Cactus Festival 2014 :: zingen tussen de zwanen

Midden juli, zwoel maar toch regenachtig en grijs? Dit moet het Cactusfestival zijn. Waar ecologisch bewustzijn probeert samen te gaan met de obligate hamburger of vette friet. Waar anders vind je dürum, pannenkoeken, bakbananen en pompoenpittenballen naast elkaar. Cactus is bij uitstek een familiegebeuren, een plaats waar in de namiddag de bloemendragende tieners vooraan staan, terwijl ma en pa wat verder een pint drinken.

Vandaag is dit niet anders. Terwijl Coely haar jeugdige fans aanmoedigt om dapper mee te zwaaien en te swingen op haar muziek, gaat (kvp) op zoek naar de persruimte, die goed weggestoken zit tussen de vrachtwagens backstage. Rap een stoeltje gezocht, eh voila, live vanuit het Minnewaterpark: het Cactus-liveverslag.

Die Coely kan trouwens echt wel zingen, en ze weet bovendien heel goed hoe ze een publiek moet entertainen. Ze is duidelijk weer in topvorm na haar spoedoperatie van vorige week.

Andere koek is The Notwist. Ze gaan goed van start, maar al na het tweede nummer zijn ze het publiek kwijt. Die hebben moeite om deze knoppenduwende en rockende mannen te plaatsen op dit festival. De relevantie van hun aantreden is onduidelijk, een festivalpodium op klaarlichte dag is zo te zien niet hun biotoop.

Wie wel in zijn sas is, en gaandeweg het publiek verovert, is M Ward. Met zijn hese, ruwdonkere stem hangt hij al eens de gevoelige singer songwriter uit, maar ook de mantel van de rocker past hem perfect. Zijn laatste album A Wasteland Companion dateert al van 2012, dus echt recent werk krijgen we niet te horen. Wat dan wel? Vlammend gitaarvuurwerk. Bovendien wordt M Ward bijgestaan door 2 drummers, waarvan er één parttime akoestische gitaar speelt. De singer songwriter maakt graag gebruik van een volledig podium, hij stuitert van de ene kant naar de andere, en schudt ondertussen letterlijk solo na solo uit zijn gitaar. Het is dan ook niet verwonderlijk dat na een half uur zijn snaren het begeven. Net op dat moment zakt de set ook in elkaar.
Gelukkig herpakt hij zich snel en perst er een eindspurt van jewelste uit, met onder andere “California Sun” opgedragen aan de vannacht overleden Tommy Ramone. Trouwens, dat ohs en ahs niet alleen door stadionrockers gebruikt kunnen worden, wordt bewezen in “Absolute Beginner”. Alleen klinkt het hier een stuk geloofwaardiger dan bij de Coldplays van deze wereld. Met een welgemikt surflied en “Roll over Beethoven” stuurt hij ons wandelen. Klaar en opgewarmd.

De maag begint te knorren, maar toch eerst nog Admiral Freebee meepikken, zo ver gaat onze toewijding. Tom Van Laere stond een uurtje geleden M Ward te bewonderen in de frontstage, en dat is niet zo verbazend, want ze delen een passie voor rootsmuziek. Wat ze ermee doen, is wel totaal verschillend.
Het is drummen voor het podium en in de frontstage, dus we weten nu al wie volgens het publiek het voorlopige hoogtepunt van de dag wordt. Van Laere steekt onmiddellijk van wal met “Blues for a Hypochondriac”, en breit er een U2 slot aan vast, met flarden “Bullet The Blue Sky” en “Desire”. De man kent zijn klassiekers. Op het podium staan ook 2 blazers, die voor de echte meerwaarde zorgen: “Always on the Run” wordt damn funky. Ook “Do what you got to do” op piano is een voltreffer. Alle songs krijgen een uitgesponnen live versie, maar vervelen doet het nooit, mede door Jasper Hautekiet op bas. En dan zijn er nog die blazers, zelfs “Einstein Brain” valt terug in de smaak. Dat ze top waren, die blazers. Of hadden we dat al vermeld?

