Cactus Festival 2017 :: Een armrollend voulez-vous

Een grasveld afgezoomd met boorden, en daarrond wat togen en toogjes. Cactus Festival houdt het eenvoudig en beknopt, maar net dat is het geheim. Even ademen halen tussen optredens kan, wij kunnen even op die met goud afgeboorde pot naar de plee, en net voor de volgende artiest begint, grissen we nog een pint in een glas van de plateau van de lakei. Aah Cactus Festival, u verwent ons journalisten. Grapje, we zijn niet eens backstage geweest: zo gezellig was het op de wei.

Dag Een: Een feest van hoop

Een discoqueen, een britpopheld, twee Belgen en een soulster: zeggen dat Cactus Festival diversiteit hoog in het vaandel draagt, is een understatement. Het vraagt ook een mentale flexibiliteit die het publiek van het Grootste Terras van Brugge niet altijd kon opbrengen. En toch werd Dag Een een schot in de roos.

Tamino stapt in zijn uppie het podium op om dit middelgrote festival te openen met niet meer dan zijn gitaar. Alsof dat niets is. De jonge Mortselnaar kan er ook maar beter aan wennen: het wordt deze zomer vaste prik voor hem, maar hij lijkt er klaar voor. Een nummer verder komt toetsenist Tom Pintens erbij, nog wat later duikt ook Ruben Vanhoutte op om “Reverse” van doffe drums te voorzien. Het is een eerste hoogtepuntje op deze festivaldag; de vloeiende zanglijn verraadt een zelfde aanleg voor onvergetelijke melodieën als James Mercer van The Shins. Het is misschien wel het meest veelbelovende aan deze gast, zelfs al is hij natuurlijk eerst en vooral Een Stem.

Dat hij ook de songs mee heeft die dat instrument tot zijn recht doen komen, zorgt er echter voor dat we hier meer in horen dan Natalia in het zoveelste jodelpopje uit The Voice. “Cigar”, bijvoorbeeld, waarin Tamino zijn warme diepe croon laat horen, maar ook “Indigo Night” waarin hij vertelt, weent, en weer terugkeert. Het is die flexibiliteit waarmee hij op zijn Rufus Wainwrights kan schakelen die echt verbluft. Een overbodige cover van “I Bet That You Look Good On The Dance Floor” verder sluit doorbraaksingle “Habibi” af, de wei blijft enthousiast schreeuwen om meer. Dit is een star born, maar het wordt voorlopig nog wat omfloerst door die typisch Vlaamse schutterigheid in de bindteksten. Zelfvertrouwen verstoppen uit maatschappelijke schaamte blijft een ziekte in dit schaamlapje van de Noordzee. Laat Tamino alsjeblieft snel uit die beknelling breken.

Het kan ook nog Vlaamser. “Elk zijn goeiendag”, begroet Wannes Capelle het publiek. Breed gesproken is dit voor hem dan ook “Ier bie oes”, en met dat nummer is de toon gezet, en die brengt: de beleefd rockende, in proper geformuleerd West-Vlaams gebrachte nummers van Het Zesde Metaal. In “Calais”, als gewoonlijk scherp aangekondigd met een sneer naar ons huidige vluchtelingenbeleid, mogen de gitaren toch een beetje van de leiband. “Dag zonder schoenen” wordt aangekondigd met een dialectische faux pas. “Waar zin die skoentjes?” dient blozend verbeterd tot “Waar zin die shoentjes?” Toch niet helemaal chez soi, hier, maar close enough om ook vandaag te scoren met die heerlijke frontale botsing tussen “Where Is My Mind?” en “Boze Wolven” van Gorky. “Oh my God, it’s a mash-up!” zou E van Eels uitroepen, Capelle doet gewoon door en scoort met het pakkende “Ploegsteert”; een Vlaamse Griekse tragedie in vijfminutenvorm, die altijd een béétje voor een krop in een keel zorgt en een “Godverdomme, Frank”, toch.

