Blind Pilot :: And Then Like Lions

Israel Nebeker verbrak een relatie die welletjes was na 13 jaar, ging voor zijn terminaal zieke vader zorgen en maakte onder dat donker gesternte een louterende derde plaat met z’n band Blind Pilot. Sterkte en troost in verlies op een bedje van folk: laat het smaken!

Blind Pilot, in wezen Nebeker (zang en gitaar) en diens spitsbroeder Ryan Dobrowski (drum), timmert al sinds 2005 aan een muzikaal nalatenschap. Gaandeweg is het tweetal die nalatenschap (de teller staat bij deze op drie lp’s en een ep) wel al gaan verdelen onder zes, maar dat komt de muziek alvast ten goede. De occasionele strijkers, blazers, banjo of dulcimer leggen een flinke laag textuur die vooral nog in de eerste (Three Rounds And A Sound, 2008) ontbrak. In die beginjaren toerden Nebeker en Dobrowski nog met de fiets vanuit Portland, Oregon langs de Westkust van Amerika, maar de charme van die jeugdige overmoed zijn ze dus al ontgroeid. Nu helpt het extra personeel voor een voller geluid zorgen – tot grote verbetering van de muziek, zullen ondertussen ook Nebeker en Dobrowski wel erkennen. Luister bijvoorbeeld maar naar de compositie die het veelzijdige “What Is Yet” op gang trekt. En zo zijn er wel meer voorbeelden.

Met vooraan “Umpqua Rushing”, een verwijzing naar de rivier in Nebekers achtertuin, worden de krijtlijnen uitgetekend: dit gaat eerder braafjes kabbelen dan gewelddadig razen. Van enig dwingend karakter is zelden sprake, terwijl de vorige albums nog de nervositeit hadden van te willen behagen. Zo was We Are The Tide (2011) bij momenten nog ronduit poppy. Nu heeft de muziek van Blind Pilot meer weg van de betere Bowerbirds, maar dan persoonlijker en toegankelijker. Of ook Guillemots, in een dichterlijke bui. Nebeker liep tijdens het scheppen van duidelijk niet rond met enige drang om een platenbaas te plezieren die hoopte op meer van die popfolk om uit te melken.

Hij mag dan misschien zaken meegemaakt hebben die een kleiner mens zouden nopen een heel album vol te stouwen met rauwe weltschmerz en lelijk zelfbeklag, zelf blijft Nebeker er nog verrassend nuchter bij. Alles kreeg zijn plaats met de vakkundigheid van een ervaren psycholoog en overal voeren voorzichtig enthousiaste hoop (“Seeing Is Believing”, Nebekers ode aan zijn stervende vader) en de eerlijkste melancholie (“Umpqua Rushing”) de boventoon. De donkerste song is nog “What Is Yet”, ook niet toevallig de voorlaatste. Hier wisselt de stemming nog, jagen de spoken van het verleden de band nog een laatste keer in enkele memorabele bochten.

Het positivisme dat als een rode draad doorheen het album loopt, is nog het duidelijkst in “Like Lions”. De logische afsluiter is als een samenvatting die de boodschap van het album onderstreept: “And then we are like lions/We are strong enough to give”. Langs de andere kant is het wel een van die songs waarbij de band samen gevaarlijk dicht tegen frivole triomf aanleunt en dat had dan weer alles wat vooraf ging mee de afgrond in kunnen sleuren. De evenwichtsoefening bewijst natuurlijk een zekere kunst, maar niet iedereen kan kunstjes appreciëren.

Maar wat zou het. Nebeker is erin geslaagd een (ja, enigszins typische) indiefolkplaat voor zichzelf te maken, die zich er dan ook nog eens uitstekend toe leent om bij de juiste mensen de juiste snaar te beroeren. En dan mag dat goed genoeg zijn voor een kleinschalig succes.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

twintig + 5 =