BEST KEPT SECRET 2016 :: Een pandemonium aan broken Beyoncés

“Honderd procent kans op regen”. Zo leest onze weerapp wanneer we hem daags voor het festival checken. Wordt dit het eerste Best Kept Secret waar we heimwee naar huis krijgen? Welneen. Uw verslaggevers zijn helden. Veteranen van Dour 2012. Wij pakken een extra trui in, geven de regenjas een extra laag vet, en zetten er de pas in.

“Doorwandelen! Snel!” “Een tweesecondentent? Dat kan in één, godverdomme!” Soms kan (mvs) een serieuze slavendrijver van een hoofdredacteur zijn, maar hij is deze middag op een missie: ondanks alle files, uitgevallen internet aan de persbalie en overvolle camping tóch nog op tijd bij The Slow Show raken. Het zal uiteindelijk toch met een tweetal nummers vertraging zijn, maar het was het snelwandelen (sorry, heupen en knieën) waard. Met een bijna ingeblikt tweede album in de rugzak levert de band uit Manchester alweer een concert af voor de eindejaarslijstjes.

Komen we mee binnen: een “Augustine” dat ons met zijn warme gloed meteen weer droog blaast na een eerste buitje. Voornamelijk nieuwe nummers, die we in oktober in plaatvorm zullen leren kennen, volgen. Er is “Hurts”, dat vooral geen koerswijziging laat horen. Een Slow Showsong laat zich liefst van al kennen als een delicate bloemknop die zijn blaadjes traag en majestueus ontvouwt. Zoals dat oh zo breekbaar ingezet “Flowers To Burn” dat opbouwt naar een voorzichtig – niet te, je wil Coldplay niet wakker maken — “oh-oh-oh”-refrein. Het “Fake Empire”-pianootje neem je er bij, want The National valt nooit helemaal uit de gedachten te schudden. Je houdt van The National, het geeft niet.

Toch is het een dunne lijn die de bijna al te fotogenieke – wat was dat met die hobochic en zonnebril? — Rob Goodwin en band bewandelen. Elk nummer volgt wel erg hard de formule. Het is bijna juichen als één van de ongetitelde nieuwe plots op een potiger ritme van marcherende struikeldrums drijft. De opbouw blijft klassiek Slow Show niettemin: piano als een kabbelend bedje, zachtjes oploeiende gitaar, groeien naar een refrein dat net aan de goeie kant van anthem blijft. Zelfparodie? Nog niet, maar oppassen is nodig.

Zo kritisch denk je. Tot “Paint You Like A Rose” alweer een hand is die zich zachtjes dichtknijpt rond je hart. “Breaks Today” doet zelfs een beetje pijn, met dat treurige “Our love is over now”. Een hoorn maakt de weemoed nog wat groter. Waarna Goodwin met een brede glimlach voor de zoveelste keer uitvoerig “Thank you” zegt, en dat voelt een beetje raar, maar je begrijpt het. Deze muzikanten hebben zo lang aan de weg getimmerd dat ze oprecht dankbaar – een beetje té, bijna behaagziek — zijn voor de kans die ze nu krijgen. Het hoeft niet langer. The Slow Show is zijn nieuwe status en nog veel meer waard, en mag zijn muziek vanaf nu voor zich laten spreken.

Regen buiten. Alweer. En niet voor lang meer. Bombino komt uit de stoffige woestijnen van Noord-Afrika, en weet daar wel weg mee. Het duurt geen kwartier of plots is het verzengend heet: de zon is plots weer buitengekomen, en op het podium is die lome reggae overgegaan in stomende afrofunk. We snappen het wel: als je op fluogroene bassnaren kunt slappen is het leven al-tijd mooi.

Een uur later staan we alweer in de Two Tent, en flitst het woord “stadion shoegaze” ons door het hoofd. Want het is bizar hoe elke hoek van superband Minor Victories hoorbaar is in songs als “Give Up The Ghost” of “The Thief”, het is toch vooral de bombast van Editors, waarin opperhoofd Justin Lockey sinds 2012 meespeelt, die overheerst. En dan blijkt die gitarist vandaag niet eens aanwezig wegens verplichtingen bij Tom Smith & Co.

Niet dat dat opvalt. Stuart Braithwaithe laat zijn typische Mogwainoise – doorgaans iets van ergens rond Mr. Beast — opronken over een motorik beat, Rachel Goswell kirt en zucht als bij Slowdive, en dat blijkt vandaag een zwak punt. Zonder de gitaren die Neil Halstead daar in die groep gewoonlijk rond laat opwolken valt de zangeres danig door de mand, en zo bij daglicht is ook alle mysterie kwijt. Hard ontwaken voor veel devote veertigers, zeker wanneer de set met “Breaking My Light” en “Folk Arp” gaandeweg hard gaat zwalpen. De songs zijn wazig en vormeloos, en slechts met “Scattered Ashes (Song For Richard)” – sixtiespop met peper in zijn gat – komt er beterschap. Het is echter pas met het stevig aanzwellend “Higher Hopes” dat de blikken opnieuw in dezelfde richting staan en er naar een gigantische finale kan worden toegewerkt. Net niet genoeg om ons voldaan achter te laten.

