Fear Is A Man’s Best Friend :: John Cale vindt richting in waanzin

“Hoe word je een solo-artiest?” John Cale stelde zich die vraag niet toen hij in 1968 door Lou Reed aan de deur werd gezet bij The Velvet Underground. Hij ging dat wel even regelen. Het zou toch iets meer tijd vragen, zo bleek. Pas in 1974, in het midden van zijn waanzinnigste drugsjaren, zou hij zichzelf met Fear en de twee platen die het jaar nadien volgden opnieuw ontdekken als rocker.

“Ik kijk niet neer op het verleden. Totaal niet: ik ben er echt van overtuigd dat het beste nog niet gerealiseerd is. Maar ik denk ook dat ik wel alleen kan zien wat dat dan wel is.” De woorden staan ergens halverwege John Cales samenvatting van Lou Reeds beslissing om niet meer met hem samen te werken, in autobiografie What’s Welsh For Zen?. Maar zo eenvoudig zou het niet zijn. Na jaren van samenwerking met een van de grootste songschrijvers van de jaren zestig en zeventig, moest de voormalige violist van The Velvet Underground wel degelijk een en ander uitzoeken over waar het dan precies heen moest. Vijf lange jaren en ongeveer evenveel richtingen zou het duren, maar in 1974-’75 zou hij met drie platen eindelijk zichzelf opnieuw uitvinden als de rocker die hij altijd al was geweest.

Zwalpen

Want zelfs al had hij dan altijd het gevoel gehad dat hij eigenlijk alleen, vooraan, op het podium moest staan, echt ervaring had Cale niet op dat vlak; hij had nog nooit een song geschreven, en bij The Velvet Underground, met Lou Reed dominant aanwezig, ging hij er ook niet aan beginnen. “Ik legde me dus maar toe op het arrangeren van onze songs”, zo klinkt dat dan in het boek. “Maar ik begon in die dagen wel degelijk zelf teksten te schrijven. En ik vond het verschrikkelijk belangrijk wat Lou er van vond.”

Dat klankbord valt dus weg in 1968, wanneer Reed Sterling Morrison en Moe Tucker voor de keuze stelt: Cale buitengooien of het einde van de band. Waar het dan heen moet met hem, weet Cale niet meteen. Iets op zichzelf, dat zeker. Producer worden? Misschien. Hij zet zich achter de knoppen voor voormalig Velvet Underground-zangeres Nico’s The Marble Index (1968) en Desertshore (1971), en speelt en passant ook wat altviool op Nick Drakes Bryter Later. Op aansturen van CBS-bons John McClure neemt hij in 1970 ook het instrumentale Church Of Anthrax op met hedendaags componist Terry Riley; een klassieke muzikale opvoeding mag uiteindelijk ook gehonoreerd worden. En dan is er nog die eerste echte soloplaat die datzelfde jaar verschijnt: Vintage Violence, dat wars van zijn titel vol aangename folkpop staat.

“Sommigen vonden dat ik nooit Britser klonk dan op dat album, anderen dan weer dat ik nooit minder dan The Velvet Underground ben geweest. Ach, ik ontwikkelde mijn eigen sound. Maar mijn solocarrière leverde ondertussen wel platen op die elk op zich totaal verschillend klonken.” Cale liegt niet. Drie jaar ver op zijn eentje heeft hij al folk gehad, hedendaags klassiek, en de avant-garde van de Nicoplaten. En zo zou hij verder zwalpen. Nog wat klassiek? Hop, daar brengt hij in 1972 The Academy In Peril uit, en het jaar nadien, als een logische uitloper ervan: Paris 1919, waarop songschrijverschap en mooie orkestraties elkaar ontmoeten. Wist Cale wel wat hij wilde?

Natuurlijk niet. Hij mocht ondertussen dan wel de heroïne achter zich hebben gelaten door van New York naar Los Angeles te vluchten, daar meteen gezellig mee aan de coke te gaan was misschien niet het beste idee. De labiele Cynthia Wells, voormalig lid van Frank Zappa’s geflopte groupieband GTO, als vriendinnetje en vervolgens als vrouw nemen ook niet. Cales leven is een puinhoop, zelfs al hebben vrienden hem een gezapig baantje bezorgd als rare kwiet onder de producers van Reprise Records. En dus volgt in 1973 een nieuw uitwijkmanoeuvre. “Ik dacht dat ik meer kans had om mijn creativiteit op gang te krijgen door naar Londen te trekken en een live-artiest te worden”: het was niet eens zo fout gedacht.

Gekeeld varken

Bewijsstuk in casu: June 1st, 1974, een liveplaat waarop Kevin Ayers, John Cale, Nico en Brian Eno, samen met een hoop muzikanten waaronder Robert Wyatt en Mike Oldfield, een aantal songs brengen. Veel van Ayers, en daarnaast ook “The End” in de bekende Nico-versie. Maar het zou vooral de eerste keer worden dat Cale Elvis Presleys “Heartbreak Hotel” genadeloos uitbeent tot de van hartenpijn vergeven klassieker die hij tot vandaag zal blijven brengen. En voor het eerst voelt Cale opnieuw hoe plezant het kan zijn om op een podium te staan en te rocken. Ver weg van folk en van de strijkers en blazers voelt Cale hoe er weer een vuurtje gaat branden.

