Match & Fuse Festival :: 13-15 juni 2013, St. Hanshaugen Park (Oslo)

Op het internationale jazzplatform is de Noorse jazz (een noemer die veel ladingen dekt) bijzonder goed vertegenwoordigd. Voor een land dat amper half zoveel inwoners als België telt, worden er opvallend veel evenementen georganiseerd, zijn er schijnbaar talloze muzikanten actief in binnen- en buitenland en lijkt de muzieksector gespaard gebleven van de gekortwiekte subsidies. We mochten een stand van zaken van (een flank van) de Noorse muziek gaan opmaken op hun versie van het Match & Fuse Festival en waren nogal verrast door het innovatieve karakter van veel bands.

We willen daarmee niet gezegd hebben dat er in België geen talent rondloopt, integendeel, maar het is al langer dan vandaag bekend dat educatie en subsidiëring zich op een ander niveau afspelen. Veel meer nog dan bij ons worden muzikanten tijdens en na hun opleiding aangemoedigd om aan het experimenteren te slaan, nieuwe geluiden te zoeken. Dat is natuurlijk enkel mogelijk als daarvoor de nodige middelen vrijgemaakt worden (een boeiend artikel daarover valt hier te lezen), wat in het land zeker het geval is. Er bestaat een brede basis voor een stevig subsidiebeleid, dat de lokale muziek bovendien ook wil promoten in het buitenland. Het is er enerzijds makkelijker om steun te krijgen om concerten in binnen- en buitenland te bekostigen en anderzijds wordt actief gewerkt aan zichtbaarheid via buitenlandse media.

Match & Fuse, het concept

Het idee vond z’n oorsprong in 2011, toen een paar gelijkgezinde bands uit verschillende landen besloten om de handen in elkaar te slaan en een soort muzikaal uitwisselingsproject te beginnen. De bedoeling: een handvol concerten plannen in de respectievelijke landen en zelf zorgen voor de planning, promotie en logistiek. De nadruk lag meteen op jonge bands en eerder experimentele muziek, die regelmatig met een been in de jazz stond, maar ook resoluut op zoek ging naar nieuwe geluiden en combinaties. Bovenop de gelijkgezindheid en gedeelde ambities (de ‘match’), werd ook op verschillende manieren geprobeerd om die insteek te combineren: er werden workshops georganiseerd met lokale muzikanten en de bands gingen regelmatig de uitdaging aan om samen muziek te spelen (de ‘fuse’). Heel wat van deze artiesten maakten ook al hun opwachting op diverse edities van 12 Points, een showcasefestival voor jong jazztalent.

In 2012 leidde het tot een eerste Match & Fuse Festival in Londen, waarbij 17 bands uit 7 landen vertegenwoordigd waren. Voor de tweede editie van het festival trokken ze naar Oslo. Daar zouden 23 bands aantreden uit 10 landen, waarbij zowat de helft vertegenwoordigers van de Noorse scène en de andere helft uit Zweden, Finland, Denemarken, het Verenigd Koninkrijk, Ierland, Nederland, Frankrijk, Italië en Polen. Het resultaat: drie dagen genrehoppen met een bonte verzameling bands. De headliners waren stuk voor stuk zwaargewichten uit de Noorse muziek, maar de meerderheid van de andere bands was doorgaans vrij jong, met vaak slechts één of zelfs geen enkele release op het cv. Van amateuristisch geklungel was echter geen sprake en de sets waren doorgaans te kort om te gaan vervelen. Een tip voor andere organisatoren: er is NIKS mis met wat kortere concerten.

Oslo, de harmonie

Het cliché van de Noorse koelheid en harmonie is natuurlijk maar dat (dit is immers ook het land dat Mayhem en het alarmerende De Schreeuw van Munch voortbracht), al kan je niet anders dan vaststellen dat Oslo een verademing is in vergelijking met het overvolle, chaotische en amechtig ploeterende Brussel. De jonge bevolking glijdt er haast zorgeloos over straten die er doorgaans zeer verzorgd bijliggen, de hippe koffiebars doen er gouden zaken en van overdadig verkeer en psychotische chauffeurs is geen sprake. Hier heerst Koning Fiets. Het lijkt wel Amsterdam, maar dan ingetogener, in een sprookjesversie. Wat het meteen ook een verborgen pervers randje geeft, de belofte van dreiging onder dat volmaakte oppervlak. Misschien heeft die indruk wel te maken met de typisch Belgische gewoonte om voortdurend achterwegen te zoeken en net die pint te veel te drinken.

