Brussels Vocal Project + The Red Hill Orchestra :: 14 november 2014, De Bijloke

Zelden zo’n merkwaardige combinatie gehoord als die avond in het Kraakhuis van Muziekcentrum De Bijloke. Intrigerend, dat wel, en eigenlijk best verfrissend én uitdagend, al dacht duidelijk niet iedereen daar zo over. Their loss, want we hoorden twee concerten die de verwachtingen inlosten. Zij het op een heel andere manier, in uitersten van het jazzspectrum.

The Art Of Love, het album dat het Brussels Vocal Project onlangs uitbracht, kon best wel tellen als visitekaartje. Het sextet kreeg een aantal composities aangereikt van een handvol Belgische jazzcomponisten en nam eentje van wijlen Pierre Van Dormael als uitvalsbasis en titelnummer. Het was een vakkundig ingeblikte plaat, waarin verschillende stijlen afgewisseld werden, maar je merkte toch dat het live allemaal net wat beter tot z’n recht komt. De soms wat statische composities van het album bloeiden open, kregen meer energie en leven.

Met “All Is One” werd de rijkheid van de zes stemmen mooi belicht in een statige eerste helft en een tweede die speelser terrein betrad, met ritmische zang en de lage stemmen die haast aan het beatboxen sloegen. De combinatie van al die aparte zangstemmen, van sopraan (Frédérike
 Borsarello‐Trésallet) tot bas (Gilles Wiernik), kwam dan weer geslaagd tot uiting in “Olive Tree”, voor de band geschreven door Fabrizio Cassol (Aka Moon). Het einde, waarvoor de leden even zonder micro zongen, voelde gelukkig ook niet aan als een gimmick. Dat het arrangeren van die stemmen een kunst op zich is, werd aangetoond door “The Music Of Chance”, dat enorm weelderig en gevarieerd klonk.

Natuurlijk speelt ook dat visuele aspect mee: de lichaamstaal, de gelaatsexpressies, het instinctief vormen van sub-groepjes van stemmen. Zo kon een opgewarmd gezelschap een expressief hoogtepunt maken van “The Dancer’s Echo”, terwijl afsluiter “The Art of Love” de cirkel rond maakte door opnieuw aan te knopen bij de elegantie van de eerste song. Dat gepolijst nog niet hetzelfde is als (te) glad, laat staan flauw, werd met verve aangetoond. Mooi.

Zo gestroomlijnd als het eerste concert klonk, zo ongrijpbaar klonk dat van The Red Hill Orchestra, het drietal Jozef Dumoulin (Fender Rhodes, elektronica), Ellery Eskelin (tenorsax) en Dan Weiss (drums). Hun kersverse debuutplaat Trust trok de lezer al mee in een troebele, donkere en soms semi-ondoordringbare wereld van onbestemde klanken, grillige patronen, vrije verkenningen en onbegrensde expressiviteit. Het was dan ook best grappig om te zien dat Dumoulin en Eskelin de blik aanvankelijk star op de bladmuziek gericht hielden en die een groot deel van de tijd leken te volgen.

Ondanks het feit dat gewerkt werd met nieuw materiaal, waarvan het merendeel, maar niet alles, op het album terechtgekomen was, ging de band verstandig om met een opbouw die bijna vijf kwartier uitgerold werd. Het startte allemaal erg mysterieus en ingetogen, met sobere cimbalenwrijvingen van Weiss en die onbestemde klankenwereld van Dumoulin, die zoals gewoonlijk onophoudelijk in de weer was met zijn toetsenbord, maar ook de talloze effectenknopjes. Snel belandde het trio in een vreemde groove, aangezwengeld door de baspatronen die Dumoulin met de linkerhand uit een extra keyboard haalde.

Vanaf dan was de band vertrokken voor een performance die even raadselachtig als veeleisend klonk, het ene moment verkennend alsof de drie geblinddoekt rond elkaar wentelden, maar ze konden zich een paar tellen later plots in een eensgezinde koers terugvinden of te buiten gaan aan van de pot gerukte ideeën. Zo besloot Weiss om zijn snare drum om te draaien en zo op zoek te gaan naar nieuwe geluiden. De drummer was dan ook de grootste verrassing voortdurend spelend en wisselend van stijl en textuur, soms met minimalistische patronen en dan weer excentriek of met heftige uitvallen, waardoor ze belandden bij een onheilspellende rockvibe.

Eskelin paste prima in die context, al zou je ‘m ook uit de duizend herkennen, met die eigenzinnig kringelende stijl, die wars van clichés of gemakkelijk geweld een eigen koers uitstippelt. De muziek kon zo blijven aftasten, vloeien of in gulpen eruit stromen, soms flirtend met fusion uit de vroege jaren zeventig én met moderne, minimale elektronica of gebroken funkritmes. Soms duidelijk verankerd in een traditie van de jazz, maar net zo vaak als een soundtrack bij een sci-fi-film. Voor sommigen was dat duidelijk te veel van het goede, en halverwege het concert begon een deel van het publiek buiten te druppelen.

Het klonk allemaal heel erg cutting edge, op het snijvlak van door en door hedendaagse stijlen of interpretaties, waarbij de muzikanten ondanks hun individuele persoonlijkheden en stijlen (zelfs binnen de wereld van hun instrument kan je geen van de drie conventioneel noemen) soms probleemloos op een lijn gingen staan, en als het ware één ondoordringbare massa vormden. Dan speelde het trio op z’n sterkst, tussen surreële, soundtrackachtige klankschetsen en broeierige jazzverbastering.

Weiss was intussen steeds heftiger gaan drummen, maar het culminatiepunt was afsluiter “The Gate”, op Trust al goed voor een van de meest geslaagde momenten en nu een échte climax, waarbij de drummer uithaalde met de furie en precisie van een Billy Cobham, maar ook erg mooi in elkaar haakte met een plots ontketende Eskelin. De eerder stoïcijnse koppen van ervoor vertoonden ineens een veelzeggende glimlach. De klik was er, meer dan ooit. Heel andere koek dan de eerste band dus, en jammer dat sommigen er geen oren naar hadden. Vertrouwd en makkelijk klonk het zeker niet, maar wie de oren spitste kreeg een stel topmuzikanten te horen dat meer dan eens die spreekwoordelijke som van de afzonderlijke delen wist te overtreffen.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

een × 2 =