Hebben we ondertussen alweer gemist: regen buiten. Een echt drashke zelfs, maar voor de dreampop van DIIV breken toch weer wat zonnestralen door. En dat is nodig, want de band zelf geeft aanvankelijk niet thuis. Opener “Druun pt. II” klinkt rommelig en afgehaspeld, de dansende Cure-gitaren van “Is This The Are” futloos en ongeïnteresseerd. Daarna is het wel raak, en brengt “Follow” eindelijk het tempo dat deze band nodig heeft. Lang duurt dat evenwel niet, en naar een uitleg is het niet ver zoeken. ‘We’re kinda drunk’ lalt frontman Zachary Smith – en als we de roddels in de pershut mogen geloven, kwam er ook wat intraveneus spul aan te pas.

DIIV haspelt dan maar een set af die zwalpt tussen verplichte nummertjes en meeslepende, naar het strottenhoofd grijpende songs. Want topnummers heeft DIIV in overvloed. Van het in postpunk en grunge gedrenkte “Mire” of een op hol geslagen “Loose Ends’ tot het gitzwarte, naar The Jesus and Mary Chain lonkende “Doused”: DIIV weet hier en daar de grote belofte in te lossen die ze zijn. Maar daartussen zaaide de band te vaak twijfel – met een lusteloos “Incarnate Devil” als toppunt. Het potentieel is er, nu de goesting nog. En nuchter blijven, dat schijnt ook te helpen.

Beters in de Two, want de blik in Dan Boeckners ogen spreekt boekdelen: Wolf Parade is een band zichzelf heeft gemist. Zes jaar na laatste plaat Expo 86 keken Spencer Krug van Sunset Rubdown en Moonface en de gitarist van Handsome Furs elkaar gelukkig echter opnieuw in de ogen, beseften dat het vroeger eigenlijk echt wel goed was, en dat het dus misschien tijd was om hun soort-van-supergroep nog eens van stal te halen. Een EP met nieuw materiaal mocht het water testen, deze tour is een manier om het oude materiaal opnieuw graag te leren zien. Conclusie? Er is sprake van een hevige verliefdheid, en ook wij vallen opnieuw voor deze weerbarstige band.

De slepende “boenk”-“tàk”-beat van “You Are A Runner And I Am My Fathers Son” zet meteen de toon: Wolf Parade staat strak, en zal niet rusten tot iedereen in deze toch niet klein bemeten tent voor de bijl gaat. In “What Did My Lover Say? (It Always Had To Go This Way)” knarsen de postpunkgitaren, in “Modern World” razen ze . Zo gaat het altijd: waar het bij de over zijn orgeltjes gebogen Krug wat wijdlopiger mag, met een meander of twee als het kan, heeft een Boecknersong altijd net dat tikje meer vaart. Maar het zit altijd strak, oh zo strak als de nieuwe look van de gitarist. Blixa Bargeld, toen hij net afgekickt was van de heroïne maar nog niet aan gastronomie verslaafd.

Het is van een rusteloosheid die vermoeit. Dat ook wel weer. Wolf Parade slaat je om het hoofd,en blijft slaan. Of het nu met de nieuwe dubbel “C’est la vie Way / Floating World” is, of het tien jaar oude “Dear Sons And Daughters Of Hungry Ghosts”; het hamert, slaat, ramt en beukt. Het is opwindend, zoals alleen de beste gitaarmuziek van dit moment – deze dus – kan zijn, maar het is veel. En toch laten we onze oren genadeloos geselen, tot aan het gaatje van een episch gerekt – tien minuten? Twaalf? — “Kissing The Beehive”. Krug en Boeckner moeten eindelijk maar eens beseffend at Wolf Parade hun onverdeelde, volwaardige aandacht waard is. En als dat jammer is voor Moonface, dan moet dat maar.

Afkicken met een zichzelf beantwoordende vraag. Heeft Christine & The Queens het materiaal om een set te vullen? Het antwoord is ook een klein jaar na haar passage op Pukkelpop krachtig: “neen”. Haalt ze er het maximum uit? Even welluidend “Ja”. Héloïse Letissier heeft de weergoden tegen, en zo zonder Bombino in de buurt zit er niets anders op dan dat te ondergaan. “You’re standing in the rain” zingt ze jolig, en verder trekt ze zich niets van dit weer aan.