En toch ook altijd dat licht onbehagen bij deze band. “‘t Zit allemaole goe in mekaor”, zingt Capelle in “Nie voe kinders”, en dat is ons werk weer voor ons gedaan. Het Zesde Metaal brengt vakwerk, maar blijft daarbij altijd aan de verkeerde kant van te braaf. Zelfs het funkende, groovy “Naar de wuppe” is net niet nijdig genoeg, waardoor ook de boodschap wat tandeloos blijft. Op een echt festival valt dit soort cultuurcentrumrock toch iets te bleek uit.

Vraagje tussendoor: praten Bruggelingen met elkaar door het jaar, of sparen ze alles op voor Cactus Festival, dat niet voor niets “Het Grootste Terras Van Brugge” wordt genoemd? Wanneer Michael Kiwanuka “Home Again” inzet — nochtans zijn hit — komt dat niet boven het gekwek uit. En dat blijft ook zo de rest van de set. Kiwanuka vecht, trapt op het pedaal in “Rule The World”, laat zijn gitaar nog eens loeien, en begint dan een zoveelste eindeloos pielende soulballad. Kijk, dan ligt het misschien niet aan het publiek alleen, Michael.

“This has become more important than ever”: Richard Ashcroft gelooft in de helende kracht van muziek, van samen naar een concert gaan, maar het publiek moet daar eerst nog wat van overtuigd worden. Niet dat de voormalige Vervefrontman er niet voor gaat. “Out Of My Body” is een pompende opener, maar gaat helaas verloren in een zompige geluidsmix, met “Sonnet” wordt meteen een bijna religieus aandoend oudje opgediept van op het straks twintig jaar oude Urban Hymns. De verwachte samenzang klinkt echter bescheiden — onze buurvrouw kijkt bijna verstoord op, wij blikken meewarig terug: hoezo niet meezingen? — en ingehouden.

Het blik hits — solo zowel als uit het Vervetijdperk — blijft open, de band speelt degelijk, maar voelt met zijn klassieke rockbezetting en veel strijkers uit een doosje wat beperkt aan. Hoe goed de klassieke bluessolo van Adam Phillips in “Break The Night With Colour” ook is, je mist de gitaarcapriolen van Nick McCabe die The Verve zo’n heerlijk psychedelisch tintje meegaven. Het is soulvol, maar ook net te smaakvol. Gelukkig is “Music Is Power” daarna wel gloedvol, en bloeit het iets minder bekende Vervenummer “Velvet Morning” heerlijk open. “Don’t you cry”, bezweert Ashcroft, de armen troostend om de wereld werpend. Een “Lucky Man” — “Mijn “Wonderful Tonight” — verder volgt een tirade tegen het militair-industrieel complex. “We don’t want no World War Three”, en hij bezweert de massa: “Hold On”. De nacht is net gevallen, de lichten gloeien op, en dit optreden is net een feest van hoop geworden. Eindelijk is het publiek los, is het mee met wat deze benige Brit wil zeggen. Het is een bezield moment, een apotheose, en dat “Bitter Sweet Symphony” nog volgt, is niet meer dan een kersje op een taart. Heerlijk optreden.

“Waar gaat dit over?” Het is een vraag waar we lang mee worstelen bij Roísín Murphy, en die al de kop opsteekt na één nummer. We zijn dan al één masker en een eerste kostuumwissel verder en er zullen er nog veel volgen. Een hoofddoek zal een rokje worden, een vermoorde zebra wordt om de nek gehangen en nog even later zet ze een set oorwarmers op die er samen uitzien als drie Gilles de Binche. Wat is dit; Aalst Carnaval in haar eentje? Bij enola hebben we daar normaal (jbo) voor.

