BEST KEPT SECRET 2015 :: Zatte nonkel doet male stripperact te H.

Goed eten, Belgisch bier, luide Hollanders. Best Kept Secret was aan zijn derde editie toe en dat strand aan de Beekse Bergen lag nog altijd beter dan de Vlaamse festivalweides, om over het knus persterras nog maar te zwijgen. Enola was ter plekke en bracht drie dagen live verslag uit. “Wat een vreemde botsing van muzikale werelden!”

De aftrap wordt gegeven om drie uur, en in de tent van Stage Two heeft METZ er meteen goesting in. Vanavond gaan de trommelvliezen eraan met Blanck Mass, maar als het aan deze band ligt, hoeft dat niet tot dan te duren. Qua binnenkomer kunnen de wildemansdrums en rechttoe-rechtaan punkgitaren van “Dirty Shirt” immers tellen. METZ heeft geen zin in adempauzes, zoveel is snel duidelijk: “Get Off” is de eerste echte mokerslag, “Spit You Out” heeft de slacker-vibe van Parquet Courts en de vernielzucht van een IS-kolonne, “Waste It” en “Headache” zetten de kroon op het werk. Dit is geen DIY-punk, maar wel professionele, nietzontziende noiserock. Het langharig tuig voor ons in de moshpit heeft niks te klagen.

Kevin Morby heeft zijn grote idolen met huid en haar opgeslorpt, en kotst ze nu in de Three tent in kleine, in kleur en sfeer wisselende brokjes opnieuw uit. Ergens van op de middenstip halverwege de drawl van Lou Reed en de sneer van Baawb, smeedt de voormalige bassist van Woods zijn songs; laat zijn monotoon parlando rijmen met een slidegitaar, neemt ons mee op een uitgesponnen tochtje op de “Harlem River”, maar blijft al bij al net iets te gemoedelijk om echt indruk te maken. Zelfs de bezwerende woestijnrock van “All Of My Life”, die ons overigens heel erg doet denken aan iéts van iémand anders dat ons nu ontsnapt, weet uiteindelijk geen onuitwisbare indruk te maken. Aangename vent, maar zijn songs zijn we nu al weer vergeten.

Het Britse Drenge, ooit bekend geworden door de aanbeveling van een ontslagnemend Labour-minister – ook in Engeland kennen ze hun Van Quickeldings – mag even later de One, zeg maar het hoofdpodium, inwijden. Sinds Tony Blair Labour het veilige midden opstuurde, is de partij het Noorden flink kwijt, en dus kan het ook niet verbazen dat deze faux-punk zo gevaarlijk klinkt als onze bedlegerige grootmoeder. Gelukkig heeft Drenge net genoeg hooks in hun songs om de oren toch alert te houden. “Gun Crazy”, “I Want To Break You In Half” en “We Can Do What We Want”: soms potsierlijke titels voor een band van dit kaliber, maar wel veel fun – al mocht dat langer duren dan een handvol songs. “Fuckabout” bleek een saai afleggertje van een B-kant van een half idee van Alex Turner, en dat is toch te vermijden als je amper drie kwartier te vullen hebt. Groeipijnen, maar ach, die Jupiler hier maakt veel goed.

Het kan sowieso erger. Héél even klinken The Coathangers nog ok, maar eenmaal we ons stevig hebben geïnstalleerd in de aardig volgelopen Five-tent zijn we de hysterische wijvenrock van dit drietal alweer beu. Goed naar Gang Of Four geluisterd, dat wel. Razend hakkende gitaartjes, een ritmesectie ingesteld op een potig en dansbaar 4/4-ritme, maar ook: zo doorsnee als maar kan. Elke riff hebben we elders al eens gehoord, en dat frontvrouw Crook Kid (Ja.) elke hint van melodie vakkundig uit de weg gaat, helpt ook al niet. “Gonna rip your head off”, schreeuwt ze naar het einde toe. Wel: het gevoel is volstrekt wederzijds. Weg, voor we onszelf niet meer in de hand hebben.

Het blijft bij gooi- en smijtwerk, maar dan van de betere soort: FIDLAR. “Fuck It Dog, Life’s A Risk”, wil die groepsnaam zeggen, en die attitude wordt een concert lang vermoeiend overtuigd aangehouden. “I drink cheap bear, so what, fuck you”, scanderen de heren in hun Carapilsanthem “Cheap Bear”, in “On Repeat” krijgen ze een meezingmomentje met dat “Everybody’s got somebody”. Prachtig refrein ook van “Awkward”: “Don’t you know i’m really good at making you feel awkard.” Gitarist-zanger Zac Carper trekt er de bijhorende ongemakkelijke smoel bij, maar wij zijn ondertussen een beetje murw gebeukt, en daar kan zelfs die compleet vertimmerde Reverend Gary Davis-cover “Cocaine” niets aan veranderen. Een rustpunt, ons koninkrijk voor een rustpunt! En is een pint anders ook goed?