Wil je alcohol drinken in Noorwegen, dan zul je betalen en word je, op dit festival althans, verbannen naar de bierzone, strikt gescheiden van de rest van het terrein, waar je je biertje mag consumeren achter ijzeren hekken. Maar geen haan die ernaar kraait, want de bezoekers van dit gratis festival wandelen gemoedelijk het terrein op met goedgevulde supermarktzakjes vol frisdrank, BBQ-sets en vlees. Aan het einde van de dag valt er amper afval te vinden: het is de normaalste zaak van de wereld dat het gedumpt wordt in de vuilbakken of mee naar huis genomen wordt. Probeer het hier maar eens. En ondanks het feit dat het een gratis festival is dat plaats vindt in een mooi park, kan je je moeilijk voorstellen dat je met dit programma zoveel volk zou trekken in België. De Noren lijken door een decennialange ondersteuning van de kunsten meer ingesteld op vernieuwing en uitdaging. De muziek dan maar, alle 23 op een rij:

Donderdag 13 juni

Het vijfkoppige World Service Project past in een Britse traditie van bands als Loose Tubes en Billy Jenkins & The Voice Of God Collective, die zich met een gezond anarchisme door de jazztraditie begeven en in één beweging punkattitude en theatrale grollen erbij vermengen. De band was in 2011 samen met het Noorse Synkoke ook een van de grondleggers van Match & Fuse en heeft met toetsenist Dave Morecroft ook de hoofdorganisator in de rangen. Vanaf het begin pakten de vijf uit met knetterende composities die qua stijl en attitude soms wat verwant leken aan wijlen X-Legged Sally, met een forse dosis skronk van sax en trombone en een ritmesectie die regelmatig in de kromme funk dook.

WSP tastte regelmatig de grenzen van zijn snuggere composities af met stukken vrije improvisatie, zonder het helemaal vrijblijvend te laten worden. Dat werd dan ook mooi gecombineerd door de tricky timing en invloeden uit prog- en jazzrock die opdoken in songs als “Fire In The Pet Shop”, dat even een muzikale dierentuin werd. Hun laatste stuk bleef dan wel iets te lang in rondjes draaien, maar door het indrukwekkende groovy toetsenwerk en de expressieve blaaspartijen werd de aanstekelijke muziek van deze band de ideale manier om het festival voor geopend te verklaren. Enkel jammer dat een aanhoudende motregen aanvankelijk zorgde voor een zeer lage opkomst.

Het kleurrijke Color Dolor uit Finland trok zich even weinig aan van het lege festivalterrein. De release van debuutalbum Cuckoo In A Clock de dag erna moest immers gevierd worden en dat deed dit kwartet met overgave tijdens zijn eerste Noorse optreden. Deze keer leunde het nauwer aan bij het rockterrein, maar opnieuw viel er moeilijk een label op te plakken. Werd nog gestart met galmende gitaarpartijen en etherische trompetgolven, dan schakelden ze snel over naar theatrale pop met een soms ritualistisch karakter waarin de geest van Björk soms leek rond te waren en de rol van de geluidsman hem tot een vijfde groepslid maakte.

Zangeres Stina Koistinen liet horen dat ze het allemaal kan: verleidelijk flemen, stamelen als Sidsel Endresen en de keel van een blueszangeres opentrekken. De songs laveerden intussen tussen potige gitaarrock, mysterieuze pop (nog aangedikt door de kostuums) en atmosferische experimenten. Dit is het soort band dat je op de meest uiteenlopende genrefestivals kan plaatsen, van jazz (nergens zo’n flexibel begrip als in Noorwegen) en pop tot daverende rock, want door de nadrukkelijke percussie en gekapte gitaarpartijen van de finale werd afgesloten met haast industrieel aandoende rotaties.

