Sun Kil Moon :: Common As Light And Love Are Red Valleys Of Blood

Toegegeven, we zijn er laat mee, maar Sun Kil Moon heeft alweer een nieuwe langspeler uit (een dubbelalbum van meer dan twee uur!), nauwelijks meer dan een jaar na de ietwat ontgoochelende Jesu / Sun Kil Moon-samenwerking. Wie daarop zat te wachten en had gehoopt op een ferme bocht terug naar melodieën, atmosferische begeleiding en emotionele uppercuts, is eraan voor de moeite. Dat hoeft niet per se een probleem te zijn, maar zeg niet dat we u niet gewaarschuwd hebben.

Zowel op Benji-opvolger Universal Themes als op Jesu / Sun Kil Moon had Mark Kozelek al het concept “spoken word” ontdekt – van het vertellen van anekdotes over hoe hij ooit Rachel Goswell eens binnengedraaid heeft tot het integraal voorlezen van fanbrieven, noem maar op. Op deze nieuwe, twee uur durende langspeler staan nog veel langere dagboekpassages, levensbeschouwingen en van banaliteit doorspekte beschrijvingen (zoals hoe hij zijn badkamer wil laten herinrichten door een kleurenblinde werkman in “Seventies TV Show Theme Song”). Je kan dit soort van onzin niet verzinnen.

Opener “God Bless Ohio” is misschien nog wel het meest conventionele nummer van de hele plaat, als in vintage Benji-Sun Kil Moon: dat klassieke gitaarloopje, de tekst over familie, opgroeien in Ohio en de vreemde wendingen die het leven soms kan nemen, en die zweverige melodie. Op de achtergrond stuwt Steve Shelley met een ratelende en zenuwachtige drum het nummer voort, terwijl een funky bas (door Kozelek ingespeeld) wat extra bijt aan het nummer geeft. Het zijn exact die drum en bas die nogal onverwacht de hoofdrol zullen spelen op dit uiterst kale album dat al improviserend tot stand is gekomen en waar Kozelek achteraf zijn teksten op heeft gezet.

Dit is met gemak Sun Kil Moons meest ritmisch gevarieerde, groovy album tot nu toe: van het slepende, dreunende “The Highway Song”, waar een vuile synth een zwarte streep onder de tuimelende drums trekt, tot het springerige “Chili Lemon Peanuts” waarover Kozelek zijn teksten bijna rapt. En het werkt, op een of andere bevreemdende manier. Het is ook moeilijk om nummers te typeren, omdat ze zo vaak halverwege radicaal van vorm veranderen. Zoals in het agressieve “Lone Star”, waar een mooi akoestisch refrein eerst een totale breuk lijkt met de tekst voorheen, tot uiteindelijk zowel in de bonkende strofes als het lieflijke refrein thema’s terugkomen als Donald Trump, transgendertoegang tot toiletten en hilarische steken onder water naar rednecks en hillbilly’s.

Daarbij moet wel opgemerkt worden: de eerste helft van de plaat is opmerkelijk sterker en interessanter dan de tweede helft. Op de eerste helft staan experimenten, interessante teksten en ritmes, maar op de tweede helft slaat de monotonie hier en daar wat toe. Akkoord, “Bergen To Trondheim” is met zijn oproep tot saamhorigheid en naastenliefde middels het “Me, We” gedicht van Muhammed Ali vrij ontroerend, terwijl “I Love Portugal” voor een groot deel de aangenaamste, oorstrelende melodieën en gitaarlikjes van de hele plaat bevat. “Carry Me Ohio” is niet ongelofelijk ver weg, als je tenminste de voorgelezen brief over een geannuleerd concert in Zwitserland wegens geweld even wegdenkt. De meeste andere zijn wat te eenvormig om echt te fascineren, zoals “Early June Blues” of “I Love You Forever And Beyond Eternity”, de zoveelste ode aan zijn vriendin.