Tijd om de exotische eettoer op te gaan, alhoewel we de Afrikaanse insecten links laten liggen. Maar wel voor heel eventjes van de partij: de zon. Ondertussen is een bekende commerciële tv-zender er in geslaagd het park te overspoelen met blauwe en groene diadeempjes. Gretig gedragen door jong en oud, nuchter of dronken.

Bij Admiral Freebee was het onmogelijk om vooraan te geraken na de start van zijn set, maar bij Jamie Woon kan je na 20 minuten al slenterend nog altijd tot aan de 10de rij geraken. Drukker was het op dat moment aan de eetstandjes, de bar, of gewoon ergens midden op het terrein.

Behalve de hitjes “In the Night”, “Lady Luck” en “Shoulda”, brengt de Brit nog verschillende songs uit zijn debuutplaat “Mirrorwriting”, maar we kunnen ze moeilijk uit elkaar houden. Steeds dezelfde beats, met Woons lichte soulstem. Mooi en toonvast, dat wel, maar betoveren doet het niet echt. Een gemiste kans, te wijten aan de programmatie. Beter ware het geweest Admiral Freebee, Arsenal en Selah Sue achter elkaar te programmeren. Maar door Jamie Woon ertussen te plaatsen, was er een duidelijke breuk in de flow van het festival.

Dat Arsenal gekomen was om te feesten, is al na 30 seconden duidelijk. Het hele optreden lang loopt John Roan onvermoeibaar over het podium, jut de mensen op, en danst erop los. Als spreekbuis van de groep overtuigt hij de mensen er moeiteloos van na een lange festivaldag voor hem op en neer te springen. De setlist bestaat voornamelijk uit gekende nummers, zoals “Longee”, met een uitgesponnen gitaarsolo. Sprongen ook in oog en oor: “Temul (Lie Low)” uit het nieuwe album “Furu”, “Estupendo” en Braziliaans feestje “Saudade”.

Een dikke pluim ook voor zangeres Leonie, die vokaal meer dan haar mannetje staat tussen al dat testosterongeweld. Ook zij jut gretig het publiek op, kijkt gemaakt boos en draait met haar welgevormd achterste. Op het einde komt rapper Baloji op het podium bij “Personne Ne Bouge”, wat hij dus net niet doet. Arsenal op Cactus 2014? Een dik, vet feestje.

Afsluiter Selah Sue komt alleen het podium op. Ze gaat het optreden rustig opbouwen zegt ze. En dat is jammer, want na pletwals Arsenal wil iedereen gewoon verder feesten, niet rustig luisteren. De uittocht naar huis begint dus al vroeg in haar set. Gelukkig weet de Leuvense nog steeds te betoveren met haar stem. Haar nieuw werk klinkt veelbelovend, en ook de gekende nummers kwamen mondjesmaat door de set, zoals “This World” en natuurlijk “Raggamuffin”. Het vermelden waard is ook “Little Girl”, waar ze goed op gang komt, en al rappend het podium inpakt. Mooi om zien. Maar dan omgordt ze haar akoestische gitaar weer, en is het uit met de danspret. De volgende keer toch maar geen hoge hakjes aan, lieve Sanne?


Dag Twee

Gras dat het langzamerhand heeft opgegeven om zich nog op te richten, modderpoelen die zich her en der vestigen alsof iemand daar om had gevraagd, de geur van verschaald bier zonder veel alcohol. Dit moet wel een festival zijn, en dan meerbepaald Dag Twee. Cactus is er niettemin klaar voor wanneer wij rijkelijk laat — de bloemkool met kaassaus bij moeder was te succulent, mijnheer — ook arriveren.

Is er ook klaar voor, en heeft zijn set aan de omstandigheden aangepast: School Is Cool, dat al het hermetische van zijn laatste clubtour afgelopen lente heeft afgevijld, en in ongenadig daglicht zijn waren aan de man probeert te brengen. Dat dat niet al te vlot loopt, ligt minder aan de goesting van de groep — die is er wel degelijk — dan aan het feit dat de songs van nieuwe plaat Nature Fear een pak minder instant-meeklapbaar zijn. Ook in ietwat vertimmerde vorm klinkt “Black Dog Panting” nog steeds niet bepaald als Coldplay, en “Tusks” mag dan een aanstekelijk diepe basdreun hebben, terwijl Johannes Genard opzwepend danst als een sjamaan, het is bepaald hoekig en onvoorspelbaar in zijn bewegingen.