Het Poolse trio Owls Are Not What They Seem (niet te verwarren met de Tsjechische punkband) kent niet enkel z’n Twin Peaks-klassiekers, maar weet ook een knappe update te brengen van een sobere aanpak met een centrale rol voor bas en drums. Het accent van bassist Piotrek Mazurek is nog vetter dan dat van Kloistinen, maar dat doet er niet toe, want het trio speelt een potige combinatie van in de wave verankerde dansmuziek met elektronische stoorzenders en stampende ritmes. Zowel de basklank als de elektronica van Piotrek Cichocki hebben regelmatig een retro-effect, maar vinden hun plaats doorheen de langgerekte set die als een geheel wordt gepresenteerd.

Gaandeweg wordt duidelijk dat het trio uit aardig wat vaatjes tapt: er zijn de klassieke drum ‘n’ bass-elementen, maar hier en daar wordt aangeleund bij de recentere dubstep, de dubprojecten van Bill Laswell en is er zelfs plaats voor ultrastrakke riffs met een vette knipoog naar het werk van Prong en Ministry. Owls Are Not What They Seem was uiteindelijk niet de meest gewaagde band van het festival, maar zorgde met al die verschillende insteken en de imponerende bassound wel voor een droge rechtse die z’n impact niet miste.

Het was vooral ook uitkijken naar het piepjonge Wolfram Trio, dat al een prima debuutplaat op het Noorse label Va Fongool (van festivalorganisator Eirik Tofte) heeft uitgebracht, maar die verwachtingen werden door de freejazzband moeiteloos overtroffen. Het was voor deze akoestische combinatie van sax (Halvor Meling), bas (Fredrik Luhr Dietrichson) en drums (Jan Martin Gismervik) vast geen sinecure om binnen deze context te spelen. Het trio pakte uit met een ononderbroken improvisatie van een dikke twintig minuten, wat explosiever dan het albummateriaal, en hield het daar ook bij. Het volstond echter om indruk te maken.

Meling is een boeiende saxofonist die zich niet verplicht voelt om het hele register van zijn instrument af te gaan. Door soms koppig te blijven variëren op een paar noten of motieven, iets dat je soms ook vergelijkbaar hoort bij o.a. John Dikeman of Martin Küchen, kreeg de muziek al snel een hypnotiserende spanning, die nog eens versterkt werd door de elastisch meeschuivende ritmesectie. Het trio was bovendien een knappe democratie, want Melings solo kreeg alle ademruimte en werd toen het overging in plofklankjes op al even secure manier van weerwoord voorzien. Terwijl de drummer zorgde voor het woelige fundament verkende de bassist de uitersten tussen dreigend strijkstokwerk en introvert gekwetter. Een trio kleppers dat dringend eens naar België gehaald moet worden, al was het maar omdat de ritmesectie later bewees nog veel meer in huis te hebben. Kandidaten?

Met Pixel stond een van de lokale favorieten op het programma. Het frisse indie-jazzkwartet van de opvallende bassiste Ellen Andrea Wang (een van de stuwende figuren achter het festival en een muzikante die nog twee keer zou opduiken) maakte in 2012 z’n entrée met het prima Reminder (uitgebracht op het invloedrijke Amerikaanse Cuneiform-label), waarmee Pixel zich profileerde als een van de meest frisse Noorse jazzbands, eentje met het vermogen om zowel jazz- als popliefhebbers aan te spreken. De songs zijn naar jazznormen compact en bevatten stuk voor stukke knappe melodieën en zangpartijen van Wang. De start van het concert ging bijna de mist in door een technisch probleem, maar zodra dat verholpen was begon het kwartet aan zijn charmeeroperatie.

De rijke harmonieën en het voluptueuze basspel van “Esset” zetten meteen de toon voor een set die gevuld werd met composities die geen seconde verveelden en regelmatig uitpakte met knappe trompet- en saxsolo’s. Niettemin is Wang duidelijk de spilfiguur van de band, wat nergens duidelijker was dan in prijsbeest “Call Me”, waarin ze zowel de kronkelende bas- als zanglijn (ook nog eens overgenomen door de trompet) voor haar rekening nam. Het eindluik van het korte concert was voorbehouden voor een samenwerking met World Service Project. Wat even leek uit te draaien op een rondje ‘naar elkaar loeren in de hoop dat iemand het heft in handen neemt’, werd uiteindelijk knap afgerond met een rockclimax waarin de twee bands als een (h)echte eenheid afrondden.