De muziek, zegt u? Die lijkt die poppenkast voor gevorderden aanvankelijk vooral niet te willen storen. We horen droge elektrofunk ter hoogte van het rokje, onderkoelde disco in Aalst. Het kabbelt en pruttelt een beetje, maar net voor we de grap “Deze keizer heeft geen kleren aan” willen gebruiken, brengt een eenhoornmasker redding. Met “Tell Everybody” krijgen we eindelijk een nummer met kop-en-staart, en trekt Murphy ons de nacht in. De deep house van “Ten Miles High” gaat over in “Exploitation”, dat met “Sing It Back” een flard Moloko meekrijgt. Het publiek heeft de boodschap begrepen, en brengt die titel in de praktijk. Als beloning keert de zangeres terug met een penis op haar hoofd gebonden; tja. Met “Forever More” bereikt de set uiteindelijk een hoogtepunt, eentje dat nog maar eens doet dromen van dat alternatief universum waar Murphy en Mark Brydon een koppel waren gebleven, en ondertussen al lang Rock Werchter headlineden.

Vandaag moeten we het stellen met warme herinneringen aan de belofte van die band, al weet Murphy ook met eigen werk een stomende apotheose aan de set te breien. “Jealousy” is heerlijk stompende disco waarop wij even armrollend “Voulez Vous” prevelen — sorry, thuis zijn we lolliger — en vervolgens de nacht in jiven. Aan de toog staat nauwelijks nog iemand, en ze blijft nog een uur open. Brugge sluit niet. Het zal nog laat worden, dus (kvp) mag het morgen van ons overnemen. Break a leg, K!


Dag twee: zon, gitaargeronk en springerige zangers

Naar ons weten werden er geen benen gebroken. Ook niet door Ricky Wilson, die daar nochtans ervaring mee heeft. Potten braken de Kaiser Chiefs ook niet, maar daarover later meer. Eerst ‘moesten’ we nog wat gratis aangeboden Strongbow cider naar binnen gieten. Dag twee, een dag vol 18+ vertier.

Taxiwars wordt nogal vaak versleten als het hobby-project van Tom Barman. Maar wie de groep bezig ziet, beseft snel dat zo’n uitspraak redelijk oneerbiedig is. Taxiwars is niet “Barman-met-groep”, maar 4 muzikanten die gretig en met veel punch samenspelen. Ook al is het pas half twee in de namiddag. Barman verontschuldigt zich voor zijn slaapkop, maar van een slaperige set is geen sprake: de goesting en punkattitude spat van het podium. Saxofonist Robin Verheyen, die jaren geleden naar New York verhuisde, is duidelijk de muziek-arrangeur van de band, en zijn hoekige uithalen kaatsten alle kanten van het Minnewaterpark op.

Het startschot werd gegeven door “Taxiwars”, een funky en zweterig nummer. De muzieknoten vliegen ons om de oren, maar dan op een verfrissende en verrassende manier: het stuitert, het wringt, het gaat alle kanten op, net zoals Tom Barman zelf. Maar, het plaatje klopt. De ritmesectie met bassist Nicolas Thys en drummer Antoine Pierre is misschien minder visueel aanwezig, maar zonder hun ruggensteun zouden Barman en Verheyen niet zo vrijuit hun gang kunnen gaan.

Tom Barman is voor velen de reden dat ze op dit ontieglijk vroege uur al vooraan staan, maar de Antwerpenaar gedraagt zich zeker niet als de ster van de dag. Bij Taxiwars is hij een deel van het geheel, hij laat de 3 anderen de tijd en de plaats om zich te bewijzen en te tonen. Hoogtepunt was zeker “Egyptian Nights” en “Fever”. Barmans teksten zijn dikwijls hermetisch en het is niet altijd duidelijk waar hij het over heeft, maar het klinkt altijd goed.

Na stuiterbal Tom Barman was het tijd voor een verfrissing. Onze tijd aan de toog was gezellig, maar daardoor geraakten we niet meer vooraan om Coely aan het werk te zien. Ook zij benut graag de volledige lengte van het podium, stilstaan staat niet in haar woordenboek. De jonge Antwerpse is duidelijk aan een topfestivalzomer bezig: haar Rock Werchter passage van vorige week werd gesmaakt door pers en publiek. Vandaag mocht ze zich bewijzen op een iets kleiner podium, maar ook dat doet ze met verve, mede dankzij de gesmeerde soul/hiphop band die achter haar de pannen van het dak staat te spelen. Voor ons was het iets te veel “waar zijn die handjes” en het “yoyo, what’s up?”-gevoel overheerste, maar dat de jongedame kan zingen en entertainen staat als een paal boven water.

