Mauro Pawlowski :: ”Fucking hell dat klinkt goed. We kunnen gaan zuipen!”

Dan toch nog eens pop. Na twintig jaar vol avant-garde, experiment, en gitaarspelen bij dEUS omarmt Mauro Pawlowski eindelijk opnieuw zijn innerlijke songsmid. Eternal Sunday Drive klinkt precies zoals zijn titel: lichtjes zomers, opgewekt en toegankelijk. “Er zijn ergere jobs.”

“Het moest er vroeg of laat toch eens van komen”, grijnst Mauro. “Ik zat thuis met een kruiwagen demo-mp3’s, sommige ettelijke jaren oud, die ik nog in andere versies met The Grooms heb gespeeld, en daar schreef ik dan gericht nog wat bij, op vraag van mijn entourage die al eens suggereerde dat dit of dat soort nummer er nog bij zou passen. Ik werk graag op bestelling, zeker als het voor mezelf is. Vervolgens heb ik wat goed volk bij elkaar gefloten, en de hele zwik opgenomen. En hier zitten we.”

enola: Ik hoor wel echo’s van Songs From A Bad Hat, je solodebuut uit 2001.

Pawlowski: “Het heeft net als toen een glamrockkantje, ja. Ik had nog veel meer van dat soort nummers zitten, maar de muzikanten wilden daar niet te hard op doorgaan. Het had echt Songs From A Bad Hat, pt. 2 kunnen worden, maar het is goed, denk ik, dat ik aangemoedigd ben om me op iets anders klinkende nummers te focussen. Ik was nochtans echt gemotiveerd om voort te bouwen op Songs From A Bad Hat, want ik wist dat mensen op dat vervolg wachtten. En dus ben ik die plaat op een bepaald moment beginnen beloven, mezelf in de problemen brengen: een platencontract tekenen, zodat ik niet meer terug kon, en ik het wel móest doen. Er zijn ergere jobs”. (gniffelt)

enola: Het is een gevarieerde plaat, met zelfs wat disco-achtige uitstapjes, maar de rode draad blijft wel dat het pop is.

Pawlowski: “Complexloos gáán. Ik vind immers dat er momenteel heel goeie pop wordt gemaakt. Ik heb een dochter van negen, dus als we in de auto zitten, is zij de baas en staat Top Radio of MNM op. Dan zit ik voortdurend te Shazammen. Dus ja: de kern moest popmuziek zijn, en dat wilde ik dan invullen met mensen die ouder zijn dan ik en hun visie op dat begrip gaven, én met mensen die jonger zijn. Mijn ritmesectie is rond de zestig, mijn gitarist en toetsenist in de dertig. Jasper Maekelberg, bijvoorbeeld, die ook geproducet heeft.”

enola: Waarom koos je voor Jasper als producer?

Pawlowski: “Elke keer dat ik een Belgische plaat hoorde, of het nu Bazart of Balthazar was, en die goed vond klinken, bleek hij er achter te zitten. Die moest ik dus hebben. Het klikte goed, al moest hij even zoeken hoe hij mij moest aanpakken. Ik ben niet de moeilijkste artiest, maar ook niet altijd gemakkelijk. Ik laat me niet opjagen door prestatiedrang: het mag al eens mislukken, zelfs al zijn we met studiobudget bezig. Met dat soort type had hij nog niet gewerkt. (lachje) Maar eenmaal we daar voorbij waren, was het zalig. Dan namen we iets op, beluisterden dat: ‘Fucking hell, dat klinkt goed. We kunnen gaan zuipen!'” (schatert)

“Verder was er geen overtuiging, of een soort van statement dat ik wou maken. Enkel een voornemen: het moesten liefdesliedjes worden, geen maatschappijkritiek of protest.”

enola: Ligt dat voor de hand voor Mauro Pawlowski, over de liefde schrijven als de groten?

Pawlowski: “Niet per se. Ik luister ook niet naar die grote songwriters als Cohen, Dylan, Nick Cave … Ik kan daar niet naar luisteren, doe mij maar Smokey Robinson, Prince, Jonathan Richman … niet te serieus allemaal. Randy Newman kan er dus wel bij. Maar die grote namen? Zelfs al weet ik dat dat grote artiesten zijn, en bewonder ik ze, ik vind ze misschien te pompeus, of te mannelijk. Ik kan er de vinger niet goed op leggen, maar er is iets aan hen dat me afstoot. Het raakt me niet.”

enola: Het valt me ook op hoe graag je jezelf eerder omschrijft als instrumentalist, minder als songschrijver.

