Thurston Moore :: 14 november 2014, Arenberg

Zowat dag op dag een jaar geleden kon Thurston Moore aan het werk gezien worden met Chelsea Light Moving, in het voorjaar bracht hij noisepoëzie in een Brussels achterafzaaltje, ergens tussendoor verscheen het laatste album van Twilight, de metalband waar Moore tijdelijk lid van was en die ondertussen opgedoekt is. En sinds de week van Pukkelpop is Moore onder eigen naam de baan op, met een band waarmee hij zopas The Best Day uitbracht.

Here’s a man with a lust for life, om het met zijn eigen woorden uit de titeltrack van die plaat te zeggen. Waar dit gezelschap, dat verder bestaat uit meestergitarist James Sedwards, My Bloody Valentines Debbie Googe op bas en de vertrouwde Steve Shelley achter de drumkit, op Pukkelpop met een van zijn eerste shows al behoorlijk wat indruk maakte, is het amper drie maand later in de Arenberg helemaal raak.

Dat concert draait, zoals de man dat al sinds begin jaren tachtig doet, rond de meest recente worp. Door te beginnen met de kleppers “Forevermore” en “Speak to the Wild”, samen goed voor zowat een half uur, zorgen Moore en zijn band er voor dat de avond in twee delen uit elkaar valt. De eerste twee songs moeten het hebben van hun gelaagdheid, de sfeerschepping bijna. Tijdens “Forevermore”, dat na minutenlang gitaargepiel een explosieve intro meekrijgt, speelt Moore meermaals zowel zichzelf als het publiek in trance.

Klinkt dat nummer op podium explosiever dan we gewend zijn, dan krijgt ook “Speak to the Wild” zijn extra touch, door een groovende bas die als ondersteuning dient voor de groep die door een spel van vertragen en versnellen de song een bijkomende spannende dimensie geeft.

Een opgedreven “Germs Burn” luidt een meer frivoler luik van het concert in. Hier lijkt de jonge Moore het voortouw te nemen: er mag zonder omwegen gerockt worden. “The Best Day” klinkt schaamteloos catchy en wanneer Moore en Shelly in “Detonation” op speelse wijze het tempo opdrijven en de noten gierend uit Moores gitaar komen, is het onmogelijk om niet aan de vorige band van beide heren te denken.

De echo’s van die groep zijn ook hoorbaar als in de bisronde teruggegrepen wordt naar Psychic Hearts en “Ono Soul” een krankzinnige explosief jasje aangemeten krijgt. Het lijkt wel of iemand enorm veel zin heeft het uit dezelfde periode daterende “The Diamond Sea” nog eens te spelen. Binnen de kortste keren worden alle gitaren richting versterkers gekeerd en werkt het gezelschap zich door een zee van noise alvorens, cool as fuck, de draad van de song opnieuw op te nemen en de laatste catchy tonen over het publiek uit te strooien.

Het is moeilijk om niet in superlatieven over Moore te schrijven en het is evenmin gemakkelijk daarbij referenties aan zijn bekendste band achterwege te laten. Het is ondertussen misschien allemaal niet meer zo verrassend wat de man doet, maar de kwaliteit blijft onmiskenbaar aanwezig, zowel op plaat als op het podium, waar hij, net als tijdens de meest bevlogen concerten van zijn oude band, een vonk doet ontstaan die zorgt voor een adrenaline-injectie propvol met de door hem bezongen lust for life. Als hij aan dit tempo verder gaat: tot in de lente!

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

16 + 13 =