In het volgelopen Minnewaterpark was het ondertussen gevaarlijk laveren tussen al die rustende en zonnekloppende mensen. Een Rock Werchter gevoel begon te overheersen bij uw reporter ter plaatse, maar gelukkig dan zonder de lallend zatte student. Want het moet gezegd, ook al was het warm, en lag het alcoholverbruik hoog, toch bleef de sfeer in Brugge altijd beschaafd en gezapig.

Even een frisse dosis fruit gaan halen, en daardoor een deel van de set van Rhye gemist. Doordat een groot deel van het publiek achteraan aan het zonnekloppen geslagen was, kregen ze maar weinig respons. De publiek spendeerde hun namiddag met luieren, drinken en verbroederen. Maar, de mooi opgebouwde set van het Canadees-Zweeds duo vol melodieuze pop en zweverige arrangementen ging dan wel voorbij aan het overgrote gedeelte van publiek, maar gelukkig hadden de diehard fans zich vooraan opgesteld.

Tim Vanhamel kwam het podium opgelopen met een reuzencactus. Statement of grotesk gevoel voor humor? Het zijn onzekere tijden, mijnheer. Waar we wel zeker van zijn, is dat een groot deel van het publiek duidelijk zat te wachten op de comeback van de laatste maanden: Millionaire. En dat Vanhamel er ook veel goesting in had, was al duidelijk vanaf de eerste noot: het was van Taxiwars geleden dat het park gevuld werd met zo’n stuiterende, allesverterende en nietsontziende geluiden. Voor het jonge publiek vooraan, dat stond te wachten op de afsluiter, het teken om even te gaan verpozen aan de eetstandjes. Want Tim Vanhamel takes no hostages: hij gaat ervoor, en hij is ontegensprekelijk de ster van de band. Er werd volop gejamd op “I’m not who you think you are”, maar de geluidmix zat niet optimaal, waardoor het gitaargeweld wat verzandde in een gitaarbrij. Pas bij ouder werk, zoals “Pretty Thug” en “I’m On A High” werd het iets minder een aanslag op de trommelvliezen, en meer gruizige gitaarrock zoals we ze graag hebben. De “Champagne” mocht natuurlijk ook niet ontbreken. Tim Vanhamel kwam, zag en overwon. Toch voor wat de dertigers en veertigers in het publiek betrof.

Die trokken daarna richting bar en eetstandjes, want het was tijd voor de ouderdomsdeken van de dag. Steve Winwood mag dan al 69 zijn, en al 5 decennia lang in de muziekwereld vertoeven, versleten en stram is hij nog steeds niet. Nu ja, die eerste passen van zijn piano naar de microfoon vooraan, waar zijn gitaar op hem wacht, verliepen wat roestig, maar voor de rest swingde het de pan uit. Winwood begon er rustig aan, gezeten achter de piano, met “I’m a Man”. Zijn kenmerkend donderblond kapsel wordt wat grijzig, en hij tuurt door zijn brilletje als een oude opa, maar het moet gezegd: de Brit bracht een gevarieerde set met gekende en minder gekende nummers, en slaagde er zowaar in om de hele massa spontaan te doen klappen in “Higher Love”. Samen met Winwood stonden er slechts 4 andere muzikanten op het podium, maar ze slaagden erin een mooi, coherent en swingend geluid voor te brengen. Vooral congaspeler Sanz sprong in het oog.

