The Belgian Connection (2016), Pt. 1 :: Sander De Winne & How Town

U heeft het misschien nog niet gemerkt, maar jazz is de voorbije jaren bezig aan een stevige opmars in België, en ook internationaal. Er is weer meer aandacht voor (al zijn het natuurlijk steeds de grote namen die met de aandacht gaan lopen), het publiek lijkt te verjongen en er staan een paar jongere generaties te trappelen om hun hedendaagse toevoeging aan het genre te delen, terwijl een resem veteranen gestaag blijft produceren. Tijd om een resem van hen eens onder de loep te nemen. Met vandaag de focus op de stemmen (en meer) van Sander De Winne en How Town.

Sander De Winne – Kosmos (W.E.R.F.)

Snelquiz: geef de namen van drie Belgische jazzzangers!… Klaar? De kans is groot dat u er niet bent geraakt, dat u bleef steken bij David Linx. Of er misschien nog François Vaiana bij kon doen. En dat is normaal, want we hebben niet echt een traditie en weinig hedendaagse beoefenaars. Terwijl het speelveld bij de vrouwen gevuld wordt met heel wat talent (van Tutu Puoane, Melanie De Biasio en Lady Linn tot Lynn Cassiers, Ani Junnonen, Sarah Klenes en Natashia Kelly), houden de mannen hun ambities zorgvuldig opgeborgen. Niet zo bij De Winne (°1987), die via Gent, Antwerpen en Berlijn zijn kunst leerde en al een tijdje in de weer is met enkele projecten. Met Kosmos maakt hij zijn debuut als leider, al is het zeker geen traditionele plaat van een stem die in de kijker staat en een band die er alles aan doet om gedienstig te blijven.

Dat komt in eerste instantie omdat De Winne zich omringd heeft met een paar uitstekende muzikanten – rietblazer Steven Delannoye, pianist Bram De Looze, bassist Lennart Heyndels en drummer Lionel Beuvens – en bovendien nog eens samenwerkt met het zeskoppige vrouwelijke stemmencollectief IKI (met Noorse, Deense, Finse en IJslandse roots), wat hier leidt tot een album dat vermoedelijk een alleenstaand geval is in de Belgische jazz. Er wordt niet gekeken op een invloed meer of minder, waardoor je in de loop van dit krappe uurtje wordt meegenomen langs Scandinavische vergezichten, bedrukte Balkanklanken, uitbundige Afrikaanse ritmes en andere vocale polyfonie. En hoewel je De Winne & co. nergens kan beschuldigen van het maken van wringende avant-garde, wordt er hier wel gretig buiten de lijntjes gekleurd en worden momenten van vrij conventionele jazz afgewisseld met eclectische avonturen.

Openen gebeurt zo meteen met het a capella “Alma’s Teddybear”, waarin zeven stemmen woordenloos het ochtendgloren van muziek lijken te voorzien. Het is kleurrijk, vreugdevol en uitbundig. Wie echter verwacht dat het vanaf hier een zomers klinkende rit blijft, komt misschien wel voor verrassingen te staan, want de vijfdelige suite “Once I Was A Bird” bestrijkt een behoorlijk breed stilistisch en emotioneel terrein, van het verkennende startluik (met smak- en slurpklanken, gedempte inside piano, drone-achtige saxgolven en stemmen die naar het einde doen denken aan het loodzware drama van Le Mystère des Voix Bulgares), tot het meer etherische tweede deel (dat dan weer uitmondt in een excentrieke klankenvolière), het Afrikaans swingende derde, abstract startende vierde en het even mooi schuifelende als intense slotluik, waarin De Winne schittert met pakkende emotie. Kortom: het ene moment is het gaaf en harmonieus, maar net zo vaak met verrassende vocale acrobatie en De Winne als participant, niet noodzakelijk als middelpunt.

Er zijn echter ook nog een paar stukken waarvoor je enkel het kwintet zonder de buitenlandse gasten te horen krijgt, en daar is de variatie al net zo opmerkelijk. Het voor de suite geplaatste “Be Aware” is een aanstekelijk stuk waarin lichtvoetige percussie, behendig rond de melodie dansende piano en sax, en de onweerstaanbaar stuwende bas van Heyndels de ideale fond vormen voor De Winne’s romige tenor. Achteraan de plaat gooien drie stukken het over een andere boeg. “The Weather Is Changing” is meer Sigur Rós dan ‘jazz’ (met een geëngageerd stuk spoken word in de tweede helft), “Ballade Perdue” zorgt ervoor dat de band even de spieren kan losgooien, met Delannoye in een sleutelrol op basklarinet én tenorsax, en slotstuk “Relief” keert terug naar meer meditatief terrein. Een boel variatie dus, en best wel een stevige boterham, maar in goede banen geleid door een groep muzikanten die tekent voor een geslaagd evenwicht van atmosfeer, kleur en een meer aardse groove en korrel.