Pawlowski: “Zo ben ik ook begonnen, als muzikant. Ik wilde Eddie Van Halen zijn. Ik ben beginnen zingen omdat ik geen zanger vond. Er was geen ijdeltuit in mijn dorp bereid. En ik doe het nog altijd niet graag. En ja, ik had songleverancier voor anderen kunnen worden, maar daarvoor treed ik te graag op.”

enola: Ik voel veel spreidstand in je. Instrumentalist, maar toch zanger. Songsmid, maar tegen wil en dank.

Pawlowski: “Dat is ook gewoon zo. Als je echt wil zingen, dan moet je je uitsloven, dat ‘hou van mij’ hebben. En dat mis ik nipt. Héél nipt. Dus echt de geboren zanger ben ik niet.”

enola: Of zoals Tim Vanhamel het ooit samenvatte: “Mauro kan niet om met succes, maar hij heeft het eigenlijk wel nodig.”

Pawlowski: “Ja, voor de praktische kant heb ik het nodig. Als je geen succes hebt, heb je geen middelen, en dan had ik deze plaat niet kunnen maken, met topmuzikanten en een topproducer. Het is de westerse realiteit dat mensen, een platenfirma, in me moeten willen investeren. Ik heb daar geen complexen over: dit is de deal. Pragmatisme, ja.”

enola: Is dat ook waarom je bijvoorbeeld meewerkt aan iets als Smartschade, het volksmuziekproject van Jan De Smet? De winkel moet draaien?

Pawlowski: “Neen! Dat wilde ik echt doen, want die ondergrond van volksmuziek fascineert me enorm, en raakt me ook. En spelen met Jan De Smet, een levend museum, doe ik met hart en ziel.”

enola: Je werpt je de laatste jaren wel vaker op als verdediger van de smartlap en het schlagerlied.

Pawlowski: “Ja. En ik ga dat blijven doen. Ik heb dat nodig. Want wat je in die volksmuziek vindt, dat kun je niet artificieel brengen; dat is een erg authentieke energie die alleen van het echte volk kan komen. Het is voor mij belangrijk dat dat in alles wat ik doe óók zit, zelfs al sta ik freejazz te spelen.”

“Daarom lukte dat project met Willy Sommers op Pukkelpop van enkele jaren terug ook zo goed. Omdat ik daar stond met het idee dat dit de essentie van muziek was, en het niet als een novelty bracht. En daarom voelde ook het publiek dat. Ik had geen enkele schrik dat het zou mislopen, dat kón niet, die energie zou wel komen. En dat wil ik doen, dat is de kern van mijn artiest-zijn; die volkse energie channelen.”

enola: Ik twijfelde geen moment aan de intenties van jou en mede-initiatiefnemer Daan, maar als journalist heb ik me toen oprecht zitten afvragen hoe ver het af stond van het aloude smartlappenfestival, waar dronken Leuvense studenten destijds kwamen lachen met Vlaamse artiesten.

Pawlowski: “Goeie vraag. Ik ben zeker dat velen in het publiek daar ironisch naar hebben staan kijken. Dat is hun volste recht. Ik snap ook dat ze hun bedenkingen hadden bij zo’n optreden met een brassband uit de Kempen en Willy Sommers, ik wist wel dat die houding er zou zijn. Maar ik was ook overtuigd dat als dat over zou zijn, ze ook zouden zien hoe goed en fijn het was, dat ze daar wel iets bij voelden. Maar iedereen is vrij om daar wat smalend naar te staan kijken. Dat we daar Soft Cells “Sex Dwarf” achter aan gooiden, een geperverteerd gay synthpopnummer, had maar één doel: aantonen dat dat allemaal hetzelfde was als “Laat de zon in je hart”, waarachtige kunst.” (schatert)

enola: De perstekst bij de plaat gewaagt van “honderd of meer” platen waar je al de hand in hebt gehad. Ik wist dat je veel gedaan had, maar zoveel?

Pawlowski: “Ik ook niet. Nu ja, ik gok dat daar ook obscure cdr’s bij zitten die ik ooit heb opgenomen en vergeten ben. De mensen van mauroworld.com houden dat allemaal wel bij, maar zelf heb ik het overzicht niet meer. En dat vind ik ook niet erg.”

enola: “Opvallend onduidelijk” is altijd al je carrièremotto geweest, niet?

Pawlowski: “Zeker. Ik ben daarin niets veranderd sinds ik dat over het werk van Evil Superstars zei. Soms hoor ik al eens demo’s terug in een iTuneslijst of zo, en dan stel ik vast dat het toch niet slecht was. Dan ben ik even waanzinnig enthousiast, voor ik alweer begin bij te sturen: ‘ik moet het eigenlijk toch opnieuw inspelen, maar er zit toch iets in’; op die manier.”