Met Strand Of Oaks, de eenmansband van Timothy Showalter, krijgt Best Kept Secret een eerste triomftocht voorgeschoteld. Het verhaal is bekend: op zijn recentste – en beste – plaat HEAL raakte Showalter eindelijk met zichzelf en zijn demonen in het reine, en dus ging de loner folk overboord. Vintage Amerikaanse rock à la Springsteen, The Cure, U2 en The Hold Steady vulden de leemte op.

Als er een iemand content is dat hij weer kan lachen, dan is het Showalter zelf wel. Een concert lang, van de extatische rock in “Goshen ‘97” tot de meanderende reverbgitaren in “JM” (zijn ode aan Jason Molina), kan-ie z’n geluk niet op. Showalter speelt alles met de aanstekelijke bravoure en toewijding van iemand die de keerzijde van de medaille maar al te goed kent. Dat maakt de soms rommelige versies van zijn songs ruimschoots goed – Strand Of Oaks speelde absoluut geen foutloze set. Heeft “For Me” de viriliteit van een container viagra-pillen, dan valt “HEAL” nogal loom uit. “Sterling” ramt erop los, “Plymouth” is net te veel U2 – moesten we (mvs) daar even in toom houden dat ie niet in een “In the naaaaame of loohoove” zou uitbarsten. Wanneer Showalter aan het eind het publiek vooraan in de armen valt, weet je dat alles vanop de juiste plek kwam. Hartje, Timothy.

Nederlanders die naar een festival afzakken, dat moet wel voor de sfeer zijn. Gevolg: vijf minuten te laat toegekomen bij Chet Faker en een set lang tussen een bende gibberende hipsters moeten vertoeven. Vreemd, want de Aussie begint zijn set op Best Kept Secret met aanstekelijke neohousebeats, die meer doen denken aan de elektronica van Caribou dan de lome R&B van debuut Built On Glass. “Melt” bedient zich van een funky ritmesectie, en met de heerlijke Blackstreetcover “No Diggity” slaat de vlam meteen in de pijp. Met “Blush”, “1998”, en “I’m Into You” en heeft Chet Faker evenwel ook stevig buskruit uit zijn eigen arsenaal voorhanden. Hitsige SBTRKT-elektronica en een lichte retrovibe: nu nog iets doen aan die belachelijke naam, en deze man is klaar voor een vaste stek op de festivalaffiches van de komende jaren.

Terug naar het hoofdpodium, waar de niet bepaald boomlange Kristian Mattson blijk geeft van een gestaag groeiende status. Even dachten we dat The Tallest Man On Earth op deze weidse stek ietwat verkeerd gecast zou zijn, maar niets daarvan. The Tallest Man On Earth claimt moeiteloos het grote podium. Er is verbazingwekkend veel volk opgedraafd voor de warme folk van deze man en de aan Dylan herinnerende twang in zijn stem. Ons hoogtepunt is “The Wild Hunt” – nog steeds een instant oorwurm – maar het overgrote deel van het publiek hangt gezellig de volle zestig minuten aan zijn lippen. Indrukwekkend.

Tijd voor een legendarische band die met zijn onovertrefbaar debuutalbum Psychocandy (1985) lichtjaren geleden haast op zijn dooie eentje een volledig genre – shoegaze – uitvond en meteen ook het begrip wall of sound op een volstrekt unieke manier herdefinieerde. Goed nieuws: de Schotse broertjes Reid spelen met hun The Jesus And Mary Chain, versie 2015, een quasi perfect concert. Alles, letterlijk alles, past nog naadlozer in elkaar dan een scheermesje op een naakte huid. Die perfect uitgebalanceerde, zelden eerder zo goed gehoorde geluidsmix! Die heerlijke mistflarden van twee rookmachines in overdrive! Die moordend accurate drummer die alle melodieuze lawaai-uithalen nog net binnen de lijntjes houdt! Bovendien blijft zanger Jim Reid nog altijd cooler dan een dozijn ijsbergen in uw diepvries, moét gitarist William Reid simpelweg al dertig jaar geleden stiekem een patent hebben genomen op de eeuwige omschrijving “stofzuigersound” en blijkt Psychocandy ook live een aha-erlebnis.

Helemaal mooi wordt het natuurlijk in de bisnummers. Van hun zelfs ooit door The Pixies gecoverde, vlekkeloos gebrachte “Head on”, over “Some Candy Talking” tot en met de ultieme zelfmoordhymne “Reverence”, het wordt allemaal even vlekkeloos, heerlijk onderkoeld, gebracht. Neem het van ons alsjeblieft op een briefje: dit was een nog beter concert dan hun al indrukwekkende passages op Pukkelpop 1988, Neurorock 1990 en de AB in 1992. Yep, oude wijn in oude zakken kan soms pijnlijk mooi klinken en ja; wij komen u persoonlijk stalken als u nu al niet druk bezig bent een ticket voor hun mistige verschijning op de Lokerse Feesten te boeken.