How Town – I Dare You Sea (Kleine Opa Records)

Is dit jazz? Als je ’t hebt over muziek die duidelijk ontstaan is uit het pionierswerk van de Afrikaanse gemeenschap van New Orleans, als je het hebt over de blues en hoe die zich verhoudt tot de Europese concertmuziek, ja… dan kom je misschien wel in de problemen terecht. Maar genres evolueren ook, gaan kruisbestuivingen aan met andere tradities en heel wat muzikanten die geschoold zijn binnen de jazz, passen wat ze geleerd hebben toe op zelfuitgestippelde routes. Mooi voorbeeld daarvan is de jonge bassist Lennart Heyndels (°1990), ook al te horen op het album hierboven, maar intussen al een paar jaar in de weer met de Belgisch-Litouwse band How Town, een project waarin de stem centraal staat en dat hij zelf omschrijft als ‘contemporary multi-style post-pop music’. Een mondvol, maar het is dan ook een uitlaatklep die niet zo eenvoudig te labelen valt.

Er zijn passages die doen denken aan de meer experimentele uithoek van de improvisatie, door de manier waarop de textuurmogelijkheden van contrabas en akoestische gitaar (Matīss Čudars, frequente speelpartner van o.m. Kaja Draksler) uitgespeeld worden, maar regelmatig voel je ook een spontaniteit en souplesse die duidelijk geworteld is in de jazz en hier gecombineerd wordt met goed uitgewerkte composities die zich ophouden in een wereld van pop, folk en singer-songwriterambacht. Heyndels, die er op jong leeftijd al een parcours via Amsterdam, Brussel en Berlijn op heeft zitten, is het prototype van de moderne, goedopgeleide en veelzijdige muzikant, evenzeer op zijn gemak binnen de vrije improvisatie als binnen de klassiek georiënteerde compositie of popmuziek. Op dit album tekende hij niet enkel voor het merendeel van de composities, maar ook de teksten, die worden gezongen door hemzelf, Čudars en drie vrouwelijke stemmen: Laura Polence, Sarah Klenes (hier ook bekend van o.a. OakTree) en Elīna Silova.

De band durft soms gaan voor een verrassend eenvoud, zoals in het afsluitende “What You Wanted To Be” of opener “Sunday Morning”, waarin wordt gekozen voor een ongepolijste aanpak, waarbij het klinkt alsof het opgenomen werd met een enkele micro in een zolderkamertje. De andere composities zijn doorgaans wat sterker uitgewerkt, zetten regelmatig in op weelderige en hecht verstrengelende lijnen die langs en door elkaar vloeien, een meerstemmigheid als een eb & vloedbeweging, wat in “Trampoline”, waarin de stemmen aanvankelijk daadwerkelijk rond elkaar lijken te stuiteren, meteen leidt tot een eerste hoogtepunt. Ook erg geslaagd: het wiegende “Down Mind”, waarin Hendels’ bas de koers uittekent en een verhaal vertelt zoals dat nog een paar keer herhaald wordt: door het alledaagse te combineren met dromerige introspectie en iets vaag surreëels.

Er mag ook al eens gelachen worden, wat ervoor zorgt dat sommige songs wat luchtiger en speelser klinken. Zo gaat “Two T’s” van start met een ritmische slaggitaar en Franse (?) klankpoëzie, waarna het zich ontvouwt als een olijke song waarmee je zo naar een peutertuin zou kunnen trekken (dat is hier een compliment). “Claustrophobia” heeft dan weer iets van The Andrew Sisters die per abuis beland zijn in de wereld van Roald Dahl, met een krom funky basmotief, iele gitaareffecten en vette knipogen. En zo wordt ook hier een gevarieerd menu voorgeschoteld, dat binnen het a capella “Clair Obscur” wat verwant is aan de stemmenkunst van IKI en binnen het stampende “I Walked Inside You” al helemaal in een kierewiete wereld duikt. Het sluit ook naadloos aan bij het geinige dagboek dat de band bijhield tijdens een recente tour met het verwante duo Feecho. Wie het moet hebben van blatende saxen en roffelende swing kan deze kelk dus aan zich voorbij laten gaan, maar tegelijkertijd valt niet te ontkennen dat How Town een aanwinst is, zeker voor wie een jazzy sensibiliteit wil horen in combinatie met pittige folk en speelse pop.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

1 × twee =