Speedy Ortiz :: Foil Deer

Van een beetje noise is nog nooit iemand doodgegaan, en dus duwt Speedy Ortiz u zonder schuldgevoelens hun tweede langspeler onder de neus. Waarom zou het viertal uit Boston iets nieuws proberen als ze ook gewoon keet kunnen schoppen met het lekkerste dat de jaren negentig te bieden hebben?

Ingewijden zullen niet schrikken van Pavement-referenties in een bespreking over Speedy Ortiz: frontvrouw Sadie Dupuis was vroeger immers werkzaam in een vrouwelijke covergroep genaamd Babement. Maar ook haar eigen muziek is gebaseerd op het kruim van de lo-fi indie rock van de jaren negentig, zij het dat Speedy Ortiz prat gaat op een behoorlijk vol geluid waarin vooral noisepop erg aanwezig is. De groep stoeit op bevlogen wijze met de nalatenschap van Dinosaur Jr., maar laat daarbij het schaapachtige achterwege, ten voordele van Dupuis’ meer potente vocals en dito lyrics. Haar dartele melodieën worden in een hoekje gedreven door vervaarlijk gierende dissonante gitaren, alsof Sonic Youth plots energieke popsongs zou schrijven. Zo rechttoe-rechtaan als Ex Hex klinkt Speedy Ortiz vooralsnog echter niet, daarvoor bevat Foil Deer te veel verrukkelijke nuances.

Nochtans trapt hun tweede langspeler behoorlijk vlotjes af. Opener “Good Neck” vloeit naadloos over in de aanstekelijke grunge van “Raising The Skate”, waarin Dupuis onder begeleiding van een heerlijk hoekige elektrische gitaar declameert: “I’m not bossy/I’m the boss”. En nee, dat is geen knipoog naar de titel van Sinéad O’Connors meest recente plaat, of we moeten ons heel erg vergissen. Het poppy “My Dead Girl”, met zijn meerstemmige refrein en gebroken akkoorden, klinkt dan weer alsof Hole een zeldzame goede dag heeft, terwijl gitaar en zang de klauwen in elkaar slaan om op nietsontziende wijze de bloempjes van de conservatieve buurman plat te trappelen in “Ginger”. Dat laatste nummer schikt zich naar de wetten van de klassieke ninetiesrock maar klinkt tegelijkertijd heerlijk eclectisch dankzij een explosieve post-punkvibe.

En dat is nog niet alles. “Puffer” ramt de luisteraar zowaar splinters van een vaak verguisd genre van rond de eeuwwisseling door de strot: met zijn eigenzinnige mengeling tussen powerakkoorden en brutale dissonantie strandt het nummer op een zucht van wat doorgaans nu-metal heet – zonder de onuitstaanbare puberkreten van een overjaarse Fred Durst welteverstaan. Maar wat gisteren onherroepelijk fout was, is vandaag “gedurfd”, en Speedy Ortiz komt er dan ook mee weg. Het is een nummer dat zeker nog over de tongen zal gaan.

Daar waar het ingetogen “No Below” nog een van de hoogtepunten van Speedy Ortiz’ debuutalbum vormde, zijn dergelijke rustige momenten zeldzamer op Foil Deer. “Homonovus” doet aanvankelijk weliswaar een stoïcijnse koorddans boven een ravijn van dissonantie, maar in het refrein worden de distortionpedalen resoluut ingetrapt en gillen de gitaren als feeksen op de brandstapel. En ook “Zig” begint als een zorgeloze natuurwandeling, totdat donkere gitaardonderwolken aan de horizon opdoemen. Men moet niet wachten tot de storm voorbijgaat maar leren dansen in de regen, en dus steekt Dupuis een meezingbaar refrein af: “How many laps does it take/To decide you’re back at the start?” Het melodieuze “Mister Difficult” durft zelfs in zee te gaan met een vreemde maatsoort, terwijl een kermende gitaar zich subtiel tegen de zang aanschurkt. Dichter bij een power ballad zullen Dupuis en co niet snel komen.

En dan is er de heerlijke afsluiter, waarin de gitaren zachtjes rammelen met een bedrieglijke onbedachtzaamheid, alsof de strofe een rauwe, dissonante variant van “Something In The Way” is. De speelse zangmelodie vermag echter niets tegen de genadeloze powerchords en stompende drums die de finale van Foil Deer inluiden. Lang voordat de laatste klanken zijn uitgestorven, heeft de luisteraar door dat de nieuwe Speedy Ortiz natuurlijk geen eigentijdse Nevermind is. Maar het is wel een forse uithaal van een groep die het warm water niet meer moest uitvinden.

Foil Deer is een gevarieerde plaat vol potige ninetiesrock, een schip dat met een zelfverzekerde Sadie Dupuis aan het zwalpende roer door dissonante wateren klieft. Hun geluid is een pak rijker en interessanter dan de onrijpe jarennegentigpunk van het ook door Pitchfork gehypete Mourn: Speedy Ortiz zorgt ervoor dat uw trommelvliezen meer dan verzadigd achterblijven.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

drie × 2 =