Joni Mitchell :: Archives – Vol. 1: The Early Years (1963-1967)

De afkeer van Joni Mitchell voor de muziekindustrie en haar gezondheidsproblemen na een hersenaneurysma een paar jaar geleden deden lange tijd vermoeden dat Shine uit 2007 haar muzikale zwanenzang zou zijn. Maar nu komt ze plots op de proppen met de eerste aflevering van haar eigen Archives, waarin de focus ligt op de jaren voor haar debuutalbum Song To a Seagull (1968). 

Het is de periode waarin de jonge Joni Mitchell haar weg zocht als folkmuzikante. Ze groeide op in de stad Saskatoon, ergens in het midden van de schier oneindige Canadese prairies. Zoals zoveel muzikanten uit Canada in die periode zocht ze eerst haar heil in Toronto, alvorens de grens over te steken. Daar belandde ze in Detroit, waar ze folkmuzikant Chuck Mitchell ontmoette – met wie ze trouwde, en van wie ze al even snel weer scheidde – en haar eigen nummers begon te schrijven. Lange tijd deed Mitchell overigens erg meewarig over haar folkperiode, zeker toen ze vanaf midden jaren ‘70 meer jazzinvloeden in haar muziek begon te verwerken. Maar de opnames die nu in dit eerste deel uitgebracht worden, tonen een artieste die al heel vroeg een eigen stijl wist te ontwikkelen. 

Dit eerste deel van haar archieven – waarbij een chronologische volgorde wordt aangehouden – telt vijf cd’s vol met niet eerder officieel uitgebracht werk uit de 5 jaar voor haar debuutalbum (1963-1967) en bevat covers, vroege versies van nummers op haar eerste platen en eigen nummers die ze nadien nooit meer opnam. Een groot deel van de nummers was zelfs nooit op de radar van bootleggers verschenen. Hier krijgen we de hele santeboetiek: demo’s, home tapes, liveopnames en radio- en tv-opnames, en dat allemaal in vaak verrassend goede audiokwaliteit. 

De oudste opname werd pas een paar jaar geleden bijna toevallig teruggevonden door radioman Barry Bowman. Het is een door een plaatselijk radiostation opgenomen set waarop Mitchell een reeks oude traditionals brengt. Op een ukulele, godbetert. Er zitten usual suspects als “The House Of The Rising Sun” tussen, maar het is vooral op de minder evidente nummers als “Anathea” of “Fare Thee Well (Dink’s Song)” dat Mitchell toont dat ze die songs moeiteloos naar haar hand weet te zetten. Dat beeld wordt nog versterkt door de oudste concertregistratie uit oktober 1964. Joni Anderson – zoals ze toen nog aangekondigd werd voor het concert – was op dat moment terechtgekomen in de wijk Yorkville in Toronto, de Canadese versie van Greenwich Village. Voor een klein publiek in het coffeehouse Half Beat brengt ze een reeks folksongs die toen al duidelijk maakte dat ze een uitzonderlijk talent was. 

In 1965 steekt Mitchel de grens over naar Detroit, en begint ze stilaan haar eigen nummers te schrijven. Een aantal daarvan zou later op haar albums terechtkomen, maar het meest interessant hier zijn natuurlijk de nummers die ze daarna nooit officieel zou uitbrengen. Want dat valt meteen op: al van bij haar eerste songs zijn het nummers die af zijn. Hoogtepunten zijn bijvoorbeeld de drie nummers die ze opnam op een tape voor de verjaardag van haar moeder: “Urge For Going”, “Born To Take The Highway”, en “Here Today And Gone Tomorrow”. Veel mindere goden zouden een of meer ledematen veil hebben voor dergelijke nummers, bij Mitchell verzamelden ze enkele decennia stof in de kast. En zo staan er nog wel een aantal op deze box. Zoals het vrolijke “The Student Song’, om er maar willekeurig een uit te halen. Vanaf 1967 worden de nummers langzaam complexer. De eerste klassiekers verschijnen (“Both Sides Now”, “Chelsea Morning”), maar ook een reeks nummers die ze later niet meer opnam, zoals een sprankelend “Eastern Rain” of een wat heviger “Dr. Junk”. Opvallend is de cover van Neil Young’s “Sugar Mountain”, een nummer dat de inspiratie vormde voor haar eigen “Circle Game”. 

Een concertregistratie van een optreden – verdeeld over drie sets – in Canterbury House in Ann Arbor uit oktober 1967 sluit de box af. Een ontwapenende Mitchell, die de nummers veelal inleidt met charmante, grappende bindteksten, brengt een gulle greep uit de nummers die ze tot dan toe geschreven heeft. Opvallend: slechts enkele daarvan zouden amper een jaar later op haar debuutalbum terechtkomen. Een breekbaar “Little Green” – over de dochter die ze afstond ter adoptie – klinkt hier nog zo emotioneel dat het niet hoeft te verwonderen dat het nog een paar jaar zou duren vooraleer het op Blue zou verschijnen. Een concert dat de belofte toont die Mitchell in de jaren daarna volledig zou inlossen. 

De volgende jaren zou Joni Mitchell haar archief nog verder optrekken. Als dit eerste deel al een ding duidelijk maakt, is het dat Joni Mitchell er als enige misschien wel in kan slagen om de goudstandaard qua archiefreleases die door Bob Dylan met zijn Bootleg Series gezet werd te benaderen. 

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

4 × 5 =