In America




Iers filmmaker Jim Sheridan werd bekend via films die, op een al
dan niet controversiële manier, een belangrijk onderwerp aanpakten.
Het conflict tussen de Ieren en de Britten stond centraal in zijn
twee beste werken, ‘In The Name Of The Father’ en ‘The Boxer’,
films waarmee Sheridan zich profileerde als een gedreven, politiek
geëngageerde verhalenverteller die wist hoe hij met acteurs moest
werken. Voor ‘In America’ keert de regisseur zich voor de eerste
keer naar zijn persoonlijke ervaringen. Het verhaal speelt zich af
op een kleiner canvas, de emoties zijn intimistischer, het
onderwerp minder politiek gebonden. En hoewel je voelt dat dit een
liefdeswerk was, waar niets dan de allerbeste bedoelingen bij
betrokken waren, kan niets verhullen dat Sheridan samen met de
gedurfde statements en de gechargeerde onderwerpen van zijn vorige
projecten, ook zijn vermogen om te boeien en te overtuigen is
kwijtgespeeld.

We volgen een Ierse familie die in de nasleep van een
verschrikkelijk familiedrama, illegaal naar New York verhuist, en
er verwoede pogingen onderneemt om te overleven. Vader Johnny is
een acteur die maar geen rol kan krijgen en tenslotte met een taxi
gaat rijden, moeder Sarah vindt een job als serveerster. En dan
zijn er hun twee dochtertjes, de tienjarige Christy en de pakweg
zes- à zevenjarige Ariel, gespeeld door twee echte zusjes, Sarah en
Emma Bolger. Allemaal proberen ze de dood te boven te komen van een
derde kind, het jongetje Frankie, die in Ierland overleed als
gevolg van een hersentumor.

De nieuwe wereld is aanvankelijk niet erg goed voor hen – de
familie heeft financiële problemen, ze wonen in een luizige buurt
waar de plaatselijke bevolking hoofdzakelijk bestaat uit
druggebruikers en/of travestieten, en op de koop toe is er niet
eens een airconditioning aanwezig. Maar geen zorgen, want ‘In
America’ dient zich vanaf het begin aan als een – en laat mij eerst
even die vieze smaak uit m’n mond spoelen voor ik het uitspreek –
inspirerende film over een gezin dat één voor één alle
obstakels overwint.

Een groot deel van dit scenario schijnt nochtans echt gebeurd te
zijn: in het begin van de jaren negentig verhuisde de familie
Sheridan werkelijk naar Amerika, en de relatie tussen Jim en zijn
twee dochters, die meeschreven aan het script, lag aan de basis van
het verhaal. De regisseur had dan wel geen zoontje dat vroegtijdig
stierf, maar wel een broertje, dat echt Frankie heette, en waaraan
de film is opgedragen. Gezien de persoonlijke emoties waaruit ‘In
America’ afkomstig is, zou je dus denken dat deze tragikomedie op
z’n minst een zekere oprechtheid, een geloofwaardigheid zou
uitstralen, het kenmerk van iemand die dit zelf heeft meegemaakt.
Maar niks daarvan – waargebeurd of niet, ‘In America’ is een
aaneenrijging van clichés en stroperige momenten zoals u ze in elk
televisiedrama kunt vinden. Waarom deze film zonodig bekroond moest
worden als beste film op het festival van Gent, is mij een
raadsel.

Nu was ‘In America’ voor mij persoonlijk al verdacht zodra in de
eerste scène de dochters te zien waren: vanaf het begin krijgen we
twee onmogelijk schattige, slimme, genietbare kinderen, zoals die
enkel in de filmwereld bestaan. Een verhaal over gewone mensen,
oké, maar het is nergens voor nodig om te overdrijven en de
personages er ook uit te laten zien als gewone mensen – zeker niet
als je twee fotomodelletjes van kinderen klaar hebt staan om de
rollen te spelen. Het ergste daarvan is nog wel dat negentig
procent van alle humor in de film (en Sheridan wil hier duidelijk
wanhopig een goedlachse prent in elkaar steken, God beware ons),
afkomstig is van de zogenaamd “spontane” reacties van Ariel op haar
omgeving. We zien die ogen enorm groot worden, en we weten dat het
kleine gebroed weer iets onmogelijk flitsends zal zeggen.

Andere clichés: de onderbuurman (Djimon Hounsou, van ‘Gladiator’ en ‘Tomb Raider 2’), die een getormenteerde, ja
zelfs zieltogend de pijp uitgaande kunstenaar blijkt te zijn; een
slow motion-moment waarop vader met een beslissende gooi met een
tennisballetje het financiële lot van z’n gezin beslist, en
natuurlijk de tranerige monologen van zowel vader als moeder.

Het is niet dat Sheridan het niet allemaal bekwaam in beeld zet,
natuurlijk doet hij dat wel – maar met dit scenario had wellicht
geen enkele filmmaker er ooit echt iets uitzonderlijks van kunnen
maken. We hebben dit verhaal al zoveel keer eerder gehoord, alleen
krijgen we er nu een aantal lachwekkende dialogen bij (de beste
komt van Hounsou: “Ik ben verliefd op alles dat leeft!”), en een
paar gapende plotgaten die nooit verklaard worden. Hoe kan iemand
uit een illegaal gezin immers ooit z’n kinderen naar school sturen,
een job vinden als acteur of zich inschrijven in een ziekenhuis? Ze
hebben helemaal geen identificatie. Misschien dat het wel mogelijk
is, ik weet niet precies hoe die dingen daar werken – maar Sheridan
neemt nergens de tijd om die plotlijn over hun illegale
aanwezigheid verder uit te werken, en dat is sowieso een
belangrijke nalatigheid.

‘In America’ is een passende titel – Sheridan heeft immers alle
slechte gewoontes van zijn Amerikaanse collega’s overgenomen voor
deze film, tot de soundtrack vol stroperige liedjes toe. Ja, er
wordt goed geacteerd, maar na een uur begin je op je horloge te
kijken en ga je jezelf afvragen wat je hier eigenlijk zit te doen.
Je ként het immers allemaal al zo goed. Wat ze daar in Gent geslikt
hadden om hier zo euforisch over te kunnen doen, weet ik niet, maar
laat u vooral niet misleiden: cinema van dit niveau kunt u elke
zaterdagavond op TV1 ook zien.

http://www2.foxsearchlight.com/inamerica/

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

twee × 5 =