Simon Spruyt :: Bouvaert. Elegie voor een ezel

Ook zonder een Vlaamse canon eert Vlaanderen zijn grootmeesters. De zestiende-eeuwse schilder Pieter Bruegel de Oude wordt dit jaar immers, 450 jaar na zijn dood, herdacht met een heus Bruegeljaar, terwijl Jan Van Eyck volgend jaar aan de beurt is. In 2018 mocht Pieter Paul Rubens, die overigens bevriend was met Breugels’ zoon, aantreden. Rubens, die nog geen tien jaar na de dood van Bruegel geboren werd, verwierf al relatief snel in zijn leven Europese faam als barokschilder, al zullen sommigen zich vooral de meer welgevormde vrouwen die zijn werken sierden, herinneren.

Dat auteur/illustrator Simon Spruyt een voorliefde hiervoor deelt met Rubens, kan op basis van Bouvaert. Elegie voor een ezel weliswaar vermoed worden, maar toch zit er iets anders achter, niet in het minst omdat de parallellen tussen Spruyts’ hoofdpersoon Jan Bouvaert en Rubens meer dan opvallend zijn. Niet alleen delen ze geboorte- en sterftejaar, maar bovendien zijn beide ook nog eens schilders die gaandeweg naam en faam winnen, terwijl hun broers als filoloog/latinist hun brood trachten te verdienen. Maar zoals Spruyt zelf schrijft bij aanvang van zijn werk, berusten de gelijkenissen op een spelen met historische feiten om een verhaal te inspireren en blijft het geheel het denkwerk en de verantwoordelijkheid van de bedenker/tekenaar.

Wie Spruyts werk kent, twijfelde daar nooit aan. De man die in 2007 debuteerde met de amusante kinderstrip De Furox (twee delen) en ervoor met Fritz Van den Heuvel de reeks De Bamburgers opgestart had, toonde met werken als Junker en Papa Zoglu al hoezeer hij verschillende stijlen beheerst zonder zijn eigen identiteit als auteur te verliezen. Na de koude kleuren van Junker. Een Pruisische blues en het op middeleeuwse miniaturen geënte en al even bevreemdend ingekleurde Papa Zoglu, kiest Spruyt ditmaal voor een stemmige en warme, zachte invulling met veel roodbruin en subtiele zwarte omtreklijnen die de contouren helder onderscheiden zonder hard te zijn. Die niet altijd aanwezige lijnen zijn bovendien zowat de enige keer dat Spruyt gebruik maakt van zwart, want zelfs wanneer hij duisternis en schaduw portretteert, blijft een licht kleurspel aanwezig.

En ook al mag het voor zich spreken dat een strip of graphic novel de inkleuring evenzeer voor ogen houdt, blijft de manier waarop Spruyt kleurenpaletten gebruikt om zijn verhaal te vertellen verbazen. De manier waarop hij met kleuren schildert om gevoelens op te roepen, is bovendien des te opvallender omdat hij naargelang het verhaal met een ander palet start dat niet alleen de teneur van het verhaal treffend weet te onderschrijven, maar door meteen een bepaalde toon te zetten bijdraagt aan de totaalbeleving. Op tekentechnisch vlak zijn de verschillen vooral groot te noemen in vergelijking met zijn laatste werk, maar wie Spruyt al enige tijd volgt, herkent wel degelijk zijn hand in de manier waarop hij zijn personages portretteert. De ‘stijlbreuk’ situeert zich dan ook het meeste in het verhaal zelf, dat opvallend eenvoudig en is een milde melancholie kent die veel minder de (zwarte) humor opzoekt, die zo kenmerkend is voor Spruyt.

Mogelijk heeft het te maken met het onderwerp en/of inspiratiebron, maar Bouvaert leent zich niet meteen voor gegrinnik of gegrijns. Doorheen het verhaal speelt de ezel uit de titel wel op een of andere manier een rol, wat meteen ook vragen oproept rond wat Spruyt hier net mee bedoelt. Hier mogelijke hypotheses uitwerken, zou het leesplezier echter durven schaden, zozeer wordt hier – althans voor wie dat wenst – tussen de lijnen door een ander of meer uitgesproken verhaal vertelt dan een oppervlakkige leesbeurt laat vermoeden. Het basisverhaal laat zich immers in enkele eenvoudige lijnen vatten: de Antwerpse schilder Jan Bouvaert is zijn leven als hofschilder in het hertogdom Mantua meer dan beu, in het bijzonder daar hij louter wellustige hofdames portretteert voor zijn broodheer. Tijdens een kort maar weinig opbeurend verblijf in Rome krijgt hij bericht van zijn broer Pieter, die bij hem aandringt terug naar huis te keren.

Pieter Bouvaert is een weinig succesvolle academicus die blijft schaven aan een lofdicht op de ezel, terwijl hij tezelfdertijd werkt als huisleraar en de ouderlijke apotheek draaiende probeert te houden. Wanneer zijn broer Jan terug keert, is de verstandhouding tussen beide broers aanvankelijk stroef en heeft Jan het moeilijk om in Antwerpen zijn plaats te vinden. Gaandeweg weet hij echter naam en faam op te bouwen als schilder en verbouwt hij het ouderlijke huis tot atelier. Terwijl huwt hij ook met de dochter van een rijke lakenhandelaar, die in tegenstelling tot de beide broers wel een goede neus voor zaken heeft en het talent van haar man ook financieel weet te verzilveren. Terwijl Jans ster steeds verder rijst, blijkt die van Pieter echter weg te deemsteren, ondanks alle hulp van zijn broer.

Bouvaert. Elegie voor een ezel is een onverwachte wending voor Spruyt, wat veelzeggend is voor een auteur die van veelzijdigheid zijn handelsmerk maakte. De parallellen met Rubens’ leven zijn uiteraard overduidelijk, maar Spruyt heeft er wel degelijk zijn eigen verhaal van gemaakt waarbij een droefheid en melancholie over de graphic novel hangt die nog verder benadrukt wordt door de herfstige inkleuring die zelfs over het zonnige Italië een sluier van weemoed drapeert. Spruyt heeft als auteur al lang niets meer te bewijzen, maar de manier waarop hij met elk nieuw werk zijn veelzijdig talent opnieuw blijft tonen, is opmerkelijk. Bouvaert mag op veel vlakken dan wel atypisch zijn, tezelfdertijd onderstreept het eens te meer het talent van Spruyt en zou het hem in een ideale wereld verzekeren van een plek in de canon, naast zijn ezel uiteraard.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in