The Libertines zijn naast headliner ook de grootste gok van de dag. Pete Doherty passeerde hier vorig jaar al met zijn Babyshambles, en dat was alleszins geen concert voor de geschiedenisboeken. ’t Is altijd iets met het enfant terrible: ofwel komt-ie niet opdagen, ofwel heeft hij te veel drank achterovergeslagen, ofwel heeft hij gewoon geen zin het serieus te nemen. Intraveneus plezier heeft hij naar het schijnt al een tijd achter zich gelaten, maar dat hebben we in het verleden nog al gehoord.

Als Doherty en Barât “The Delaney” inzetten, is het dan ook even je hart vasthouden – even, en dan smelten alle twijfels weg. De twee partners in crime kunnen het weer opperbest met elkaar vinden, en van de vroegere hommeles is geen spat te vinden – magisch wat een vette cheque voor een reünie met een mens kan doen. Er wordt tempo gemaakt met rammelvehikels als “Since Forever”, “Boys In The Band”, en “Music When The Lights Go Out”, en terwijl Doherty nog een glas cognac naar binnen giet, waagt Barât zich aan de magnifieke ballad “What Katie Did”.

Er is geen houden aan de goesting van The Libertines.”Last Post On The Bugle”, “Don’t Look Back Into The Sun”, “Tell The King”, “The Good Old Days”: deze setlist staat bol van de jengelende garagerock. De songs rammelen langs alle kanten, en laat dat nu net zijn wat deze band zo legendarisch gemaakt heeft. Dat, en het gevoel voor zelfspot en ironie dat Doherty nog steeds niet kwijt is: “What A Waster” wordt ingeleid met een droog “Here’s a little song I like myself”, veelzeggend als je de tekst erbij neemt (“Where did all the money go? / Straight up her nose”). In de bissen vat de rauwe energie van “Up The Bracket” de set perfect samen. Als de sterren op een lijn staan, hebben The Libertines nog steeds alles in hun huis dat hen tot een mythische britpopband maakte: de controverse en attitude, maar evengoed de songs en de power. Foo Fighters de beste rockgroep van nu? Bullshit. Wie een headliner nodig heeft, hoeft niet ver te zoeken. Al houden we, afgaand op het nieuwe, reggaegetinte en hopeloos flauwe “Gunga Gin”, wat betreft dat net opgenomen nieuwe album een slag om de arm. We zien wel als dat in de winkel ligt; u leest het dan sowieso hier.

Dessert? Dessert. Van Dame Blanche naar moelleux au chocolat bij Blanck Mass, dat van glaciaal op zijn eerste plaat naar vurig en dansbaar ging op de tweede. En zo bouwt Benjamin John Power – zeg maar: vijftig procent Fuck Buttons – zijn set dan ook op: eerst de majestueuze, statige geluidskathedraal “Sundowner”, waarmee hij het zelf tot in de openingsceremonie van de Olympische Spelen in Londen schopte, en dan langzamerhand meer en meer beats in de mix gooien tot er al eens voorzichtig met een been gezwaaid kan worden: Netsky is het nog altijd niet, en dat is maar goed ook. De aan alle kanten open Three tent blijkt helaas niet de ideale locatie voor dit soort ruisgeluid, zeker niet als ze nauwelijks gevuld raakt; de vele noiselagen die Power opbouwt waaien al eens weg, ook de soms abrupte wisselingen tussen songs helpen niet om een echte trip te creëren, en zo is Blanck Mass niet helemaal zo overtuigend als we gehoopt hadden.

En daarmee is het welletjes geweest. Het begint ondertussen zacht te druppelen, nauwelijks zit uw enoladelegatie aan zijn tent of die regen wordt te intens om nog na te praten. Slaapwel dan maar? Het zal wel moeten; en dat we volgend jaar opnieuw die grote tent met voorplaats meenemen. Of waar dacht u dat de beste enolaplannen worden gesmeed? Daar, bij een slok rum, ja.


Dag Twee

Best Kept Secret 2015 gaat zijn tweede dag in. De WiFi-verbinding in de persblokhut is ondertussen quasi onbestaande, maar de muziek valt wel mee en het eten is goed, dus uw festivalteam blijft op post -– de liefde van mannen gaat door de maag, niet waar?

Good morning, Hilvarenbeek! Met een fris gemoed, en een stevig ontbijt van de Breakfast Club achter de kiezen, trekt uw team er op uit. Doel: de tofste muziekjes ontdekken, en ons hart vooral niet te hard verliezen aan een schone Spaanse. Want laten we duidelijk zijn: die van Mourn zijn op zijn best nét legaal, en in het geval van de bassiste verre van. Bijzonder dus dat dit stelletje tieners uit Barcelona zich laat inspireren door het grungeste van de jaren negentig, toen hun geboorte voor hun flaneldragende ouders nog slechts een verre toekomstdroom was, maar het werkt meer wel dan niet. De drie meiden vooraan hebben een stel stevige riffs in de aanbieding (dat vette “Misery Factory”!) en weten die steevast ook met de nodige melodie aan te vullen. Dat hun debuutplaat slechts twintig minuten duurt, en er om een set van drie kwartier te vullen, al eens een nauwelijks half af nieuw nummer tussen moet, helpt niet om de aandacht vast te houden, maar het doemerige slotnummer “Silver And Gold” maakt met zijn spookvocalen veel goed. Als dit is wat de eurocrisis met de jeugd doet, dan mogen we ons binnenkort aan een ware Griekse golf verwachten.

