Na drie eerdere edities voelt het bijna aan als thuiskomen. Peel Slowly And See, nog altijd georganiseerd in het voor Vlamingen wat onvertrouwde Leiden, is uitgegroeid tot een vaste waarde in het festivallandschap. Divers en spannend genoeg om zich te meten met de vertrouwde grootstadsevenementen, maar tegelijk ook lekker kleinschalig, zodat het gezellig blijft. We pikten de eerste dag mee – de opwarmdag zeg maar – en die was alweer de moeite.
Dat Leiden bevolkt wordt door meer dan 30.000 studenten draagt natuurlijk bij aan de energie die ondanks de gezapig luierende, terrassende en shoppende slenteraars voelbaar blijft. En de stad beschikt nog altijd over minstens twee fijne platenwinkels. Wanneer we er passeren, wordt Velvet Music net overspoeld door een leger extatische tieners die even gedisciplineerd als luidruchtig aanschuiven voor een langverwachte K-pop-release. Op naar Plato dan maar, dat opnieuw een goudmijn blijkt te zijn voor ontdekkers en completisten. Een mens kan immers niet te veel John Lee Hooker en John Coltrane in huis hebben, om nog maar te zwijgen van Leo Cuypers’ machtige Songbook, die er zomaar voor het grijpen ligt.
Maar goed, het festival dus. Met een uitgekiende programmatie (als vanouds 25% vertrouwde namen en 75% potentiële ontdekkingen) weet het team steeds opnieuw te verrassen. Dat gebeurt regelmatig ook door hoofdacts vroeger dan gangbaar te laten opdraven, wat ervoor zorgt dat het publiek ook al van de partij is wanneer de nieuwe/kleine namen spelen, en dat zijn toch degenen waar het op een ontdekkingsfestival vaak om te doen is. Het was ook een gouden zet om het festival te openen met Zea & Drumband Hallelujah Makkum. Dat gebeurde niet in Qbus, maar buiten, in de Middelstegracht, waar de Friese Drumband (opgericht aan het einde van de 19de eeuw!) zijn opwachting maakt met strak geroffel en twinkelende lyra’s. Het heeft meteen iets van een trip met de teletijdmachine – terug naar een periode toen mensen uit hun huizen gelokt werden door de oorverdovende trommels en de bonkende basdrum, met een logge puls als collectief marcherende hartslag.

Een beetje als de Rattenvanger van Hamelen stappen Drumband en publiek iets verderop de kleine concertzaal in, waar Zea wacht op het podium en meteen van start gaat. En Zea, dat is dezer dagen niet alleen Arnold De Boer, maar een kwartet met cellist Harald Austbø, klarinettist Xavier Charles en drummer Ineke Duivenvoorde. Stuk voor stuk oude bekenden van De Boer, die met hen en de Drumband, waar zijn muzikale pad enkele decennia geleden begon, het prachtige In Lichem Fol Beloften uitbracht. Dat het een van de sterkste hopen songs is die De Boer de laatste jaren bij elkaar pende, wil wat zeggen. Troubadourfolk en poëzie worden samengesmolten in even minimale als memorabele en melodieuze nummers die het spel van taal en beeld mooi in evenwicht houden. De titeltrack van het album wordt meteen geruggensteund door de Drumband, die bij plaatsgebrek voor het podium plaatsneemt.
Op die locatie, in die sfeervolle zaal met die zware, roodfluwelen gordijnen, waar we vorig jaar nog in de ban geraakten van Nadine Khouri, komt de muziek van de twintigkoppige bende helemaal tot leven. Samen banen ze zich een weg door het album, dat integraal en chronologisch gespeeld wordt. Hoogtepunten? Zowat alles eigenlijk, van het uitgeklede, sensueel heupwiegende “De tút yn de betonnen wolken” en het met abstracte geluiden geboetseerde “De fûgel” (met imponerende klankbeheersing van Charles en Austbø, beiden beslagen binnen de (vrije) improvisatie), tot het innemende slaaplied “Suze nane poppe”. Ergens daartussen wordt er gepiekt met “Pine en tiid – I & II”, waarin Falco, het jongste lid van de band, de show steelt door zich de ziel uit het lijf te zingen. Ook nog: “Komt ien oan”, gebaseerd op een gedicht van Nelly Sachs, met een heen-en-weer wiegende band; “Makkum”, dat zowat de complete stratenlijst van het gelijknamige dorp bevat; of “Wer in dei renein”, verwant aan Misha Mengelbergs “Weer is een dag voorbij”, dat gewapend is met een melodie die we dagen later nog altijd zitten te neuriën en Austbø die de cello aangrijpend laat janken met een verschroeiende intensiteit.

