Henri Michaux :: Elders

In 1911 verscheen postuum de roman Gestes et opinions du docteur Faustroll pataphysicien: Roman néo-scientifique suivi de Spéculations (1898) van Alfred Jarry (1873-1907). Het werk zou samen met het toneelstuk Ubu Roi (1896) een belangrijke voorloper van het dadaïsme en surrealisme worden en in het geval van de roman ook de term ‘patafysica’ introduceren, die een heel eigen leven zou leiden. In de decennia na het verschijnen van de roman zouden immers verschillende patafysische colleges ontstaan die verder bouwden op Jarry’s denkbeelden.

Patafysica is niet zo eenvoudig te omschrijven maar wordt veelal beschouwd als een parodie op de wetenschappen alsook een studie van het nutteloze en de denkbeeldige oplossingen, al vatten ook alweer die definities niet ten volle wat patafysica is. Het beste lijkt dan ook om de patafysische literatuur zelf ter hand te nemen waaronder uiteraard Jarry’s eigen werk. In de roman trekken Doctor Faustroll (patafysicus), Bosse-de-Mage (eem baviaan) en Panmuphle (een deurwaarder) op reis naar verschillende imaginaire landen alwaar ze de vreemdste ontdekkingen doen. Het reizen naar niet-bestaande landen is uiteraard een bekend en beproefd stijlmiddel dat vooral in de utopische en ook wel satirische literatuur vaak gebruikt werd (Utopia, Gulliver`s Travels, …).

Wat Jarry’s werk van de meeste hiervan onderscheidt, is dat hoewel er zeker verwijzingen terug te vinden zijn naar tijdgenoten en toenmalige debatten en opvattingen het werk een veel absurdere en eigenzinnige inslag heeft. In die zin sluit het nauwer aan bij François Rabelais’ Gargantua en Pantagruel-reeks en ook wel bij middeleeuwse natuurhistorische werken als Jacob Van Maerlants Der naturen bloeme (13de eeuw) dat in een poging de wereld te beschrijven maar al te vaak fantastische en vreemde elementen mee opnam en ze (ogenschijnlijk) presenteerde als feiten. Het is binnen die traditie dat Henri Michaux’ Elders gelezen mag worden en ook de reden waarom de Nederlandse Academie voor patafysica mee haar schouders onder deze (gelimiteerde) editie zette.

De Frans-Belgische Henri Michaux (1899-1984) was een actief schrijver en schilder met meer dan vijftig titels op zijn naam waaronder naast gedichten en reisverhalen (Ecuador (1929), Un Barbare en Asie (1933)) dus ook enkele fictieve reisverhalen die los van elkaar verschenen tussen 1936 en 1946. Michaux die onder meer als matroos op een koopvaardijschip werkte, ondernam tijdens zijn leven verschillende reizen al lijkt hij zich nooit ergens thuis gevoeld te hebben. Na twee reisverhalen lijkt hij dan ook genoeg van het genre gehad te hebben en verkoos hij tijdens zijn buitenlandse reizen die niet langer te documenteren als wel imaginaire reisverhalen te schrijven, over landen die hem meer boeiden dan die waar hij verbleef.

Het eerste verhaal Voyage en Grand Garabagne (1936) ontstond aldus in Portugal, waar Michaux in 1934 verbleef terwijl Au pays de la Magie (1941) geschreven werd tijdens een reis doorheen Brazilië in 1939. Het laatste verhaal, Ici Poddema, kreeg vorm tijdens de oorlogsjaren toen Michaux tijdelijk geïnterneerd was in Le Lavandou en zou in 1946 gepubliceerd worden. Twee jaar later al werden ze dan toch alledrie gebundeld onder de titel Ailleurs. Hoewel tussen het eerste en derde verhaal bijna tien jaar zit, vertonen ze een opvallende gelijkenis waarbij Michaux meer dan in zijn `authentieke` reisverhalen zich als een geïnteresseerde buitenstaander toont die niet zozeer veroordeelt als wel beschrijft wat hij rondom hen ziet.

Het meest uitgebreide en in zekere zin fantastische verhaal is het als eerste gepubliceerde, ‘Op reis in Groot Baragagne’ waarvan niet helemaal duidelijk is of het nu uit verschillende landen bestaat dan wel een groot gebied is dat verschillende stammen of bevolkingsgroepen herbergt. Meer dan dertig verschillende groepen komen aan bod waarbij soms een enkele paragraaf alles is wat over hen verteld wordt terwijl andere meerdere bladzijden beslaan en uitgebreid beschreven worden, inclusief lemma’s over fauna en flora. Dat ook de onderlinge verhoudingen tussen verschillende stammen wordt besproken, doet finaal vermoeden dat Michaux zich hier zij het heel losjes baseerde op zijn reizen doorheen het Oosten, en meer bepaald China en Indië.

De manier waarop dit eerste verhaal opgebouwd is en de vele kortere beschrijvingen versnelt het leestempo maar zorgt er ook voor dat al snel alles in elkaar over vloeit en de aandacht wegglijdt. In die optiek is het dan ook aangeraden slechts korte lemma’s na elkaar te lezen veeleer dan de relatief korte tekst er in een leesbeurt door te jagen. Voor dat laatste lenen de twee volgende verhalen zich beter doordat ze zich veel meer tot een enkel land en beschrijving beperken. Bij ‘In het land van de magie’ ligt de nadruk vooral op de gewoontes en wetten, waarbij Michaux zichzelf een opvallende logica en gestrengheid oplegt waardoor het idee van magie en tovenarij zo realistisch beschreven wordt dat een argeloze lezer het haast voor waar zou aannemen.

Het is de sterkte van Michaux’ reisverhalen die ook ‘Hier Poddema’ zo lezenswaardig maakt. Na eerder een lappendeken van stammen en volkeren, en een wereld van wetten, regels en afspraken beschreven te hebben, legt hij in zijn laatste verhaal de nadruk op structuren en maatschappelijke ordening waarbij in het bijzonder het opvoeden van kinderen en de gevolgen ervan centraal komt te staan. Net als in de eerste twee verhalen toont Michaux zich hier een meesterverteller die met een afstandelijke blik beschrijft wat hij ziet en hoort, zonder tot een uitgesproken oordeel te komen.

Een oplettende lezer zal in Elders ongetwijfeld enige onderhuidse kritiek terugvinden naar bestaande landen, gebruiken en tradities maar die zoektocht of intentie gaat voorbij aan wat Michaux naar alle waarschijnlijkheid zelf beoogde. De antropologische aanpak, de heldere en zakelijke beschrijvingen plaatsen zich immers veel beter in een patafysische dan satirisch-utopische visie en lijken niet bedoeld te zijn om welke maatschappij dan ook een spiegel voor te houden. Hoewel Michaux tijdens zijn leven heel productief was en in 1965 de Grand Prix National des Lettres toegekend werd (die hij overigens weigerde), is zijn werk sinds de jaren zeventig maar mondjesmaat vertaald. En dat is zonde want zoals ook Elders aantoont, is hij een meesterlijke schrijver die zijn plek tussen de surrealisten, dadaïsten en patafysici meer dan verdient.

2 REACTIES

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

elf − tien =