In het Engeland van David Cameron gaat het er blijkbaar een pak zonniger aan toe, want de pop van Fickle Friends is zo fluffy en lichtgewicht dat de wind er bijna mee aan de haal gaat. Dat de muzikanten rond Natassja Shiner klinken alsof ze er al een volledige carrière als coverband hebben opzetten helpt ook niet; zo generisch wil zelfs GlaxoSmithKline ze niet maken. Red ons, alstublieft. Of neen, laat maar: doen we toch zelf even, want zijn we benieuwd naar het antwoord op de vraag van de dag.

En die is: hoeveel bekers bier krijgt David Achter De Molen naar z’n kop gemikt? De frontman van de Nederlandse punkband John Coffey werd vorige week wereldberoemd nadat hij op Pinkpop een welgemikte beker bier opving terwijl hij over het publiek liep – “the most rock ’n roll thing you’ll see” kopte TIME Magazine – en dat zal heus wat nieuwsgierigen naar Stage TWO gelokt hebben. Achter De Molen heeft echter geen zin om die band van die ene virale video te worden, en bijt het fenomeen meteen de nek om. “Hoeveel mensen zijn hier vandaag gekomen om te zien of ik nog een biertje kan vangen? Jullie mogen langs daar vertrekken”, lacht de zanger met een kwinkslag; en weg zijn ze.

Het alternatieve plan van John Coffey: de tent inpakken met vuige, door de modder gesleurde punk. Achter De Molen is het soort frontman die geen seconde stilstaat, en de rest van de band volgt in zijn zog. “Sun” is een song over – surprise – de zon, maar kan evengoed over thermonuclaire wapens gaan. “No No Calamity” wordt aangekondigd als “een dansliedje”, maar ontaardt vooral in hossen en headbangen. Dat dit een thuismatch is, speelt alleen maar in hun kaarten. Zelfs wie een nachtje doorgetrokken heeft op de camping (Fuck you “Original Party People” en jullie boombox aan de schommels!), was na John Coffey klaarwakker.

Meer Spaanse schonen, maar dan van elders. “We come from Madrid, and there they don’t have this dream, so: we’re happy!” , looft Carlotta Cosials van Hinds Best Kept Secret en zijn safaripark, maar de dames lijken toch niet helemaal in de mood te zijn om ons uit onze sokken te rammelen. Op drumster Amber Grimbergen, die de boel recht houdt, kunnen de dames vooraan immers nog steeds voor geen meter spelen, en waar ze dat doorgaans goedmaken met een hoop enthousiaste charme en gegiechel, hapert het nu wat. Dat het geluid ook niet helemaal juist staat, waardoor hun hobbelende popsongs niet de nodige impact krijgen, helpt niet. Toch schuilt er ook vandaag een belofte in songs als “Castigadas En El Granero” of “Trippy Gum”, en blijft het half geschreeuwde “Bamboo” (Spotifyen, die handel, of neen: YouTube maar: we gunnen u een verzetje) een absolute hit. Met het onweerstaanbare “Gabba gabba hey” refrein uit “Davey Crocket” is het na een kleine veertig minuten gedaan; tijd voor deze meiden om te vieren en ongetwijfeld meer pinten te drinken. Zeggen wij: waren ze beter vroeger aan begonnen, dan waren ze er harder tegen aan gegaan; nu misten we wat overtuiging.

Waarna Outfit zoveel rafeligheid een glad tegengewicht mag bieden met het soort pop dat in de jaren tachtig ongetwijfeld op goedkeuren was onthaald. Horen we: echo’s Talk Talk, toefje Phoenix, en af en toe de dansbaarheid van Hot Chip. Missen we: goeie songs, en melodieën die langer dan dertig seconden blijven hangen. Zeggen wij: verdomme, ‘t is tijd dat we nog eens wat gaan schrijven in die blokhut aan het water. Tot straks!

En dan daagt het ons plots dat Arcade Fire mensen ook op slechte ideeën kan brengen. Op de One Stage grossiert het IJslandse Of Monsters And Man immers in drammerige nummers vol loze kreetjes, en lalala’s die zelfs Chris Martin om een béétje inhoud doen smeken. Komt er niet, en vragen wij ons dus uit pure verveling af: praat iedereen rond Reykjavik écht zoals Björk, of doen ze dat enkel eenmaal het vliegtuig is geland? Gelukkig dus maar dat er nog die ‘instant classic’ – het soort one hit wonder waarop de eerste De Afrekening-cds zijn gebouwd – “Little Talks” is; goed voor drie minuten hersenloos trompetlijnen en “Hey!” meebrullen. Wij content, kunnen we weer verder met ons leven.