Het is een set vol covers, van Technotronics “Pump Up The Jam” tot een mashup van Christophes “Paradis Perdu” met Kanyes “Heartless”, maar ook eigen nummers die soms wat bleek uitvallen of het zouden topsingles “Christine” en een gevoelig gezongen “Saint Claude” moeten zijn. Songgewijs valt het licht uit, maar Letissier brengt het met de sass en het professionalisme van de Madonna uit haar gloriedagen. De choreografieën met haar dansers zijn strak en geroutineerd, zonder daarom aan kille showbizz te doen denken. Dat ze zich manmoedig niets aantrekken van een natgeregend podium wekt zelfs bewondering op. “Let’s dance like Beyoncé. Broken Beyoncés”, kondigt ze een laatste nummer aan. Het mag dan eeuwig blijven miezeren, een wei trekt zich dat niet aan: licht pandemonium volgt. Christine zal rapper een begrip worden dan wij eindelijk van Madonna af zijn. Geef het nog één goeie plaat. En verder kusjes voor de cameraman, die waarlijk het mooiste wist te halen uit grijze, beregende luchten en al dat druilerig water.

Nog minder licht viel er te rapen bij de duistere songs van Beach House, dat op Best Kept Secret grossierde in grootse dreampop die bij het spirituele aanschurkte. Toegegeven, we hadden er geen goed oog op: Beach House is live meestal ronduit saai om te zien. De songs klinken goed, maar showmanship zit ze niet in het bloed. Je kan eigenlijk evengoed thuis de plaat heel luid opleggen en jezelf een concertticket besparen. Maar kijk, deze band heeft zo te zien hard gewerkt aan hoe ze op een podium staan, want hier in de Beekse Bergen zagen we Beach House zijn meest imposante concert tot nog toe geven.

Van begin tot einde was Beach House in bloedvorm. De beste songs van recente platen Depression Cherry en Thank Your Lucky Stars werden aangevuld met oude favorieten, en dat gaf vonken. De viriele lichtshow leverde de fundamenten voor een meeslepend “Wishes” – en met “PPP” en “Silver Soul” ging de band in een ruk verder op dat elan. Even later leverde “10 Mile Stereo” een eerste echte hoogtepunt in deze set die – we wisten met onze verbazing geen blijf – vol dynamiek en goesting zat.

Parels voor de zwijnen? Zo leek het wel, want na een dik kwartier kwam alweer de beroemde Dutch disease de kop opsteken: Nederlanders zijn tijdens concerten namelijk bijzonder praatziek, en wie halverwege de tent staat, mag zich verwachten aan heel wat Hollands gebrul doorheen de set. Een opmerkelijk verschil met de Belgische concertcultuur, en we vermoeden dat veel bands het ook niet in dank afnemen. En toch, Beach House leek er niet door uit zijn lood geslagen. Het daverde gewoon door, met onderweg een bedwelmend mooi “Myth”. Deze band heeft uit zijn fouten geleerd.

Afin, aan topacts geen gebrek op deze eerste BKS-dag – en dan moest de rode loper nog uitgerold worden voor de beste Prince die er nog overschiet: Beck. De wei voor de main stage was ondertussen al herschapen tot een modderpoel waar ze zelfs op Dour van zouden staan kijken, maar dat bleek de minste zorg op Best Kept Secret. U wou de nacht indansen, en Beck dacht: u vraagt, wij draaien.

Het werd 75 minuten crowdpleasen met stomende funk, dwarse pop en een setlist die niet eens plaats had voor recente Beck-hits als “Gamma Ray”, “Modern Guilt” of “Heart Is A Drum”. Tekende wel present: een “Devils Haircut” zo fris als citroengras, perfect gemikt tussen geile funk en ziedende gitaarrock. En dan gaat het meteen heel snel: “Black Tambourine” en “Think I’m In Love” gaan voor de bijl, er wordt lustig geheadbangd op “Soul Of A Man”, en bij “Que Onda Guero” wordt meer met de heupen gezwierd dan op een french cancan in de Moulin Rouge.

Ook voor de lome woestijnfunk van “Loser” was al heel vroeg in de set plaats geruimd – dichter bij een anthem komt Beck nooit meer, en dat hebben ze tot ver buiten de Beekse Bergen gehoord. Daarmee bleef deze set zo makkelijk vaart maken dat je het gevoel bekroop dat Beck op automatische piloot speelde. En eens je het doorhad, zag je het overal: aan de hoekige danspasjes waar een tikje roest op leek te zitten, aan de routineuze blik in de ogen, aan de manier waarop er van song naar song gespurt werd. Niet dat-ie er geen zin in had – in tegendeel – maar hij had deze show gewoon al een paar keer teveel opgevoerd om zichzelf nog te laten verrassen. Detailkritiek, en toch.