Zelfs al is de humor nog steeds intact — “Het is de verjaardag van onze bassist. En nu een liedje over De Dood” –, dit is niet meer de olijke, voor-al-uw-festivals-geschikte feestgroep die het twee zomers geleden was. Het is eigenlijk veel interessanter geworden, nu de vrolijke bende van toen een beetje zelfbewust arty-farty werd en met opzet moeilijk is gaan doen. Al wordt ook niet overdreven. De wavy eighties-synth die “The Underside” meekrijgt is maar al te publieksvriendelijk, net als de punky opstoten “The Soothing Sound Of Breaking Bones” en “Blue Jeans”. “Warpaint” blijft een topsingle die ook nu hakt als de betere bosbeheerder. Toch duurt het tot het afsluitende oudere singleduo “The World Is Gonna End Tonight” en, natuurlijk, “New Kids In Town” voor er wat beweging in de massa komt. Flauw jongens; dit optreden verdiende veel meer.

En van de volgende hadden we zelf dan weer een iets betere prestatie verwacht. Vaak zien we Conor Oberst immers niet op een festival, en om op zeker te spelen bracht hij dan maar een backing band mee. Dawes, heet die, op zichzelf een alleraardigst groepje dat sympathieke countryrock brengt, maar hier al te vaak té potig om de voormalige Bright Eyes-frontman afdoende te ondersteunen. Zolang er ook op zijn festivals wordt gerockt als in een aanstekelijk “Zigzagging Toward The Light” of “Old Soul Song (For The New World Order)”, blijven de songs overeind, maar wanneer het iets ingetogener mag, stommelt de groep uit lompigheid helemaal over zijn werkgever. Gaan op die manier de mist in: een “We Are Nowhere And It’s Now” dat tederheid mist, en een flauw “Night At Lake Unknown”.

Even vrezen we dat alles om zeep is, maar in de eindspurt — niet toevallig nadat Dawes even een eigen nummer mocht brengen? — vinden band en aanvoerder dan toch een precieuze balans. “If The Brakeman Turns My Way” klinkt eindelijk zoals het zou moeten, en het pianoloopje van “Lover I Don’t Have To Love” kerft in de ziel als vanouds. Met een rustiger “I Got The Reason” en een opzwepend “Another Travelling Song” rondt Oberst zelfverzekerd de werkzaamheden af: dan toch niet kopje-onder gegaan, maar nipt gewonnen op punten. Eerlijk? Echt voldoende vinden we dat niet voor Oberst.

Intergalactic Lovers op het podium, eten in de hand. Maar al bij al weten Lara Chedraoui en de haren in de verlengingen alsnog te scoren. Waren we nooit echt te vinden voor de manier waarop de zangeres steevast tegen de limieten van haar stembereik aanhikt, dan blijkt dit het geschikte uur voor de popmuziek van de Aalsterse groep. Nog steeds klinkt alles een weinig flauw, maar aangevuld met gitarist Filip Weies (van Motek), horen we toch meer tanden dan de groep op plaat in huis heeft. Hitje “Delay” gaat er bij dit publiek in als zoete koek, en Chedraoui laat de “oohoohooh”‘s van het refrein met graagte aan hen. We steken nog een hapje van onze gehaktbal weg (eettip, dat Balls & Glory), dromen wat mee, en bestellen nog een laatste pint, want Mark Lanegan en Greg Dulli komen er aan.

Meesterzet van de Cactusorganisatoren, overigens, om boezemvrienden Mark Lanegan en Greg Dulli vlak na elkaar te programmeren. En dus duikt de Afghan Whigs-frontman al in de bissen van die eerste op om samen “Hit The City” en een knallend “Metamphetamine Blues” te brengen. We hebben dan al drie kwartier van de donkere bluesrock van de voormalige Screaming Tree mogen genieten, en de interactie met Dulli is meer dan welkom. Zelfs al is Lanegan een pak levendiger dan normaal — zagen we daar al eens een arm bewegen en hoorden we een soort van bindtekst zijn mond ontsnappen? — zijn diepe bariton kleurt toch nog altijd het mooiste bij een tweede stem. Voorts hoort u ons echter niet klagen over een set die onder andere nog het potige “Gravedigger’s Song” in petto heeft, al was het mooi geweest als de man de hem toebedeelde ruimte ook had vol gemaakt in plaats van een kwartier voor tijd het podium al weer af te wandelen.