Een zomer later is er op die eerste oktober Fear; Cales vierde soloplaat alweer, maar misschien wel de eerste waarop hij echt zijn eigen smoel vindt als solo-artiest. En daarvoor durft hij zonder schroom opnieuw aan te knopen bij zijn eigen verleden. “Standing, waiting for a man to come”, luiden de openingszinnen in een knipoog naar “Waiting For The Man” van The Velvet Underground, maar al snel zal titelnummer “Fear Is A Man’s Best Friend” een andere wending nemen; het wordt een afdaling in de waanzin die eindigt met een Cale die schreeuwt als een gekeeld varken, terwijl de instrumenten rond hem uit elkaar vallen. “Het is een idee; het gaat over paranoia”, zou Cale het nummer samenvatten.

Zo heftig wordt het later niet meer. Fear wiegt bij momenten gemoedelijk, als in “Barracuda” of “Buffalo Ballet” met zijn cynisch “we all joined in and we all joined hands”-refrein, of is zelfs vlakaf mooi als in “You Know More Than I Know”; een gevolg van ochtenden vol Beach Boys-songs vooraleer hij aan het schrijven ging. En op de achtergrond staken al eens wat vrienden een handje toe, zoals de album credits laten lezen. Roxy Musics Phil Manzanera speelt gitaar, Brian Eno wordt “Eno zijn” toegeschreven. Dat is dan ook de rolverdeling op “Gun”: de eerste speelt een solo, de laatste bewerkt die meteen via zijn synth. Het resultaat is een acht minuten durende stamper die live vaak in destructief geweld zou ontaarden.

Want dat zou volgen. Om opvolger Slow Dazzle (Missie: “ik wilde zien of ik ook singles kon schrijven” – wel, een beetje, maar niet echt met commercieel succes), die nauwelijks een half jaar later in april 1975 uitkwam, te promoten trekt Cale voor het eerst sinds 1968 op tour. En het bevalt. “Zodra ik ermee begon, wist ik dat ik niets liever deed. Het was ook een tijd waarin ik niet goed wist of ik dat ook wel kon, optreden, en dus moest ik wel uit mijn dak gaan. Het waren nogal brokkelige optredens, maar het was wel erg bevrijdend.”

Het is een understatement. On stage ontbindt Cale zijn duivels. Kan Fear de razernij die die openingstiteltrack belooft niet aanhouden, dan is dat live anders. En de rocker doet er alles aan om zijn zoektocht naar hoe hij ook een frontman kan worden boeiend te houden voor het publiek. Tijdens één tour maakt Cale er een punt van om song per song een kostuum uit te trekken tot hij zo goed als naakt staat met enkel een zonnebril op. Muzikaal improviseert hij erop los, tot jolijt van gitarist Chris Spedding. Het gaat ook al eens mis op die manier, maar dat is dan maar zo; net dat is wat hij zocht in dat live spelen.

Achter de schermen valt alles echter uit elkaar. Vrouwlief Cynthia, wel nog verslaafd aan de heroïne, doet haar huwelijkstrouw weinig eer aan, schopte scènes,…. Het zou geen maanden meer duren voor ook dat huwelijk op een scheiding, Cales tweede, zal uitlopen. Tussen alle chaos door vindt Cale echter nog tijd om Patti Smiths Horses te producen, en dan neemt hij nog snel in drie dagen van achttien uur Helen Of Troy op. Het zal zijn laatste plaat voor Island Records worden, want wanneer de Welshman nadien opnieuw op tour vertrekt, zal die platenfirma de demo’s zelf afwerken. Cale is woest als hij in Zweden onverwacht een promopersing van zijn nieuwe plaat te zien krijgt, bedingt nog enkele wijzigingen voor het definitieve album, maar verlaat het label nadien.

Toch blikt hij niet ontevreden terug op die laatste plaat. “Eigenlijk sta ik er van te kijken hoe coherent die plaat nog was, gezien de turbulentie in mijn leven op dat moment. Ach, als je het jezelf maar moeilijk genoeg maakt kun je jezelf altijd verrassen.” Hij heeft gelijk. Helen Of Troy moet niet onderdoen voor wat vooraf ging, en klinkt zelfs opnieuw gevaarlijker dan het gepolijstere Slow Dazzle. En dat met Phil Collins achter de vellen.

Opgenomen op zo’n korte tijd kan het niet anders zijn dan de plaat van een groep. Helen Of Troy heeft de rauwe energie van een optreden, waar her en der blazers (zoals in de potige titelsong) en andere tierlantijntes zijn over gesmeten. Met “I Keep A Close Watch” bevat het zelfs één van Cales sterkste ballads. En er waren ook twee covers: de klassieker “Baby What You Want Me To Do” van Jimmy Reed en “Pablo Picasso” van Jonathan Richman. Het album laat horen hoe John Cale een performer is geworden; iemand die het moment van een optreden kan grijpen.

John Cale is opnieuw geboren, maar dat wil niet zeggen dat de waanzin zijn greep de jaren nadien zal lossen. Het befaamde incident waarbij hij tijdens een concert een kip onthoofdt dateert uit 1977. Het zijn de jaren van de punk, een genre waar hij met productiewerk voor The Stooges een half decennium eerder mee de fundamenten voor heeft gegoten. Dat hij er de juiste man voor was getuigt in dat door de Sex Pistols gezegende jaar de Animal Justice EP, waarop zijn cocaïnegekte meeloopt met de tijdsgeest. De koers is daarmee definitief gekozen, en bereikt in 1979 zijn hoogtepunt op de woeste concertplaat Sabotage/Live. Zelfs al was hij ooit begonnen als begaafd jongetje bij het Welsh Youth Orchestra, en zou de klassieke wereld hem blijven roepen: John Cale was eerst en vooral een rocker in hart en nieren, zo had hij nu wel begrepen, en zijn solocarrière had eindelijk de richting gevonden die ze de komende decennia als koers zou aanhouden.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

1 × een =