Halverwege de set mocht het tempo een stukje omlaag en kreeg je de Beck te zien van Morning Phase en Sea Change – de Beck die zijn hart maar weer eens laten breken heeft, en daar goudklompjes van songs uit puurt. “Paper Tiger” had de mooiste strijkers, maar het was “Blue Moon” dat ons de grootste krop in de keel bezorgde.

Daarmee had Beck wel weer genoeg luddevudde gehad voor een avond. Er mocht weer gedanst worden, en de frontman zelf leek een tweede adem gevonden te hebben. De songs kregen wat meer veren in hun gat, en er werd met eclatante pop gestrooid in het nog niet op plaat verschenen “Dreams”. Voor “Sexx Laws” werd nog even zwierig trompettengeschal uit de kast gehaald, en aflsuiter “Where It’s At” kreeg uitstapjes naar The Beatles (“Strawberry Fields Forever”), Bowie (“China Girl”), Prince (“1999”) en Kraftwerk (“The Man Machine”). Als u vannacht iets raar hoorde op de camping, dan was het omdat wij nog lagen te kirren van plezier.

Zagen wij een goeie Beck? Absoluut. Zagen wij de beste Beck? Vergeet het. We leggen de lat hoog, alleen maar omdat zijn eigen nummers dat ook doen.


Dag Twee

Best Kept Secret is niet alleen gezelliger dan de festivals die we in België gewend zijn, ze weten hier ook dat festivalgangers anno 2016 kieskeurig is als het op catering aankomt. En dat doet deugd, na een korte nacht op een uitgeregende camping. Breakfast burritos, vers fruitsap en vuistdikke botterhammen met roerei en rucola – foodies hebben hier ’s ochtends niks te klagen.

Bovenaan op onze planning van de dag: Julien Baker, een frêle meisje dat enkel met haar gitaar het podium beklimt. Je denkt dat ze kopje onder gaat gaan, maar dan begint ze te zingen en sta je even te kijken. Muzikaal komt ze uit hetzelfde hoekje als Waxahatchee en Angel Olsen: vrouwelijke singer-songwriters die met eenvoud naar de keel grijpen. Zoals in “Everybody Does of “Blacktop” waarin Baker haar stembereik voluit kan etaleren.

Waar het Baker nog aan ontbreekt, zijn songs die even hard beklijven als haar stem. “Sprained Ankle” bijvoorbeeld is op de keper beschouwd een zoutloos twaalf-in-een-dozijn nummer – en zo heeft ze er een paar te veel. Wat meer weerhaken zouden een zegen zijn voor Baker, die voor de rest alles heeft om het indiewereldje helemaal in te palmen.

Dat we niet tot het einde van haar set gebleven zijn, heeft dan ook niet zoveel te maken met Julien Baker maar alles met de belangrijkste bijzaak te wereld: voetbal. Zowat een derde van de 25.000 man hier komt uit België , en dus heeft de organisatie van Best Kept Secret aan de rand van het festivalterrein gezorgd voor een groot scherm waarop de match tegen Ierland vertoond werd. Nodeloos om te zeggen dat de 3-0 voor een aanzienlijk Belgenfeestje zorgde. Heel even leek dat potsierlijke EK-lied van België nog wel mee te vallen. Héél even.

Voor écht goeie muziek gingen we wel gewoon terug naar het festivalterrein, want in de Two stonden de twee Britse hooligans van Sleaford Mods zich klaar te maken. Nu ja, we gokken dat deze band eigenlijk weinig voorbereiding nodig heeft. De helft van het duo – beatmachine Andrew Fearn – doet zelfs tijdens het concert amper iets. Vlak voor een nummer drukt hij een keer op ‘play’, en dan beginnen de beats te spelen. De rest van de tijd staat-ie opzichtig 2 meter van zijn computer te dansen met een blik Jupiler in zijn handen.

Om maar te zeggen: als Sleaford Mods een middelvinger opsteekt, windt het duo er geen doekjes om. Hun protopunk is basaal en brutaal, met woedende raps gebracht over een laag zompige beats. Wie allergisch is aan schuttingwoorden, blijft ook maar beter uit de buurt. It’s all about attitude, en dat hebben de twee in overvloed. Maar bovenal spreekt er een oprechte woede uit hun songs, en net daar maakt Sleaford Mods het verschil. “Bronx In A Six” bijvoorbeeld rekent genadeloos af met pretentieuze praatjesmakers: ‘You wonder why you got no mates? / You pretend to be proud of your own culture / Whilst simulteneously not giving two fucks about ya own culture.’ Die zit.