“Ik heb ook een externe harde schijf vol met schetsen en ideeën. Ooit was er het plan met Peter Houben om een nieuwe Mitsoobishy Jacsonplaat te maken, dus dan schreef ik alvast tien nummers, die we wegens omstandigheden dan toch niet afwerkten. Maar ze zijn er wel, en ik kan er nog altijd een plaat van maken.”

enola: Na de vault van Prince, is er ook de Maurogrot met nooit uitgebrachte platen?

Pawlowski: “Ze zijn minder afgewerkt dan bij hem. Gelukkig, of helaas, had ik niet de infrastructuur die Prince wel tot zijn beschikking had. Maar, ja, er zijn veel demo’s. Materiaal genoeg voor nog drie soloplaten die de afgelopen twintig jaar hadden kunnen verschijnen, bijvoorbeeld. Na deze plaat wil ik me daar misschien wel eens mee bezig houden, om in één keer een boxset uit te brengen, al zal dat niet per se fysiek zijn.”

enola: Je hebt wel altijd een werkethos gehad; het is geen kwestie van de heilige inspiratie. “All you gotta do is work”, zoals Lou Reed ooit zong.

Pawlowski: “Dat is zo. Je moet je verhaal hebben, maar als dat in je zit, dan is het gewoon vakmanschap om het er uit te halen. Eigenlijk weet ik niet wat anderen met hun tijd doen. Het is niet alsof ik geen belang hecht aan quality time, of geen vrije tijd neem, maar hoe moeilijk kan het zijn? En weten wat je wil vertellen is niet moeilijk. Als je vertrekt vanuit jezelf, dan raak je aan universele dingen, die de mensen bereiken. Die emotionele band met de luisteraar; dat is het gewoon, het enige wat telt. Ik maak dit niet voor mezelf – ook wel, natuurlijk – maar voor hen. Ik vind het belangrijk dat de mensen iets voelen door wat ik doe, dat hun leven verrijkt wordt door artistiek werk. Ik denk dat dat in een paar zinnen mijn jobomschrijving is.”

enola: Ben je uit dEUS gestapt om deze plaat te kunnen maken?

Pawlowski: “Neen. Gewoon om een ander leven te hebben, eigenlijk. Ik wilde me wat terugtrekken uit dat echte tourende leven. Ik heb kinderen, ik wil thuis zijn voor hen. Dat was vooral de reden. Maar ja, ik heb hen nu wel even moeten depanneren. Tom belde me, ik zei ‘wanneer moet ik er zijn? Ik kom er aan.’ Dat was vanzelfsprekend, al vroeg het wat opfrissen. Het was uiteindelijk alweer zes jaar geleden dat ik bij dEUS zat. Nu, het is niet de bedoeling dat dit opnieuw blijvend wordt, dat zou niet goed zijn voor die band, ze moeten door met een nieuwe gitarist. Maar als ze me vragen voor iets op één van hun platen, dan ben ik daar met gierende banden.”

“Als je de loopbaan van die groep ziet, met eerst Rudy Trouvé, dan Craig Ward, Tim Vanhamel, ik,… daar zit een logische evolutie in. ‘t Is een echte saga, maar dat past wel bij dEUS, dat is een ietwat episch verhaal, en dat heeft te maken met al die personaliteiten. ‘t Is echt een band van mensen, geen personages.”

enola: Je bent ondertussen acht maanden lid van de Koninklijke Vlaamse Academie van België voor Wetenschappen en Kunsten. Kun je een tip van de sluier oplichten wat daar gebeurt?

Pawlowski: “Ja, dat was een verrassing dat ik daar plots voor was gekozen. Blijkbaar wel met maar één stem overschot; het was controversieel. Het is de bedoeling dat wij filosoferen over kunst in dit land, en ik kom er bij om dat vanuit de popmuziek te benaderen. Zo iemand hadden ze immers nog niet. Ik kende wat mensen die daar al in zaten, zoals Anne-Mie Van Kerckhoven, een heel goeie vriendin van me, en heb er ondertussen nog meer boeiende, gepassioneerde mensen leren kennen, oude filosofen, kunstenaars, en wetenschappers. Barbara Baert heeft bijvoorbeeld een enorm gedreven uitleg gegeven over oude iconen.”

enola: Je bent gecanoniseerd, Mauro.

Pawlowski: “Ja! Levend erfgoed.” (lacht smakelijk)

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

2 × twee =