Zo onderkoeld als Lanegan het echter speelt, zo gepassioneerd is Dulli. Van bij de brute opener “Parked Outside” en het al even gedreven “Matamoros” is duidelijk dat dit concert er pal op zal zijn. Wat zeggen we? We geloven niet dat we Afghan Whigs ooit al bezielder en strakker hoorden spelen — ook niet in de nadagen van de jaren negentig voor de split toen we hen voor het eerst zagen, neen. Dit was het soort optreden dat om seksmetaforen sméékt, welaan dan: wat Afghan Whigs brachten was voorspel, zinderende daad, en heerlijk natrillend naspel in één lang orgasme.

Houdt dat geen steek? U was er niet bij, veronderstellen we. En dan gaat het niet eens om dat “Spread your legs” dat Dulli opdiept uit “On The Corner” van Twilight Singers, zijn andere groepje. Elke riff, of die nu van “The Lottery”, “It Kills” of “Honky’s Ladder” is, schroeit, elke “Baaaaby” is een steek door het hart, en dat zijn dan nog maar wat nummers van de laatste comebackplaat of van een matige afscheidsplaat uit 1998. Steekt de frontman nog eens het vuur aan de lont van een échte klassieker, dan kan zelfs die seaking die ‘s middags boven het festivalterrein hing geen redding bieden. “Debonair” haalt zo vernietigend uit dat onze wenkbrauwen nog een beetje naroken bij dat “tonight I’m going to hell”, “Going To Town” — ingeleid met een flard “Another Brick In The Wall” — is de dollemanstrip die Dulli in de song belooft. Wat een machine deze band, wat een frontman.

Valt overigens ook op bij alweer een bloedstollend “Royal Cream”, dat eindigt in “Tusk” van Fleetwood Mac: hoe goed die nieuwe plaat toch wel is. Zelfs al bestaat de setlist voor een groot deel uit materiaal van dat nieuwe Do To The Beast, waarmee de groep begin dit jaar de comeback bezegelde; die songs kunnen zonder schaamrood naast de monumenten van weleer staan, ook wanneer Dulli “My Enemy” van nog wat extra percussie voorziet, en de drie gitaristen naast elkaar post vatten voor wat meer rock-o-rama.

En dan is het dus tijd voor Het Langverwachte Moment, wanneer Lanegan opnieuw het podium op mag, en het duo samen “The Stations” inzet, van die ene plaat die ze als Gutter Twins inblikten; een wondermooi moment, en de heren rekken het niet langer dan nodig. Met Lanegan meteen weer af is het immers tijd voor een finale die in de Cactus-geschiedenisboekjes mag. Iemand zet de pianolijn van “Faded” in, maar Dulli heeft er nog éven geen zin in en bouwt er een mooie cover van “Across 110th Street” van Bobby Womack over. En pas dan, als hij er helemaal klaar voor is, laat ie de festivalwei eindelijk finaal ontploffen. “Baaaaby” krijst de zanger over die bloedmooie gitaarlijn waar groepen als Mogwai Of 65DaysOfStatic een heel nummer op zouden bouwen, en alles gaat een klein beetje kapot op een mooie manier. “You can believe in me baby”, prevelt Dulli nog even zacht. Het heeft echter geen overtuigen meer nodig; ons geloof is volkomen hersteld. Benieuwd wat Massive Attack hier morgen tegenover te zetten heeft.


Dag Drie

Een festivaldag aan het begin van de werkweek? Het is ook voor ons nieuw en dus klapten we de laptop op tijd dicht om te vertrekken naar het Brugse Minnewaterpark. De das uitspelen en van schoenen veranderen lukte nog snel in de wagen.