Eigenlijk is de muziek van Sleaford Mods heel rechtoe-rechtaan. Jason Williamson schreeuwt en brult alle heilige huisjes omver, terwijl staccato ritmes elkaar voortdurend afwisselen. Maar voorspelbaar wordt het nooit. Sleaford Mods is slim genoeg om te variëren, en gooit al eens een dansbare beat in de mangel, zoals in “Face To Faces”, “Tiswas” en “Giddy On The Cigies”. Het is nog altijd geen muziek om bij je schoonouders mee aan te kloppen, maar verslavend is het wel.

De avond doemt stilaan op, en dan krijg je op het hoofdpodium meestal de eerste band die nog net onder headlinerstatus bengelt. Of in het geval van Bloc Party: een voormalige headliner die al jaren op retour is. Denk hier maar eens over na: wanneer was Bloc Party voor het laatst relevant? In ieder geval raakte de band na Intimacy – alweer 8 jaar oud – in verval: de groep viel uit elkaar, en na een jarenlange radiostilte bleef enkel Kele Okereke nog over. Hij verzamelde nieuwe muzikanten rond zich, maar écht goeie platen zijn er sindsdien niet meer geweest.

Enkele maanden terug zagen we Bloc Party ook aan het werk in Brussel. Een vriend kwam achteraf naar me toe en zei: “hey, was jij hier ook voor de begrafenis van Bloc Party?” U begrijpt: geen wereldconcert. En dat had alles te maken met het grote contrast tussen de grootse postpunk-klassiekers die ze ooit maakten en de magere oogst van de laatste jaren. Die staken zo flets af, dat dat concert toch wel definitief het einde leek te gaan betekenen.

Op Best Kept Secret kreeg Bloc Party een tijdsslot van een uur, en dus kon de band niet anders dan knippen in de vertrouwde setlist. Dat deden ze gelukkig op de juiste plaatsen. Begrijp ons niet verkeerd: bij recente songs als “Virtue” of “Different Drugs” is het nog steeds huilen met de pet op. Maar wie zin had in een terugblik op wat deze band ooit zo groots maakte, kon zich wel nog laven aan een handvol topsongs. “Hunting For Witches” levert nog steeds razende elektronica, “Banquet” blijft een mijlpaal, en in “Helicopter” klinkt de vintage sound van Bloc Party nog even viriel als een decennium geleden.

Daarmee is dan ook ongeveer alles gezegd. In “Mercury” loopt Kele zo ongeïnteresseerd rond dat het een wonder is dat hij de tekst juist heeft, en in “One More Chance” vindt de band het pianoriedeltje zo leuk dat ze het minutenlang blijven herhalen. Bloc Party teert op een verleden dat ze de helft van de tijd niet eens overtuigend terug kunnen halen,

en dan hoeft het voor ons eigenlijk niet. Maar soit, we zagen anderen wel gewoon lekker hossen en springen. Doe gerust, wij proberen de lamsburger hier ondertussen eens.

Een bedenking die we ons maakten terwijl die burger naar binnen gespeeld werd: eigenlijk heeft die hele postpunkrevival van de jaren 2000 vooral een muis gebaard. Arctic Monkeys is de uitzondering, en Franz Ferdindand speelt nog steeds retestrakke sets, maar met pakweg Kaiser Chiefs, Maximo Park, Interpol, The Rakes en White Lies was het voorbij zodra het van het van de grond kwam. Anderen, zoals Editors, hebben authenticiteit voor een stadiongeluid ingeruild om te overleven. Het heeft hen geen windeieren gelegd, maar voor veel vroege fans is deze band wel een beetje risée geworden.

En het is niet alsof frontman Tom Smith veel moeite doet om hen ongelijk te geven. Editors had altijd al iets met pathos en bombast, maar geleidelijk aan liet de band gewoon alle remmen los. En dan krijg je van pubersentiment krioelende drek als “No Sound But The Wind”. Het staat in ons geheugen gebeiteld: de dag dat we die drab voor het eerst hoorden, hadden we het gehad met Editors. Nochtans veel liefde geïnvesteerd in die eerste twee platen, maar trop was toen echt te veel.

Klinken we cynisch? Dat bleek eigenlijk nergens voor nodig, want Editors steeg boven de verwachtingen uit. Wie niks heeft met het grote gebaar en de stadionsound van Editors, was er weliswaar aan voor de moeite: na het met ninetiessynths gestoffeerde “No Harm” werden al in de tweede song – “Sugar”, voorzien van de nodige distortion en shoegaze-gitaren – de vuurkanonnen bovengehaald. Subtiel zijn ze niet, neen, maar in de striemende regen had die extra laag vernis wel iets.