Voor het iets jongere publiek dat was blijven staan, zaten er zeker ook herkenpunten in de set, zoals “My Way Home” en het eerder genoemde “Higher Love”. Wie op “Valerie” zat te wachten, was er aan voor de moeite, maar we kregen als afsluiter wel een fantastisch rockende en swingende versie van “Gimme Some Lovin’”. Al bij al een topoptreden van een topentertainer, die met een gerust gemoed volgend jaar zijn zeventigste verjaardag mag vieren: hij kan het nog steeds!

Blijkbaar wordt Jamie Lidell steeds populairder in ons landje, want het plein voor het podium stond al enige tijd volgepakt met jong en oud. De Brit, die tegenwoordig met vrouw en kind in Nashville woont, bracht eind vorig jaar een nieuw album uit, “Building a Beginning”, en mocht na zijn zeer gesmaakt optreden in de AB nu ook zijn zwoele en integere soul voorstellen aan het Brugs publiek.

Dat de man er goesting in had, was al na een paar seconden duidelijk: een afgeslanke versie van The Royal Pharaos zette “Multiply” in, en de trein was vertrokken. Lidell liep van links naar rechts, zong de sterren van de hemel, en vertelde ondertussen hoe plezant en relaxt hij het hier wel vond.

De Brit staat er ook voor gekend om live zijn nummers al eens in een ander arrangement te dompelen, zo klonk “Little Bit of Feeling” sneller en snediger, en was golden oldie “Another Day” funkier. Maar toen kwam de spreekwoordelijke domper op de feestvreugde. Had iemand teveel aan de distortion knop gedraaid? Of wou de drummer gewoon even ons trommelvliezen doen springen? Feit was dat de combinatie basdrum-basgitaar dodelijk was voor onze oren en maag. Het funky arrangement van “A Little Bit More” werd volledig in de soep gedraaid. Uw reporter was niet de enige, want ook andere mensen bedekten hun oren, ook al hadden ze al oorbescherming in. Tijd dus om andere oorden op te zoeken, om toch nog te kunnen genieten. En het moet gezegd, hoe verder van het podium, hoe beter het geluid, ook al kwam de basdreun er toch nog af en toe door. Voor ons dus toch een minpuntje, want Jamie Lidell is een topzanger, die zeker naast soulgrootheden als Otis Redding en Al Green mag staan. Daar zijn songs zoals “Building A Beginning” en “Me & You” zeker dé voorbeelden van. Een gemiste kans, we kijken al uit naar de revanche.

Top of the bill vandaag? The Kaiser Chiefs.

Lang lang geleden, toen de dieren nog spraken, was er een bandje uit Leeds dat heel populair was met hun springerige popsongs, maar nu geen potten meer breekt. Ok, we overdrijven misschien – allez dan, een beetje – maar feit is dat de glorietijd van de Britse band al een tijdje achter ons ligt. Dat kan echter het jonge volkje niet deren, want we zien bij het begin van het concert een massa volk richting podium lopen. Wij houden het bij een bescheiden plaats dichtbij de koffiestand, want het begint fris te worden, mijnheer.

Ricky Wilson is nog steeds dezelfde spring in ‘t veld en volksmenner als 15 jaar geleden. Hij is de entertainer, de gekke bekkentrekker van de groep. Wat hij niet is, is een steengoede zanger. De noten komen er wel uit, maar ze klinken nogal hobbelig of tenenkrullend soms. Maar dat maakt allemaal niet uit voor de fans, want ze zingen en dansen mee, alsof hun leven er van af hangt. De band bracht een greatest hits set, wat niet slecht gezien was. Passeerden de revue: “Oh My God”, “I predict A Riot”, het onvermijdelijke “Ruby”, “The Angry Mob”, “Never Miss A Beat”. You get my drift.

The Kaiser Chiefs? Een goede en populaire afsluiter van dag twee, maar zeker geen gedurfde keuze of artistieke hoogvlieger. Ze krijgen wel pluspunten voor hun lichtshow, die was een headliner waardig. Ook al verblindden de K en C lichtbakken op het podium soms iedereen in het park, van grote mens tot kleine mug of mier. Hopelijk vindt onze reporter voor dag drie zijn weg naar het park…

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

4 × twee =