Het is die song die het misschien allemaal nog eens samenvat: de poëzie én de emotie, de melodie én het ritme, de taal én de muziek. Voor de ene een revelatie, voor de ander een stapsgewijze overlevering of de kroniek van een aangekondigde triomf, want dat is wat het was: een prachtige opener van een lokale artiest die op een productieve en creatieve piek zit en zich omringd weet door de juiste mensen. Er valt niet aan je wortels te ontkomen, maar geen mens die daarover klaagt als het zo’n concert oplevert. Hiermee imponeer je op elk festival.
De hele kloterij van zo’n knoert van een opener is natuurlijk wel dat wat volgt haast alleen maar kan teleurstellen. En dat doet het ook even. Het concert van White Magic For Lovers komt in de Herengrachtkerk een paar straten verderop niet echt van de grond. Het trio bedient zich van een uitgebreid instrumentarium – gitaar, bas, viool, fluit, sax – en gooit er nog een hele hoop samples bovenop, maar de tussen pop en filmmuziek twijfelende nummers morren met een warrige grandeur en missen de samenhang van Zea & co. De vogelgeluiden komen nu van een tape, en dat is wat flauw na de fantasie die we net ervoor hoorden.
In een van de zaaltjes van Vrijplaats Leiden, het kloppende hart van deze festivaldag, is het duo Able Noise ook geen revelatie, met wat gefrunnik met een micro die als drumstok gebruikt wordt, en zachtaardig ontregeld gitaarspel. Het klinkt wel even origineel, als een experimentele band uit Chicago die speelt met veel ademruimte en vloeiende ritmes, maar we blijven nog te veel op die Zea-trip hangen.
Dan maar naar de buitentuin van Stichting ROEM, waar Bibikov & Augapfel hun opwachting maken. Geen jolige Duitsers, maar Ferry Heijne en Lux Ex, twee sleutelfiguren van de avontuurlijke muziek in Nederland, die hun korte set (en later op de avond nog eentje) aangrijpen om te laten voelen dat je met interactie zoveel kanten uit kan. Heijne speelt trompet en gitaar, en zingt, vertelt en debiteert theatraal met een elastische mimiek. Ex is zoals vanouds in de weer met die soepel slingerende, akoestische bas en verzorgt de licht industriële samples. Wat je te horen krijgt, zit ergens tussen toneel, punk, folk en comedy, met een flinke portie absurdisme, het bezingen van de mooiheid van het leven en herinneringen uit de couveuse. Het heeft iets van semi-geïmproviseerde levensliederen die alsmaar beter worden.

Het Jimmy Rosenberg Trio is een band die je misschien niet verwacht op een festival als Peel Slowly And See, en dat is misschien net waarom ze helemaal op hun plaats staan in de volgelopen Herengrachtkerk. Het gaat trouwens om een kwartet met een contrabassist en twee extra gitaristen. Allemaal familie, zoals dat gaat bij dergelijke muziek. Hier heerst natuurlijk de geest van de Belg Django Reinhardt, ook al lijkt die wat moeilijk te verenigen met de psychedelische visuals die tijdens het concert geprojecteerd worden. Het kwartet geeft alleszins aardig van jetje, rammelt er driftig op los met die 22 snaren. We horen “Minor Swing’, “All Of Me”, “Night & Day” en meer, soms met regelrecht stuntwerk op die gitaren, van Rosenberg natuurlijk, maar ook een van zijn kompanen, terwijl de derde de slaggitaar aanhoudt met een indrukwekkende strakheid. Het had 1945 kunnen zijn, of 1971 of 1995, maar dat maakt niet uit, deze muziek is eigenlijk helemaal tijdloos en wordt in tijden van soms vergezocht experimenteren een verademing. Of toch voor een tijdje, want na verloop treedt een béétje de eenvormigheid in.
We lopen er zowaar een stel Vlamingen tegen het lijf. Isa Desmet & Uther Smis (intussen ru·is) spelen in het kleinste zaaltje van de Vrijplaats, goed voor een paar dozijn toeschouwers, een set die bij aanvang herinnert aan wat funeral folk-experimenten die een jaar of 20 geleden te horen vielen in onze contreien, met een fascinatie voor de oeroude folktraditie, ballades, poëzie en traditionele instrumenten. Met harmonium, viool en zang (en later gitaar) nemen ze je mee op een monochrome, semi-droney pastorale trip, waarin een verdachte conservatieve reflex de nek om gewrongen wordt door subtiele elektronische effecten en bewerkingen. Eerder meditatief en voorzichtig prevelend dan schurend of onheilspellend, maar wel met genoeg potentieel om nog mooie dingen te laten horen. Om in de gaten te houden.