Het is bij Editors wel voortdurend balanceren op een slap koord. “Life Is A Fear” is een postpunkkogel van groot kaliber, maar “Formaldehyde” valt iets te licht uit. “Eat Raw Meat = Blood Drool” is zure fastfood voor fans van Depeche Mode, en “Forgiveness” is een nummer dat gewoon in de lade had moeten blijven liggen – te prekerig, te geforceerd politiek geladen, te veel slap gewauwel.
Maar daartussen vielen wel parels als “Munich”, “An End Has A Start”, “The Racing Rats” en “Smokers Outside The Hospital Doors” te rapen: vinnige en emotievolle postpunksongs die het geluid van onze vroegvolwassen jaren hebben gedomineerd en nog steeds overeind blijven.

Daarna was het weliswaar op. Het vaatje delay en reverb moest nog leeggetapt worden, en Tom Smith ging steeds nadrukkelijker naar de sterren reiken. Dat ‘Desire’-gejoel in ” A Ton Of Love” – niet doen, jongens. “No Sound But The Wind”: kappen daarmee. Die salvo’s metershoge vlammen in “Papillon”: zelfs Bono maakt het zo bont niet. Maar als Editors dat beperkt houden tot die laatste 20 minuten, zijn wij al lang content. Is Bloc Party tegenwoordig vergane glorie, dan bleek Editors in de eerste plaats een band die gewoon in toom gehouden moet worden.

Rond middernacht is het drummen om in de Two te raken, want er is veel volk op de been voor Caribou – een band die eigenlijk een verborgen headliner is. Er zijn andere tijden geweest: Dan Snaith heeft erg lang en hard moeten werken om uit de marge te raken, maar met Swim forceerde hij in 2010 eindelijk de doorbraak – en sinds Our Lovewordt hij al 2 jaar doodgeknuffeld door iedereen met een hart voor elektronica. De reden is simpel: Caribou heeft niet alleen een unieke, bloeddoorlopen sound, het is ook de beste elektronische liveband sinds LCD Soundsystem.

Bovendien is Dan Snaith iemand die altijd voluit gaat – en die overtuiging is exact wat je nodig hebt om de nacht in te zetten. Tussen setopener “Our Love” en de verwoestende aflsluiter “Sun” reeg Caribou een uur lang organische krautrock en stampende neo-house aan elkaar, zonder gratuit te klinken. Wat zei Christine & The Queens nu weer over Broken Beyoncé’s? Zo danste u dus de nacht in: hoekig en lichtjes dronken, maar met gevoel. In “Mars” werd gesampled met panfluiten en nam een oosterse metronoom je hartslag over. Met “Bowls” en “Odessa” kreeg je stampende floorfillers voor de voeten geworpen, en in “Can’t Do Without You” zag je een hele tent fonkelen van emotie. De lichtjes in het bos rond Best Kept Secret glommen nooit harder dan vannacht.

Dag Drie

Eindelijk: de zon! Dat de affiche vandaag de minst interessante dag belooft, is meteen niet meer van tel. We schuifelen naar de ingang, en horen daar in de verte meteen een bekend geluid uit de Five komen.

Want is dat niet “I Bet You Look Good On The Dance Floor”? Jawel, zo te horen vermangeld door minstens drie opeenvolgende aspirant-Alex Turners. Dit is de Indie Karaoke en het is precies twee nummers lang grappig. Tot iemand “Song 2” lekker vals aflevert. Fair enough, maar langer moet dat ook niet duren. En die testosteronvolle nu-metalversie (vocaal dan) van “Creep” was wat ons betreft ook bedenkelijk. Ach, karaoke: altijd leuker als je het zelf mag doen.

Best Kept Secret is ondertussen stiekem aan het openen met een headliner, en Explosions In The Sky krijgt van de afgeladen Two dan ook een open doekje voor zijn middagconcert. We hadden er vooraf nochtans geen goed oog in, zo’n postrockshow bij daglicht, maar het vijftal uit Houston, Texas, opereert alsof daglicht in hun wereld onbestaande is. In de black box van hun podium, slechts met mate belicht, weten de muzikanten evenveel sfeer te scheppen als toen we ze vorige week in Porto Primavera Sound zagen afsluiten.

Al blijft het natuurlijk vervelend dat die nieuwe nummers – “The Ecstatics”, “Colors In Space”, Disintegration Anxiety” volgen allen bijna rug aan – van op The Wilderness zo weinig overtuigen. Het blijft wachten op de bekende riedels van “Your Hand In Mine” of “Greet Death” vooraleer iets van magie wordt gecreëerd. Het had te weinig kunnen zijn, maar dan is er eindelijk “The Only Moment We Were Alone”. Gitaren slaan op de rotsen als waren het woeste baren, een storm zwelt aan, een menigte overweldigd. Ja, Explosions is post-rock uit het boekje, maar dan wel een prachtige bibliofiele uitgave.