Met The Jesus And Mary Chain en Ride zijn de grootheden van de shoegaze goed vertegenwoordigd hier op Best Kept Secret, maar de drie leden van het Londense Cheatahs staan klaar om de fakkel over te nemen. Eigenlijk hadden ze hier vorig jaar al moeten staan, maar door omstandigheden werd die passage geannuleerd. Een herkansing dus, en het wordt er een die het trio met twee handen grijpt. Cheatahs ligt duidelijk dichter bij The Jesus And Mary Chain dan bij de melancholie van Slowdive; withete gitaren, scherpe drums en zonnige noisewolken schieten recht naar de dansspieren en ons hart. Een band om in het oog te houden.

Al lang niet meer gezien, maar nu ze een gitarist minder tellen en met Kintsugi een plaat meer (achtste alweer), was het tijd voor Death Cab For Cutie om nog eens naar Europa af te zakken. Het wordt een blij weerzien, want met een setlist op festivalmaat, maakt de band voor eens en altijd komaf met het label “weners”. “New Year”, “Crooked Teeth”, … het zijn songs die er potig en stevig komen uitgeknald, als heeft Ben Gibbard op dat vlak écht wel een punt te maken. Heeft hij ook, maar hij haalt zijn gelijk.

Natuurlijk; veel afwijken van de plaatversies doen deze uitvoeringen niet. Je komt niet kijken naar Death Cab For Cutie voor de langgerekte solo’s of de zwaar vernieuwde interpretaties van klassiekers, maar wie graag eens meezingt met zinnen als “if the silence takes you, then I hope it takes me to” (uit enige radiohit “Soul Meets Body”) is hier aan het goeie adres. Fijne setlist, overigens, met een perfecte dwarsdoorsnede van de laatste platen van de band. En vertel het vooral niet verder, maar we hebben die door twee rekruten vervangen Chris Walla niet eens gemist. Sorry, Chris!

Meer weerzien, maar dan van het “hadden we nooit meer verwacht”-soort: Ride. Eenmaal My Bloody Valentine en Slowdive de ban hadden gebroken, kon het niet anders of ook Andy Bells band moest weer bij elkaar komen. Een tien minuten durend “Leave Them All Behind” is een openend statement dat meteen laat horen waarom dat absoluut geen slecht idee is. Waar die twee genregenoten uitblinken in sonische kathedralen, blijft Ride eerst en vooral een popband die de rechte lijn tussen Stone Roses en Britpop een duwtje richting shoegaze gaf. Je hoort waar het jonge Blur zijn mosterd haalde, de stofzuigergitaren van het vroege Oasis, en geweldige nummers waarop het aardig dansen is vooraleer Bell en frontman Mark Gardener “Chelsea Girl” met loeiharde feedback uit de rails trekken en we héél even echt in shoegazeland zijn aangekomen. Te laat om te blijven hangen, want is dat daar The Vaccines die we horen beginnen?

Jawel! En de Britten vliegen erin met korte, furieuze songs die de drie-minutengrens streng in het oog houden. “Handsome”, meezinghits “Wreckin’ Bar” en “Wetsuit”, de gierende postpunk van “Ghost Town” – een voor de hand liggend beginsalvo, maar daarom niet minder effectief. Jammer dus, dat The Vaccines dat tempo al snel moeten lossen. Zo gaat dat natuurlijk als je nog altijd teert op een ondertussen vier jaar oud debuut. Niet dat het daarna volledig armoe troef is geworden, maar op Best Kept Secret merk je wel hoe weinig het publiek echt geïnteresseerd is in hun volgende twee platen.

Instant oorwurm “Teenage Icon” is daarop nog een fijne uitzondering, maar daar blijft het ook bij. “Bad Mood”, de funky elektronica van “Minimal Affection” of de Coldplay-stadionrock van “Give Me A Sign”: The Vaccines had de geweren wel geladen, maar waren de veiligheidspal vergeten uitzetten. “All In White” en “If You Wanna” – quod erat demonstrandum: beide vanop de debuutplaat – moeten aan het eind de meubelen redden. The Vaccines zitten met een probleem, dus, maar we hebben ons ondertussen toch meer dan een halve set de longen uit het lijf meegebruld.

En dan moet ene Noel Gallagher nog langskomen. Die stek bovenaan de affiche heeft-ie natuurlijk niet te danken aan zijn soloplaten, maar wel aan wat daaraan voorafging: Oasis, en de bijhorende soapserie die de broers Gallagher stilaan van hun band hadden gemaakt. En aangezien de oudste Wenkbrauw zowat iedere Oasis-klassieker zelf geschreven heeft, durft hij op deze set ook al eens uit dat repertoire te putten – al amuseert hij zich teveel met zijn huidige band om zich helemaal te laten definiëren door het verleden. Terecht, overigens: de High Flying Birds zorgen voor een stevige, professionele rockshow en de blazers die hij op plaat binnensleurde, doen powerhouses als “Everybody’s On The Run” en “In The Heat Of The Moment” breed uitwaaieren.