De derde dag is ook voor Cactus zelf een specialleke: amper vier groepen op de affiche, waarvan de eerste drie onuitgesproken gedegradeerd worden tot voorprogramma van afsluiter Massive Attack. Austra, de Canadese synthpopband rond frontvrouw Katie Stelmanis, heeft de eer om deze laatste festivaldag af te trappen. Tijdens opener “What We Done” is het nog wat zoeken naar het juiste geluid – vooral de bas staat veel te luid. Een nummer verder moet de koebel er al aan geloven, en komen zowel band als publiek stilaan wat los. Een uitgesponnen “Home”, opgebouwd rond hetzelfde pianoloopje als in Bloc Party’s “One More Chance”, krijgt de handjes op de eerste rij (even) op elkaar, maar het is te weinig. Stelmanis is te afwezig en zoekt zelden contact met het publiek zodat er weinig connectie is. Wanneer de zangeres tijdens “Lose It” dan nog met gekke stemcapriolen in de hoogte begint, bedenken we ons dat Alison Goldfrapp dit alles véél beter doet: mét présence, mét leuke kostuums, en ook met veel betere nummers.

Ach wat, met de woorden van de lokale hiphoptrots (“‘t beste moe nog komm”) in het achterhoofd, steken we snel een wok met kip achter de kiezen om op tijd terug te zijn voor Jillian Banks. In vergelijking met Austra zit het geluid alvast beter en klopt het plaatje ook: zowel de Amerikaanse zangeres als haar gitarist en knopjesman zijn in het zwart uitgedost en de aankleding van het podium strookt met die van de nummers: minimaal en van alle franjes ontdaan. Banks’ geluid situeert zich onbeschaamd tussen The xx en Aaliyah en “Before I Ever Met You” zorgt ook meteen voor wat dreiging. Helaas gaat de machine meteen daarna al aan het sputteren. Banks oogt wat ziekjes en heeft ook duidelijk weinig progressie gemaakt sinds we haar een goed half jaar geleden in de Botanique aan het werk zagen. Het nieuwe “Drowning” wordt gelukkig wel met die intensiteit gespeeld die dit soort sombere nummers vraagt, en ook afsluiter “Waiting Game” beukt er knap op in. Laat dat debuut nu maar snel komen, Jillian, anders zou het wel eens over kunnen zijn nog voor het echt begon.

Een band waarvoor het inmiddels een kleine twintig jaar geleden al begon, is Mogwai. Van ophouden weten de Schotten echter niet, en dus moet je dit jaar al erg hard je best doen om deze heren te ontlopen: nadat ze in februari twee maal de AB vulden, en drie weken gelden Best Kept Secret net over de grens onveilig maakten, staan ze nu op Cactus, en binnen enkele dagen alweer op Dour. En alsof het maar niet opkan, spelen ze dit najaar ook nog eens in de Vooruit. Gelukkig wisselt de band vaker van setlist dan wij van verse sokken (zeker op een festival!) en komt het leeuwendeel van de nummers vanavond niet uit het wat teleurstellende Rave Tapes, de meest recente worp, maar wel uit voorganger Hardcore Will Never Die But You Will. Het bucolische Minnewaterpark vormt het ideale decor voor de langgerekte composities van de stugge Schotten, die zoals steeds weinig van zeg zijn en de muziek voor zich laten spreken.

Een perfectere soundtrack bij de ondergaande zon dan opener “White Noise” kan dit festival zich wellicht niet bedenken en ook “Friend Of The Night” — een van de mooiste pianonummers die de band ooit bijeenschreef — houdt het erg knus. Pas na twintig minuten, tijdens oudje “New Paths To Helicon, pt. 1”, trekken de heren voor de eerste keer alle registers open. Het funky krautrockritme van “Mexican Grand Prix” zet vervolgens even aan tot dansen, en wanneer de band niet veel later de tweede melodielijn van “Remurdered” onderdompelt in een poel van hete ruis, krijgen wij het moeilijk om niet euforisch te worden. “Cheers, goodnight”, klinkt het na exact een uur. Geen “Mogwai Fear Satan” als afsluiter, maar “Batcat” doet wat het moet doen; alles finaal nog eens flink dichtschroeien. Top.

