, en
verschenen ronduit schitterende maxi’s als ‘Thieves Like Us’,
‘Shellshock’, ‘Bizarre Love Triangle’, ‘State of the Nation’ en
‘True Faith’. Het feit dat we vandaag mogen juichen om een nieuwe
cd (en tournee) van New Order mag een wonder heten. Om de
financiële putten te dempen als gevolg van het verscheiden van The
Hacienda en Factory, zag de band zich eind ’92 genoodzaakt
gauw-gauw het niettemin geslaagde ‘Regret’ in elkaar te flansen. De
bijhorende toer was er te veel aan; na het laatste optreden op het
Reading Festival gingen de vier muzikanten-annex-zakenpartners
zonder één woord uiteen om elkaar – echtelieden Morris en Gilbert
niet te na gesproken – vijf jaar lang niet meer te zien of te
horen. De fans moesten het voortaan stellen met de nevenprojecten
van de bandleden. Hook maakte eerst met ‘Revenge’ en daarna met
‘Monaco’ enkele middelmatige platen; Morris en Gilbert maakten twee
erg vrolijke, zonnige platen die nog het meest aan New Order deden
denken. Het meest succesvol was Electronic, de groep van Sumner en
ex-Smiths-gitarist Johnny Marr, die drie platen maakte waaraan o.a.
The Pet Shop Boys en (ex-)leden van ABC, Art of Noise en Kraftwerk
meewerkten en zelfs enkele keren in het voorprogramma stond van
Depeche Mode.

Het was dan ook een wonder dat de groep in 1998 weer begon op te
treden (mét Joy Division-nummers op de setlist) en zelfs aan een
comebackplaat werkte. ‘Get Ready’ moest een plaat worden die anders
klonk dan alle voorgaande New Order-platen en dat deed ze dan ook,
soms een tikkeltje té. ‘Get Ready’ verscheen in 2001 en wordt
gemeenzaam de gitaarplaat van New Order genoemd; op heel wat tracks
werd inderdaad stevig wat afgerockt, maar dat impliceerde jammer
genoeg dat de uitgekiende synthesizerlijnen en dance beats (toch
twee van dé handelsmerken van de groep) nagenoeg naar de
achtergrond werden verdreven. Op ‘Waiting for the Sirens’ Call’, de
nieuwe plaat, krijgen de keys en synths weer dezelfde prominente
rol toegewezen als vroeger. Rock, pop en dance gaan weer perfect
samen in de elf nieuwe songs, maar waar op ‘Low Life’,
‘Brotherhood’ en ‘Technique’ gitaarmuziek en elektronische dance
tracks vaak strikt gescheiden werden, gaan de twee uiteenlopende
stijlen op deze plaat een perfecte symbiose aan. (Een gevolg
wellicht van Sumners samenwerking met Marr.)

De ingrediënten van de muziek zijn als vanouds het immer jeugdig
klinkende (en af en toe onvaste) stemgeluid van Sumner, die zelf
nog steeds even bedreven is in het martelen van zijn (slag)gitaar
tot de gensters er af vliegen; de hectische, melodieuze baslijnen
van Hook, waarmee moeiteloos een bevroren akker kan worden
omgeploegd en de live drums/elektronische beats van Morris. Nieuw
in de band is Phil Cunningham (ooit nog bij Suede-klonen Marion),
die zich perfect heeft ingewerkt als vervanger voor Gillian
Gilbert, maar zich toch vooral manifesteert als snarenplukkende
duivelstoejager.
Nooit eerder klonk New Order zo opgewekt en vrolijk als op ‘Waiting
for the Sirens’ Call’. Opener ‘Who’s Joe?’ heeft net iets te korte
broekspijpen om echt te overtuigen (zelfs niet na elfendertig
luisterbeurten), maar wordt meteen gevolgd door drie knoerten van
nummers: het stevige, gitaargerichte ‘Hey Now What You Doing’
(meteen een geslaagd ingangsexamen voor Cunningham), de titeltrack
(die ook perfect op ‘Low Life’ of ‘Brotherhood’ had gepast) en
single ‘Krafty’. ‘I Told You So’, nummer vijf, is dan weer iets
minder: een zwak reggeabeatje dobbert de woonkamer binnen, heel
even verwacht je de nieuwe zomerhit te horen van Bart Kaëll, maar
nee, het is wel degelijk erg laid back New Order. ‘Morning Night
and Day’ is dan weer wel een knaller van formaat: stevig tempo,
synthetische bas, snedige gitaren en een Sumner die zowel vocaal
als tekstueel enorm op dreef is. Gesneden brood voor lui met
heimwee naar Primal Scream.
‘Dracula’s Castle’ is lang niet zo angstaanjagend, gevaarlijk of
schrikwekkend als de titel laat vermoeden: niet wereldschokkend of
vernieuwend, gewoon leuke New Order zoals de band klonk anno 1985.
‘Jetstream’ (met Ana Matronic van Scissor Sisters) en ‘Guilt is a
Useless Emotion’ zijn de songs die het meest naar de dansvloer
mikken. De eerste song – catchy, meezingbaar refrein – geeft ons
een idee van hoe een samenwerking met Robbie Williams zou klinken,
de andere doet ons dan weer denken aan de perfecte danspop van de
eerste Electronic-plaat. (Wat Williams betreft: die heeft zich al
uitvoerig verontschuldigd voor het feit dat zijn ‘Angels’ net vóór
‘Love Will Tear Us Apart’ eindigde in de Brits 25 Best Song Award.)
In de laatste twee nummers worden de gitaren uitgelaten. Negen
tracks lang werden die nog stevig aan de leiband gehouden, maar in
‘Turn’ (uitstekende gitaarpop) en ‘Working Overtime’ (kan
wedijveren met INXS ten tijde van ‘Kick’) krijgen ze eindelijk de
speelruimte die hen in ruime mate werd gegund op voorganger ‘Get
Ready’.

We gaan niet onder stoelen of banken steken dat Joy Division/New
Order onze favoriete band aller tijden is. Toch voelen we ons niet
te beroerd om toe te geven dat de vier er eigenlijk nooit echt in
slaagden een perfecte plaat af te leveren, zonder mindere momenten.
Ook wat dat betreft is New Order dus weer helemaal terug. We hoeven
er dan ook niet bij te vertellen dat wij ten zeerste verguld zijn
met deze ‘Waiting for the Sirens’ Call’. Als u een tijd lang niets
meer van ons verneemt, dan weet u meteen hoe dat komt…

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

zestien − twee =