En toch. Wanneer de Oasissong “Fade Away” aangesneden wordt, begin je toch even heimwee te krijgen naar die nasale Sturn und Drang in Liams stem. Want, laat duidelijk zijn: Noel is een erg matige zanger, en wanneer de songs dat niet kunnen wegsteken, zoals in “Riverman”, “AKA … What A Life” of “If I Had A Gun”, klinkt-ie al gauw saai en belegen. Maar dan haalt zijn band gewoon even uit met “Dream On” of “Champagne Supernova” – en komt je kritiek toch een beetje voor lul te staan.

Met uitzondering van dat overbodige “AKA … What A Life” is het laatste kwartier niks minder dan een les muziekgeschiedenis. Eerst “Digsy’s Dinner”, daarna magistrale en luid meegescandeerde versies van “The Masterplan” en “Don’t Look back In Anger” en je toch weer dat ongeduld voelt. Wordt het niet stilaan tijd om toch maar werk te maken van die Oasis-reünie? De Gallaghers weten zelf ook best wel dat ze niet zonder elkaar kunnen.

Schor gezongen rest ons maar één ding meer: de keel smeren en dansen. En waar kan dat beter dan op de Four Stage waar DJ St. Paul al drie dagen lang vriend en vijand uitnodigt om een set te draaien. Klootzakkerigste move van één van die gasten: eindigen op een plaat van Portishead; “you can take it from here bro!”. Geen wonder dat die opvolger er maar niet in slaagt ons een beetje in de sfeer te krijgen. Beter dan Portishead wordt het dan ook niet. Tot morgen.

Dag Drie

Opstaan. Slaap uit de ogen wrijven. Tent in de regen opbreken. Dag Drie start niet onder een goed gesternte, maar eenmaal we zo’n American ontbijt achter de kiezen hebben – half verkoolde porc chops, the breakfast of champions! – komt er dan toch wat lucht in onze duffe kop. Waren dat te veel pinten gisteren? Definieer te veel.

En stellen wij vervolgens Mike Pattongewijs de vraag “Wat is dit? Pukkelpop 2001”? Alsof nu-metal en boze punkpubers nog steeds de rigueur zijn, staat Marmozets met het volume op dertien in onze rug te brullen dat horen en zien vergaan. Wij hechten aan onze oren en ogen, en hebben daarenboven een gevoelig hart. Wij vluchten.

Meer nog: we zijn den bos in, want daar staat Stage Five, waar Binkbeats iets verschrikkelijk interessantigs staat te doen door elektronische muziek te creëren met échte in-stru-men-ten. Tofkens, vooral als de brave mens Aphex Twins “Windowlicker” netjes begint over te doen met behulp van een marimba en andere onzin. Gimmick? Misschien. Goed genoeg om een dag mee te beginnen terwijl buiten nog even een stevige drasj neerkletst? Absoluut.

De zon is er – eindelijk! – en Waxahatchee heeft een set klaarstaan die dat zomergevoel perfect grijpt. Qué? Waxahatchee, zomers? Reken maar. De vergeten parel van Best Kept Secret kwam bewijzen dat haar songs niet altijd donker en zwaarmoedig hoeven aan te doen. “Under A Rock” zette de toon voor een uur kletterende garagerock waarin aan normaal aan de ribben klevende songs hertimmerd werden tot een snedige set op maat van een warme festivalweide.

In “Less Than” worden de gitaren een wolk, “Lips And Limbs” gaat voor de bijl met een zwierige nonchalance, en de vlagen postpunk maken van “Air” een zwaar rockende, bijna psychedelische ervaring. In “La Loose” komt zowaar een stukje gospel naar boven; zo onbevangen klonk deze band nog nooit. Af en toe wordt Katie Crutchfield nog een beetje tegengewerkt door haar eigen schuchterheid of een geluidsman die een minuut nodig heeft om te merken dat een microfoon niet aan staat, maar het mag duidelijk zijn dat Waxahatchee stilaan klaar is om uit haar undergroundstatus te breken.

Drie kwartier, krijgt Mew ter zijner beschikking in de Two. Voor een progrockband is dat peanuts, en dus doet het Deense kwartet zijn uiterste best om er het meeste uit te halen met een set die all killer, no filler is. Toch blijft het een ongemakkelijk zicht, nu de bandleden op deze tour voor het eerst niet gedomineerd worden door visuals achter hen. Nu pas valt op wat voor houterig frontman Jonas Bjerre is, hoe potig, randje patserig, gitarist Bo Madsen en teruggekeerd bassist Johan Wohlert spelen. Het zorgt voor een pak minder sfeerschepping, maar met een setlist die enkel topsongs serveert, is dat slechts een miniem gebrek.

Potig wil immers ook zeggen: strakker dan de elastiek van Maggie De Blocks broek. Tijd voor pauze is er niet, songs worden met woeste tempowisselingen aan elkaar geweven. Met “Beach” climaxt de set een eerste keer, “Snow Brigade” is daarna het begin van een finale waarvoor nog eens diep in doorbraakalbum Frengers wordt gedoken. Geen episch “Comforting Sounds” vandaag – daarvoor ontbreekt de tijd – wel het uit elkaar spattende duo “Am I Wry? No” – “156”; droompop van een uitstekend jaar die perfect afsluit. Maar geef de jongens deze herfst toch maar eens de tijd om een volledig concert te geven, ergens.