“Location location location”. Makelaars kunnen het niet genoeg benadrukken als het gaat om de prijs van een huis. Het blijkt dit jaar even waar voor Vant. Zagen we het Britse kwartet eerder dit jaar behoorlijk indrukwekkend zijn in de Groningse Mutua Fides, een groezelig hol waar hun brute rock uitermate goed gedijde, dan valt het in het harde daglicht van de One wel heel hard door de mand. We horen derderangs punkrock, die in het refrein al eens kwansuis tegen een Weezeranthem aanschuurt, maar nergens blijft iets blijft plakken.

Dat is vooral jammer omdat je voelt dat frontman Mattie Vant zoveel wil vertellen. “Stop living in fear, put down your gun”, gaat het in “Put Down Your Gun” en later: “immigration laws can’t change overnight”. Een half optreden later houdt ie een bevlogen tirade tegen de Brexit. Het blijkt eerder een pleidooi voor eigen winkel – het zal voor Britse bands een pak moeilijker worden om te toeren – dan een Europese liefdesverklaring, dus wat ons betreft kunnen die Britten nog altijd beter oprotten dan de boel te blijven saboteren. Maar passons, wat stoort is vooral dat ontstellend gebrek aan echt goeie songs – zelfs voormalig Studio Brussel Hot Shot “Parking Lot” weet weinig te begeesteren. “Everything’s wrong with this generation” klinkt het ergens, en we knikken bevestigend: dat ze zichzelf tevreden stelt met halfbakken ideeën in plaats van wereldsongs, bijvoorbeeld.

In de oerlelijke Three krijgen we even later het mooiste voorstel van de dag: “Drinks are on us!” schreeuwt de drummer van BEAK>. Zo pak je dus een publiek in, zelfs als je muziek compleet verkeerd geprogrammeerd staat. Want de donkere krautrock van deze band is zo kort na de middag een zware brok op de maag. Deze muziek associeer je nog het meest met vochtige bunkers en verlaten kerkhallen. Ze parkeren ergens tussen Battles en Shellac, maar je hoort evengoed Liars, Sunn O))) of Fuck Buttons. Bovendjen hebben de geluidsoerwouden van deze band meestal compleet lak aan melodie.

U begrijpt: een net ontwakend festivalpubliek is geen cadeau. Maar sommige bands zijn nu eenmaal zo aanwezig, dat je niet anders kunt dan meegezogen worden. “The Gaol” dreunde harder dan Sugar Jackson, “Backwell” zorgde voor stuurse elektronica, en in “Mono” kon je zowaar aan het dansen slaan. BEAK> is een band die geen compromissen maakt om een groter publiek te trekken, en net dat maakt hen zo opwindend.

Pa-pa-pa-pa-pa-pa-yaa! Hollen naar de Two, waar Yeasayermet de hoge jongensstemmen van “Dead See Scrolls” het vuur meteen aan de lont steekt. Deze band komt uit die periode dat er halverwege de jaren 2000 elke dag iets opwindends kwam uit Brooklyn, en dat averechtse pop al te makkelijk het label new weird America kreeg opgespeld. “New weird America?” horen we u denken. Ja hoor – muziekjournalisten hadden toen eigenlijk geen flauw benul wat ze hiermee aan moesten.

Yeasayer klinkt tegenwoordig een tikje conventioneler, maar is nog niks van zijn frivoliteit verloren. “2080” leverde indie-disco voor de 21e eeuw, “Silly Me” liet straighte 4/4-rock flirten met psych rock en kitscherige elektronica. Maar aan zoveel inventiviteit heb je weinig als de band voortudrend moet opboksen tegen een rampzalige geluidsbrei. “Cold Night”, “Madder Red” en “Henrietta”: alledrie verzopen in een ongestructureerde wolk elektronica en gitaargeweld.

Gelukkig kon zelfs dat het plezier niet bederven wanneer Yeasayer echt begon te knallen. Van de technocolorelektronica in “Ambling Alp” tot de euforische popexplosies van “O.N.E”: stilstaan was geen optie. Het bier vloog rijkelijk de lucht in, en een bevallige Gentse duwde ons nog snel een gin-tonic in de hand. Weet u, het leven van een muziekjournalist valt eigenlijk wel mee.

De tragiek van Band Of Horses is dat het zo snel bergaf ging. Kwamen aan het raam kloppen met dat prachtige “Is There A Ghost?”, piekten met het ook vandaag weer lichtjes ongenaakbare “Funeral” (ongewild tranen. Elke keer weer.), en toen was het alweer voorbij. Meer platen volgden, maar nooit meer werd die eenzame hoogte bereikt. En dus krijgen we een set vol onderling inwisselbare, iets te patserig testosteron sproeiende americana als “The Great Salt Lake”. Dingen die The Band jaren op zolder zou laten verstoffen vooraleer het op een outtakesplaat mocht. Voor een groep die ooit zo veelbelovend begon is dat vooral heel erg jammer.