Afsluiter van de eerste festivaldag Jaga Jazzist speelde duidelijk een paar divisies hoger. Ineens stond het festivalterrein behoorlijk vol en hing de anticipatie in de lucht. Je hebt dan ook te maken met een invloedrijke band binnen de Noorse muziek, eentje die moeiteloos genres aan elkaar naait en in de loop der jaren een instituut geworden is dat al op net zo’n loyale aanhang mag rekenen als het verwante Motorpsycho. Voor z’n recentste album ging de band de live ontmoeting aan met het Britten Symfonia kamerorkest, maar dat was er nu niet bij. De negenkoppige band vulde dan ook moeiteloos het podium met zijn vele instrumenten.

Naar goede gewoonte werd het allemaal in goede banen geleid door de stichtende leden en broers Horntveth, drummer Martin en mult-instrumentalist Lars, die de band dirigeerden door een excentrieke, maar organisch klinkende melange die filmische soundscapes, postrock, fusion, rootsmuziek en jamrock bij elkaar bracht. Net zoals tijdens Les Nuits Botanique een aantal jaar gelden zorgde de band voor de perfecte soundtrack bij de ondergaande zon, met nog altijd iets tussen The Soft machine en Squarepusher, Pink Floyd en Sun Ra, of Lalo Schifrin uitgevoerd door Tortoise, en dat met die onmiskenbare onderkoelde grooves. De band klonk zoals gewoonlijk massief, met een grenzeloze klankenrijkdom. Geen verrassing dus, maar wel van het bekende hoge niveau

Vrijdag 14 juni

Geen festival zonder last minute-problemen en slachtoffers van dienst waren de drie van het Italiaanse NoHayBandaTrio. Hun vlucht, en dus ook hun passage op Match & Fuse, werd geannuleerd. In plaats daarvan werd een samenwerking van World Service Project en het Franse Alfie Ryner bekokstoofd. Daardoor kreeg je een veelkoppige bende op het podium met een wellustige blazerssectie met twee saxofonisten en twee trombonisten, plus daarbovenop nog eens drie drummers (eentje van elke band, plus een gast erbij). De bands gebruiken een aantal compositionele elementen als skelet en lieten veel ruimte aan de vrijheid, wat in het eerste stuk meteen leidde tot een knap samengaan van een “Peter Gunn”-achtig thema en met chaos flirtend gepomp. Paco Serrano Pozo, zanger/saxofonist bij de Franse band, wierp zich daarbij op als dirigent, een rol die later overgenomen werd door WSP-trombonist Raphael Clarkson.

Soms was het een beetje schipperen tussen goede bedoelingen en goede muziek, maar uiteindelijk kwam alles op z’n pootjes terecht, soms met staccato effecten en een bonkige 4/4-maat of een sound die zelfs neigde naar dreigende drones. In het afsluitende “Tango Toxico” werd aanvankelijk vanalles uitgevreten, behalve tango gespeeld. Serrano Pozo stak een geanimeerd verhaal af en de band beging zich aan exotische ondersteuning, waardoor het allemaal ging klinken als Les Négresses Vertes in een jazzjasje. Niet gevrijwaard van een paar kleine inzinkingen, maar opnieuw een prima opener. En deze keer was de zon wel meteen van de partij.

Het Zweedse Doffs Poi was een speciaaltje. Had het er aanvankelijk alles van dat het ging om een popmeisje met een paar verloren gelopen studiomuzikanten, dan bewees dit experimentele poptrio meteen haar op de tanden te hebben. De drummer ging loos in een hyperkinetische stijl en de toetsenist wrong beukende grooves uit z’n instrument die perfect pasten bij de springerige hysterie van zangeres Mia Marlen Berg, die de tegen de mathrock aanleunende muziek verenigde met schoolrijmpjes in “Dictionary Song”. Ritmes werden aan een verschroeiend tempo afgewisseld en Marlen Berg stond er grappig bij te zwaaien met de armen. Hoe verder de set vorderde, hoe zelfverzekerder er werd gemusiceerd, tot je uiteindelijk kon concluderen dat Doffs Poi zowat de bubblegumversie van Melt Banana is. Hardcore pop, opmerkelijk.