De kinderen die op de eerste rijen om bekers schooien maken langzaamaan plaats voor prille dertigers, die nostalgisch terugdenken aan hun eerste lurk aan een komieke sigaret op de tonen van “Unfinished Sympathy” of “Hymn Of The Big Wheel” van Massive Attack. Heligoland, de laatste plaat van dit Britse collectief, dateert inmiddels van 2010 maar deze band speelt in dezelfde divisie als pakweg Kraftwerk: groepen die hun strepen al lang verdiend hebben en kwaliteit blijven belichamen en dus ook zonder nieuw werk moeiteloos overtuigen. De vergelijking met Kraftwerk houdt ook muzikaal steek met een backingband die zich netjes op één lijn opstelt, geruggensteund door gigantische schermen, en als opener meteen het mechanische ritme van het nieuwe “Battle Box 001” door de speakers jaagt.

Wanneer Robert Del Naja — aka 3D, het brein achter deze formatie — meteen erna de nijdige breakbeats van “United Snakes”, een nummer dat Heligoland finaal niet haalde, inzet, heb je door dat het de band menens is. Een beklemmend sfeer maakt zich meester van het Minnewaterpark. Logos van multinationals als Saab, Visa, Intel en Apple flitsen voorbij en worden uitgespeeld tegen bloedrode vlakken. De toon is gezet. Massive Attack is niet gekomen om zijn hits te spelen, of toch niet alleen maar. Zo is er geen plaats op de setlist voor “Karmacoma”, “Protection” of “Hymn Of The Big Wheel”, maar volgt wel een eigenzinnige bloemlezing uit eigen oeuvre, waarvoor 3D kompaan Daddy G mee heeft gebracht, net als reggae-icoon Horace Andy, zangeres Martina Topley-Bird, twee man op percussie, een gitarist en een drummer. Geen computer op het podium: niks in de handen, niks in de mouwen.

Allen samen houden ze de warme, geborgen kant van Massive Attack gevangen door hun Spartaanse, rigide spel. Een sinister “Risingson” bewijst dat het wel kan: een perfect geluid over een festivalwei spreiden. “Paradise Circus” wordt iets trager gespeeld dan op plaat, wat de dubby insteek van het nummer ten goede komt. “Future Proof” begint en eindigt op dezelfde wijze, met lieflijke bliepjes. Tussenin zit veel ingehouden agressie, dat pas tot uiting komt als een drumsalvo het nummer helemaal openrijt. Een “Teardrop” dat niet gezongen wordt door Elizabeth Frazer, zal altijd een beetje een cover blijven, maar toch zet Martina Topley-Bird een meer dan geslaagde versie neer. Haar hese stem snakt naar zuurstof over de kurkdroge beat. Ondraaglijk licht.

De bas van “Angel” die nog steeds los door alles heen klieft, de stevig rockende outro van “Safe From Harm” — waait de geest van Greg Dulli nog ergens rond? — en een giftig “Inertia Creeps” maken een einde aan de reguliere set. Tijdens de bissen bewijst Horace Andy met “Incantations” dat hij een hele grote mijnheer is en een prachtige versie van “Splitting The Atom”, met Horace Andy, Daddy G en 3D die de zang broederlijk onder hen verdelen, leidt het slotakkoord “Unfinished Sympathy” in. De klassieker wordt opgevrolijkt met roffelende drums maar krijgt een onaangename bijsmaak door de oorlogsfeiten over Israel en Gaza die geprojecteerd worden. “Palestiniens morts 166”, valt er te lezen, net wanneer de zangeres “How can you have a day without a night” zingt. Touché.

Dit was Massive Attack op zijn kilst, maar evenzeer op zijn best, al had de scène voor deze bende uit Bristol veel groter mogen zijn. De muziek, net als de beelden en de achterliggende boodschap vragen meer ruimte dan een stemmig Minnewater. Laat dat echter slechts detailkritiek zijn op wat voorts een puik optreden was. Moe maar voldaan werpen we ons hemd de wasmand in, en stellen we de wekker in. Een nieuwe werkdag lonkt, en daarna meer festivals. De zomer is nog jong.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

14 − vier =