Vraagje tussendoor: hebben wij iets gemist? Alvvays – pal tussen Dum Dum Girls en Best Coast geparkeerd – had vorig jaar weliswaar een sympathiek debuut in de rekken liggen, maar hoe zijn die in godsnaam opeens zo groot geworden? Er is veel volk op de been voor het Canadese indiegroepje, en bovendien slaagt de band er probleemloos in die mensenzee in te pakken. Dit was met grote voorsprong de revelatie van deze driedaagse. Natuurlijk: jonge meisjesstemmen, catchy en zonnige dreampop en fuzzy gitaren – dat werkt nu eenmaal op een festival in een kleine tent, maar Alvvays heeft ook gewoon steengoeie songs. “The Agency Group”, “Ones Who Love You”, “Adult Diversion”, “Archie, Marry Me”: Alvvays surfte van het ene hoogtepunt naar het andere, en dat met amper één plaat onder de arm. Enkel wie potdoof of onherroepelijk verzuurd is, wordt niet verliefd op deze band.

Deze dichter is geen ziener: wie ons vijf jaar geleden had verteld dat de zusjes Söderberg een Main Stageact zouden worden, hadden we gek verklaard. Toch is dat net wat First Aid Kit op het strand van de Beekse Bergen bewijst. Klara en Johanna laten de frêle countryfolk voor wat die is, en zetten hun songs met de hulp van een drummer en een slidegitarist stevig aan. Het mag; zoals gewoonlijk laten de Zweedse zusjes zich enthousiast gaan in de outro van opener “The Lion’s Roar”, ook later spat de pret bij moment van het podium. Met plezier halen ze het huppelende (als u niet op de dramatische pubertekst let) “Our Own Pretty Ways” nog eens boven, en het blijft moeilijk te geloven dat deze song ooit werd geschreven door een veertien- en een zestienjarige. Als u niet op de dramatische pubertekst let.

Met een joyeus “Heaven Knows” breekt de zon toepasselijk helemaal door, en geen Black Sabbathcover kan de duisternis opnieuw oproepen. Verbazend letterlijk overigens, hoe het viertal zich van “War Pigs” kwijt. “Wat een vreemde botsing van werelden” prevelt (jvb) naast ons, negerend dat hij zelf een Dylan en Sabbathfan in zijn borst koestert. Het is game, set and match voor First Aid Kit dat zelfs een matig beantwoord meezingmomentje in “Emmylou” nog als een overwinning kan wegzetten. Wordt de komende jaren ongetwijfeld nog groter, dit duo.

“Wat moet een mens hiermee?” vragen we ons vertwijfeld af bij Future Islands. Eén felbesproken verschijning op Letterman was voldoende om het al jaren in de marge klungelende synthgroepje een hit te bezorgen, en Samuel T. Herring een fenomeen te maken. Er zijn dan ook kosten aan de geblokte frontman: danst als die zatte nonkel die op dat trouwfeest laatst tot genoegen van het personeel een male stripperdans inzette, schakelt op de meest onverwachte momenten over op een horrorstem, en acteert zo over-emotioneel dat je een jeugd vol trauma’s vermoedt.

So far so good, maar dat elke song, of ze nu “The Chase”, “Lighthouse” of “Before The Bridge” heet, gelijkaardige synthlijnen en drammerige beats meekrijgt, helpt niet om een boeiende set te serveren. “It’s all one song”, vond Neil Young ooit droogjes over zijn werk met Crazy Horse, en dat was natuurlijk onzin. Vandaag is het meer dan waar, op dat “Seasons (Waiting On You)” – die single die domweg voor de doorbraak zorgde – na. We zijn Herring dus meer dan dankbaar dat hij alsnog voor het nodige entertainment zorgt door na afloop de frontstage in te duiken, en middels een palet tegen het hek, alsnog in de backstage te belanden. Naar verluidt heeft hij daar vervolgens een whisky besteld. Man naar ons hart; verdient beter dan deze groep waar we na deze zomer waarschijnlijk nooit meer iets van horen.

“Led Zeppelin”: dat schiet ons te binnen bij de lompe olifantenstampede die Royal Blood heet. Meer bepaald Led Zeppelin die ochtend dat Jimmy Page en Robert Plant nog ergens met een kliek groupies lagen te vossen, en John Bonham en John Paul Jones dan maar alleen begonnen. Iets met drum en bas dus, en dat het nogal drammerig was. Led Zeppelin is bijna 35 jaar wijlen (neen, die reünie zonder Bonham telt niet), misschien moet u die obsessie met dat hysterische geluid maar eens loslaten.