Kozelek is al lang niet meer geïnteresseerd in wat andere mensen van hem denken en lijkt ook hier niet bijzonder gemotiveerd om een plaat te maken die aan uw verwachtingen voldoet. Meer dan eens provoceert hij de luisteraar om de plaat af te zetten of naar een volgend nummer te skippen, zoals in “Windows Sash Weights” dat eindigt met een compleet willekeurige herhaling van het banale “I love you all”, terwijl hij in het irritante “Vague Rock Song” toegeeft dat hij dit nummer er als vulsel heeft tussen gesmeten. In “Seventies TV Show Theme Song” vertelt hij op ironische toon hoeveel tijd hij aan de tekst van het nummer heeft gespendeerd. Als “meta” een superlatieve vorm zou hebben, het zou op deze plaat van toepassing zijn.

Toch gaat er meer achter schuil. Kozelek provoceert graag en maakt hier en daar bewust enkele rotslechte nummers, maar deze Common As Light And Love Are Red Valleys Of Blood is ook zijn meest politiek geïnspireerde plaat tot nu toe. 2016 was een uitzonderlijk bloederig jaar en een aanzienlijk deel van de nummers zijn doorspekt van geweld en terrorisme (“Bastille Day”, “Bergen To Trondheim”, “I Love Portugal”) en politiek of sociaal engagement. Zo is het mooie “Butch Lullaby” met enkele prachtige gitaarlicks die de spoken word-passages begeleiden meer dan een ode aan een overleden vriend uit Kozeleks buurt in San Francisco: het is indirect ook een nummer dat gaat over het belang van sociale contacten in de grote stad, tijd doorbrengen met andere mensen en de intrinsieke waarde van simpelweg samen zijn.

De plaat is ondertussen al een tijdje uit, maar feit is dat dit een ongelofelijk complex, intrigerend album is dat een beetje kortzichtige recensent kan afserveren als gemakzuchtig, saai en redundant. Om het in andere termen te zeggen: er gaat wel degelijk veel vakmanschap en hard werk achter deze nummers schuil, maar gewoon op een totaal andere manier dan we van Kozelek of de meeste indierockmuzikanten gewoon zijn, mijlenver van de “instant gratification” die ons die zwijnerij van een Donald Trump opgeleverd heeft – een onheil dat we volgens Kozelek op deze plaat zelf door onze internetobsessie gecreëerd hebben.

We willen hier wel degelijk een lans breken voor wat Kozelek tegenwoordig doet: ja het is gemakkelijk om op gratuite wijze je dagboek voor een microfoon voor te gaan lezen zonder al te veel melodieën, tot je plots opmerkt hoeveel details en beelden er achter al die willekeurig aandoende impressies schuilgaan. Ja, het is gemakkelijk om zonder veel poespas twee totaal verschillende stukken muziek aan elkaar te lijmen en dan hopen dat daar een nummer uit komt, tot je plots opmerkt dat het prachtige akoestische gitaarriedeltje uit “Lone Star” de donkere, zware sfeer op een dusdanige manier breekt dat er iets ontstaat wat er voordien niet was: een eigen ruimte, een eigen wereld die in al zijn opdringerigheid en overvloedige details niet per se tot vaak herbeluisteren uitnodigt, maar die u wel bij elke luisterbeurt opnieuw naar binnen sleurt en u een hele reeks kortverhalen, beelden en ongefilterde ideeën voorschotelt. De conclusies die u er uiteindelijk uit trekt, zijn volgens Kozelek absoluut niet zijn probleem.

Dit is in zekere zin het equivalent van een, pakweg, Juan Miro die zijn sfeervolle surrealisme halverwege zijn carrière heeft ingeruild voor kleurvlakken en abstracte schilderijen. Ja, iedereen kan dat namaken, maar het punt is dat je er natuurlijk eerst zelf op moet komen. Kort gezegd: hier gaat wel degelijk een intrigerende plaat schuil voor wie een uur of twee tijd heeft, niet bang is om als luisteraar gesard en geprovoceerd te worden, en vooral het idee van wat Sun Kil Moon vroeger was en van wat (mooie) muziek hoort te zijn, kan loslaten. Wie echter openstaat voor meer dan een paar what the fuck-momenten en alles wat hij of zij doet, kan laten vallen om zich volledig op deze plaat te concentreren, ontdekt een veeleisende, intrigerende, provocerende plaat die veel van onze concepties van wat (indie)rockmuziek hoort te zijn, volledig op zijn kop zet.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

2 + 1 =