Martha Verschaffel :: Passages

Keuzes maken behoort tot het leven, veel ervan doen we onbewust. Filosofen en neurologen schrijven dikke, doorwrochte turven over de (on)mogelijkheid en de gevolgen ervan terwijl lifestyle goeroes en vlot pennende auteurs er geld weten uit te slaan met allerlei zelfhulpboeken. Voor de Gentse illustratrice Martha Verschaffel vormt het de aanzet voor een heel individuele reflectie die vier verhalen met elkaar verweeft, of net niet. Want die keuze wordt net als de betekenis van de verhalen aan de lezer van Passages overgelaten.

In 2015 debuteerde Verschaffel officieel met Lily, waarbij ze een geregeld verontrustend maar ook dromerig verhaal opbouwde rond het titelpersonage en een onbekende dreiging die met behulp van kamerplanten bezworen werd, of althans volgens de twee oudere dames die Lily onder hun hoede hadden. Hoewel Verschaffel in haar verhaal verschillende elementen uit het surrealisme en/of symbolisme verwerkte en elke interpretatie aan de lezer overliet, kon de aandachtige onder hen aan de hand van soms subtiele hints achterhalen waar Lily naar verwees. Hoewel het verhaal tot de verbeelding sprak, lag de sterkte van het werk vooral in de stilistische keuzes die Verschaffel maakte waarbij de kinderlijk aanvoelende stijl van tekenen, met overwegend grafietkleuren, een spel van schaduw en licht, en de invloed van (stille) films aan Lily een extra dimensie gaven.

In Passages is eenzelfde mix van invloeden en stijlen te vinden maar tezelfdertijd vindt Verschaffel zichzelf opnieuw uit waardoor het werk meer dan een logische volgende stap in haar ontwikkeling en oeuvre is. Het belangrijkste en meest opvallende verschil is dat de vage maar nog enigszins logische verhaallijn uit Lily zo goed al volledig gewist is. Ditmaal worden niet minder dan vier verhalen voorgeschoteld die net zo goed met elkaar in verbinding staan als volledig los van elkaar gelezen kunnen worden. Doordat de verhalen door elkaar heen lopen, zal een argeloze lezer ze bij aanvang als een geheel en continue lijn met perspectiefwisseling kunnen beschouwen. Zelfs al zet Verschaffel die interpretatie op de helling door telkens voor een andere invulling te kiezen.

Waar het eerste verhaal gekenmerkt wordt door een sober en minimalistisch tekenwerk, krijgt het tweede net een veel rijker, zij het nog steeds grijs, kleurenpalet en nuancering. De derde kenmerkt zich door een ander minimalisme waarbij de auteur de geest van de eerste videogames oproept en de gifgroene kleur van dergelijke computerspelletjes haast tastbaar wordt. Dat het (althans ten dele) samenhangt met het vierde verhaal maakt ze ditmaal zelf duidelijk door het hierin te incorporeren (een van de personages speelt het spel). Opvallend in deze laatste verhaallijn is de keuze voor een kubistisch kader waardoor de lezer het gevoel krijgt dit laatste als door een vervormde spiegel of lens te bekijken. De al vermelde filmische aanpak en stijl van Verschaffel wordt hierdoor nog duidelijker waarbij onder meer in het `tweede verhaal`, dat visueel het meest rijke en uitgewerkte is, het aanlokkelijk is om hier qua beeldtaal invloeden van onder andere Ingmar Bergman en Carl Theodor Dreyer in te zien.

Het middeleeuws mysticisme uit dit luik sluit, ietwat vreemd genoeg misschien, wonderwel aan bij de minimale aanpak van het eerste verhaal dat zich net in zijn beperktheid even bevreemdend en mysterieus toont. Waar het ene de focus legt op twee jonge vrouwen die eindeloos lijken te wachten in een woud van bomen en takken, staat in het tweede een jonge vrouw centraal die doorheen een berglandschap trekt, op weg naar een afspraak die niet nader toegelicht wordt. Dat in het vierde verhaal een vrouw wacht op bezoek en daarbij telkens weer een aantal handelingen verricht in een poging haar ongeduld en groeiende onzekerheid te bedwingen, sluit niet alleen bij de eerste twee verhalen aan maar ook het derde. Het spel dat gespeeld wordt, is immers niet meer dan een voortdurend voortbewegen tegen een nauwelijks wijzigende achtergrond.

Wachten en herhaling zonder een einddoel te bereiken lijkt wel de essentie van Passages te zijn, doortochten die nergens naar leiden behalve misschien een routineuze verveling of de angst nooit een einddoel te bereiken. Een oerwoud van takken, het continue koffie zetten, spelletjes die vast lopen of een `level` herstarten,… het is alsof Verschaffels personages vastzitten in een steeds terugkerende herhaling, een loop die niet doorbroken kan worden tenzij men bepaalde of andere keuzes maakt. Wie niet wars is van enig symbolisme kan overigens in de mier, het insect dat in de vier verhalen voorkomt, een betekenis lezen als staat het voor een vaste structuur en afbakening die de vrijheid belemmert. Of het is gewoon zomaar iets dat verschillende keren voorkomt, net als bijvoorbeeld het laken of deken dat net zo goed een kentering kan inluiden als een beperking.

De betekenis van Passages als geheel en de manier waarop de verhaallijnen zich tot elkaar verhouden, wordt overgelaten aan de lezer. Verschaffel biedt interpretaties en mogelijkheden aan maar net als in een droomwereld, een van haar belangrijkste inspiratiebronnen, is elke logica bij voorbaat verdacht of te reductionistisch. Het werk vraagt zoals de beste surreële verhalen, dromen en fantasieën geen verklaren maar een belangeloos ontvangen. Het is als een doortocht die geen harde feiten achterlaat maar wel een gevoel en ervaring waarvan de essentie resoneert lang nadat de concrete interpretaties vervlogen zijn en ingeruild voor een onbestemde maar betekenisvolle herinneringsecho.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

acht − 3 =