Elektronicanerds blijven hier in de Beekse Bergen een beetje op hun honger zitten, maar Sohn staat vandaag perfect geprogrammeerd om die leemte te vullen. Tenminste, daar was hij in geslaagd als zijn set iets minder naar prefab-James Blake of goedkope Jamie Woon had gesmaakt. Aardedonkere house, ontbeende beats, claps, minimal, R&B-zanglijnen: vijf jaar geleden was dat genoeg om als nieuwe Messias bestempeld te worden, nu klonk Sohn vooral als een makke stijloefening. Nee, dan hadden we liever nog een tweede keer Chet Faker op het podium gezien.

p>”Happy to meet everybody who hates Alt-J” toont gediplomeerde zot Dan Deacon in de Five meteen dat-ie op scherp staat. De kop gaat eraf met “Sheathed Wings”, compleet met de ADHD-beats en psychedelische euforie die je van de Amerikaan verwacht, maar dan moet het echte feest nog beginnen: Deacon is namelijk niet alleen knettergek, hij verwacht dat u dat ook bent. Gevolg: gigantische dance-offs en absurde interpretatieve dansopdrachten (de helft van de tent krijgt instructie te dansen als Daffy Duck, de andere moet het met Garfield doen) die zo goed als altijd in lichte chaos ontaarden. Wanneer de glinstertechno van “Wham City” en de pletwals genaamd “Snookered” finaal weggeëbd zijn, zie je alleen maar mensen die niet weten wat hen net overkomen is. Verplichte kost voor het verzuurde deel van onze samenleving.alt

Met Alt-J kiest Best Kept Secret voor een nogal onwaarschijnlijke headliner. Niet dat de band geen flinke fanbase heeft om op terug te vallen – zie ook hun vorige BKS-passage in een uit zijn voegen barstende tent – maar het showgehalte en charisma van de heren is eerder beperkt. Bovendien is, This Is All Yours, die moeilijke tweede die eerder vorig jaar uitkwam, ook niet het album om hele weides (pardon, stranden) mee in te pakken. Misschien zijn wij, als koele minnaars van die laatste worp, enigszins bevooroordeeld, maar de nieuwe songs lijken beduidend minder overeind te blijven op dit grote podium. Een pompend “Left Hand Free” doet nog zijn best, maar tijdens rustiger momenten – die eindeloze bisronde die uiteindelijk door “Breezeblocks” (!!) gered wordt – staan we ons toch vooral te vergapen aan de indrukwekkende lichtshow die de band heeft meegebracht: het ene moment lijkt het podium wel in brand te staan, om vervolgens over te schakelen naar een Kraftwerkachtige strakheid in groen en donkerblauw. Het beeld is er, maar aan het geluid is nog wat werk.

Hoe anders gaat het er aan toe tijdens de oude nummers: het publiek bewijst nog maar eens op zijn minst het refrein van “Mathilda” van achteren naar voren te kennen, en regelrechte wereldsongs als “Something Good” en “Dissolve Me” laten horen hoe goed deze band kan zijn, als ze het gefröbel met Miley Cyrus en het overbodige bochtenwerk van bijvoorbeeld “Every Other Freckle” maar achterwege zouden willen laten. Ook de cover-met-een-hoek-af van Bill Whithers’ “Lovely Day” waait zonder veel effect weg over het meer.

Niet verwonderlijk dus dat het grootste meezingmoment van deze set er pas komt als de band vertrokken is, dankzij een jolig groepslid dat snel nog even “Never Gonna Give You Up” over het terrein laat schallen. Al rickrollend richting Two dus, waar een groepje jonge Belgen voor een écht uitroepteken achter dit festival mag zorgen.

Want Stuff dus. Stellen dat uw man geen woorden heeft om de verbluffende set van dit Belgische vijftal (Nationale trots! Helden van het vaderland! Redders der natie!) samen te vatten kan een lui recensententruukje lijken; het is ergens ook gewoon een beetje waar. In tegenstelling tot (gp) zijn wij immers niet gediplomeerd in de Betere Jazzkunde, maar wij herkennen wel een stomende funkband als ze voor ons staat te grooven, en vertrouwen op onze ledematen als die oordelen dat alle kanten opschieten de best reactie is op wat het oor hoort. Quite our tempo, dit.

“Hij blaast hem kapot”, schiet het ons onze favoriete toeterrecensent te binnen als saxofonist Andrew Claes ontpopt tot showbeest. Zelden heeft jazz zo gerockt, zelden vloeide rock zo vrij en spontaan. Dit is virtuositeit die zich in dienst stelt van de groove, en zelfs al staat er op dit einduur nog slechts een kluitje volk voor het podium van de Two; platgewalst is het meer dan overtuigd, en een “we want more”-koor blijft aanhouden, zelfs al heeft de band met een buiging duidelijk gemaakt dat dat er echt niet meer in zit.

En daarmee is Best Kept Secret 2015 ook weer deel van de geschiedenis. Het mag dan misschien niet de beste editie zijn, met weinig échte hoogtepunten en weergoden die wel eens wat beter hun best hadden mogen doen, mooie momenten, stukjes om te koesteren hebben we dan weer wel gezien. “Boek je ticket voor 2016 vandaag al voor 99 euro”, blokletterden affiches zondagochtend een vroegboekactie. We hopen dat u van dat vriendelijke aanbod hebt gebruik gemaakt. Ons ziet u in volgend jaar elk geval terug. En tot dan: bedankt voor het lezen.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

drie × twee =