Dan snel-snel terug naar Qbus, om nog een stuk mee te pikken van Space Siren, dat er blijkbaar z’n allerlaatste concert speelt. De eerste en laatste keer dat we de groep zagen, was tijdens een The Ex Festival in Paradiso in 2014. Toen nog met wijlen gitarist Corno Zwetsloot, de man die achter de knoppen zat bij heel wat artiesten, zoals Zea. De sound van de band, met zangeres/gitariste Gwendolien Douglas als speerpunt, en Ineke Duivenvoorde opnieuw achter de vellen, blijkt nog intact. Hier regeert een geluid dat resoluut verwijst naar de jaren negentig. Je moet misschien denken aan My Bloody Valentine, Lush, Built To Spill of The Breeders en Blonde Redhead, maar het kwintet met drie gitaren geeft er toch een eigen draai aan die laveert tussen hypnotiserende jams en iele gitaarerupties, drijvend op de eenvoudige, maar hyper-efficiënte grooves van Duivenvoorde.
Er zit een bijzondere, haast ritualistische aantrekkingskracht in deze muziek, die half psychedelische shoegaze, half ontregelde pop is, maar dan op hoog volume en met momenten van snijdende dissonantie. En toch is dat het enige dat we hier nog aan zouden willen veranderen. Douglas’ stem zat helemaal begraven in de muziek, zoals het hoort, maar alles mocht gewoon nog een pak luider, zodat er geen andere optie op zat dan compleet verzuipen in een kolkende, oorverdovende geluidsorkaan. Bedankt Space Siren, het ga jullie goed.
Afsluiten gebeurt terug in de Vrijplaats met het Rotterdamse fenomeen Bombstrap. “ACCEPT SUFFERING HUMBLY” bloklettert het witte gestichtkleed van de zangeres, en haar hysterische performance is er een die geen mens licht zal vergeten – tierend en krijsend en grommend en grollend over dat podium, zwierend met die wafelijzerkrullen, intussen geruggensteund door drie kerels in militaire outfits en zwarte balaclava’s. Het is een combinatie van furieuze hardcore, lompe mid-tempo riffs en hier en daar wat passages die je al 1001 keer hoorde – zelf noemen ze het terror punk – maar het zit allemaal retestrak én vuil, en voor de mannen staat een ongeleid projectiel dat doorheen de compacte set werkelijk niets inboet aan intensiteit. Dat op zich is al een prestatie. Bombstrap versus de rest die we zagen, dat is iets met een tang en een varken, maar ook dat is Peel Slowly And See. Mooi dat het woeste, lelijke kabaal ook nog een plaats krijgt, want het werkt perfect als afsluiter voor die eerste festivaldag.

Samengevat: een pracht van een opener die we niet licht zullen vergeten, gevolgd door een reeks concerten die zelfs met hun onvolmaaktheden toch de eigenzinnige, avontuurlijke spirit van het festival demonstreren. Peel Slowly And See blijft een verademing, een festival dat bovenal liefde voor muziek in vele vormen uitwasemt. De volgende editie vindt plaats op 5 en 6 maart 2027, en staat hier alvast aangekruist in het vet.