Hiphop anders maar? Want in die mottige Three – “First time we play in a trash bag”, zei Geoff Barrow van Beak> daarnet nog – staat de Tom Lanoye van de rap, de Alex Callier van het rhyme. Woodie Smalls laat de tent bouncen als een potige SUV, doet van “When I say jump, you jump!”, en bouwt zo een algeheel feestje. “About The Dutch” ratelt aan een rottempo voorbij over strakke beats, aangevuurd door zijn homies op het podium volgt meteen ook “Night Slugs”. Het klinkt geweldig, maar vooral erg bekend. Woodie Smalls mag dan van Sint-Niklaas zijn, dit was wel heel Amerikaans. Volgende zomer misschien met een eigen smoel?

En dan is er – bij het steken van een kibbeling met friet — Two Door Cinema Club: de ultieme festivalband. Je kent ze van de radio, kunt alles van voor naar achter meezingen, maar denkt er nog niet aan ook maar één van hun platen in huis te halen. En zo hoort het ook, want langer dan hun drie minuten en een half blijven de songs, ook die van derde album Gameshow dat in oktober uitkomt, niet hangen. Geen idee overigens wat frontman Alex Trimble bezielde, maar dat lange rosse haar staat hem voor geen meter – we geven het maar even mee. Lichtpuntje? Dat “Something Good Can Work” desondanks tot dansen blijft uitnodigen. Als het goed is, werkt het echt ook wel.

Afsluiten op het hoofdpodium is dit jaar weggelegd voor Jamie XX, die met In Colour de beste hipsterbeats van 2015 afleverde. Op tour valt evenwel weinig te horen van die prachtplaat: Jamie is bovenal een plaatsjesdraaier, en dat komt hij ook op Best Kept Secret doen. Raar, want zo voelt deze laatste festivaldag ietwat onthoofd aan. De laatste band die op de main stage gewoon eigen muziek live kwam spelen, was Two Door Cinema Club – een lichtgewicht dus. Een echte headliner lijkt vandaag te ontbreken.

Het is nochtans niet dat wij iets tegen DJ-sets hebben, alleen kregen we kop noch staart aan die van Jamie XX. Van oer-Britse garage naar dubstep en terug via nostalgische neo-house: deze set daverde alle kanten uit en wisselde vaker van ritme dan een experimentele jazzband. Het absolute hoogtepunt kwam er toen de New Order-klassieker “Blue Monday” zijn intrede deed, maar scoren deed Jamie XX meestal met zijn eigen nummers. Samples uit “Obvs” passeerden langs de neus weg, terwijl “Gosh” en “Sleep Sound” stevige ankerpunten in deze DJ-set vormden.

De toptrack van Jamie XX werd tot het laatste opgespaard: een lang uitgesponnen en uit pure soul opgetrokken “Loud Places”. Een moment waarop iedereen zat te wachten, en meteen ook de schizofrenie van de set blootlegde: Jamie XX heeft eigen topsongs genoeg – “All Under One House Raving”, iemand? – om een set te vullen, alleen kan hij ze op zijn eentje niet brengen. En dus gooit hij ze bij wijze van compromis in een DJ-set die, laten we een kat een kat noemen, met zijn neus in drie richtingen tegelijk stond. Maar dan nog speelt Jamie XX een klasse hoger dan de concurrentie.

Als een DJ-set als afsluiter een onconventionele keuze is, dan was die voor de afterparty nog gewaagder. De verwoestende, experimentele elektronica van Oneohtrix Point Never – genoemd naar zijn favoriete radiozender 106.7 (‘one-oh-six-point-seven’) is ongeveer het verste dat wij kunnen bedenken van een gratuit feestje. Denk Venetian Snares, Squarepusher en Tim Hecker, maar dan hoekiger en vol 180°-bochten.

Op platen als Garden Of Delete en R Plus Seven levert dat moeilijke maar voortdurend intrigerende geluidsdoolhoven op. Op een podium – en zeker op een festival als dit – is het een te taaie brok. Oneohtrix Point Never zit van bij de start drie versnellingen hoger dan wij, en dat verschil is moeilijk te overbruggen. Gelukkig staat er nog geld op onze pre-paid polsbandjes, en is de bar nog open. De laatste pintjes van Best Kept Secret smaken het best. Want ook al gaf de programmatie van deze dag een makke indruk, het is hier in de Beekse Bergen een verademing elk jaar weer een verademing tegenover een stilaan vastgeroest Vlaams festivallandschap. Tot volgend jaar, Beekse Bergen. We houden van jullie.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

zeven − een =