Het contrast met het volgende trio kon moeilijk groter zijn. Alhoewel: de Italianen van Germanotta Youth speelden al even hysterische muziek, maar dan van een compleet andere aard. De band komt uit de Romeinse scène die ook Zu voortbracht en speelde ook even excentriek. Geen idee wat dit precies moest voorstellen – jazzcore met elektronica, metaljazz door een bliepmangel of popverslindende avant-garde -, maar het was bij momenten wel behoorlijk overdonderend. De heftigheid van Zu zat erin, net als de donkere furie van Painkiller. De broers Basili (bas en drums) leken zo weggelopen uit een retestrakke death metalband en lagen voortdurend in de clinch met eletronicaman Fabio Recchia.

Die was cruciaal voor de sound van het trio, voortdurend verschuivend tussen noise-achtige ingrepen en kitscherige klanken. Z’n excentrieke gedrag en smoelentrekkerij waren erover, maar sloten ook perfect aan bij de muziek die meer dan eens deed denken aan de ziedende avant-jazzmetal van Shining en uitstapjes maakte richting goth, industrial en atmosferische metal, met tribale ritmes en verschroeiende digitale waanzin. Wie voorheen wat lag te soezen op de weide was nu goed wakker.

En dan het ontegensprekelijke hoogtepunt van dag twee: Karokh, een zevental dat elkaar leerde kennen aan de muziekacademie van Oslo en bestaat uit muzikanten die zich stuk voor stuk al hebben bewezen op allerhande fronten. Met twee toetsenisten in de rangen zou het sowieso apart worden, maar zet er nog gitarist Christian Winther en bassist Magnus Nergaard van Ich Bin N!ntendo bij, en het wordt al helemaal speciaal. Dan nog trompettist Thomas Litleskare, drummer Jan Martin Gismervik (Wolfram Trio) en zangeres Ina Sagstuen. Het resultaat: een band die als geen ander de filosofie van het festival belichaamde, een stilistisch voortdurend gedaantewisselingen onderging zonder te gaan klinken als een geforceerd zootje.

Het startte vanuit kleine geluidjes, maar passeerde al snel via popgrooves, hardnekkig voortdenderende krautritmes en twangy gitaarpartijen. Karokh had een rijk en uniek groepsgeluid, pakte regelmatig uit met hypnotiserende passages met een haast tribale dwangmatigheid, maar het was Sagstuen die het plaatje pas écht vervolledigde, met een sobere, maar intense performance waarbij elke lettergreep zorgvuldig z’n plaats kreeg. Klonk ze nu eens als een psychedelische Grace Slick, dan sloeg ze even later introvert aan het improviseren met keelgeluiden of tierde ze lustig mee in de korte, punkachtige afsluiter. Een indrukwekkend concert dat gerust dubbel zo lang mocht zijn en doet uitkijken naar het debuutalbum, dat later dit jaar zou verschijnen.

Het Nederlandse duo Knalpot heeft er intussen al een mooi parcours op zitten, wat het dan ook wat pijnlijk maakt dat we hen pas voor het eerst zien in Oslo. Zowel drummer Gerri Jäger als gitarist Raphael Vanoli maken gebruiken van uitgebreide elektronica, wat meteen leidt tot de langste soundcheck van het festival. Maar dat is dan wel terecht, want de veelkleurige cocktail van Knalpot vertoont uiteenlopende gedaanten en wordt vaak bepaald door de details. Het is dan ook een band van extremen, die eindeloos kan variëren op kleine ingrepen en allerhande gebroken ritmes. De drums zitten soms vol effecten en nu en dan zit er zelfs een ranzig discorandje aan, maar ze zoeken het net zo goed bij lompe, stonerachtige power als retro-effecten die zo naar de EBM lijken te verwijzen.

Dat klinkt alsof het bij deze twee draait om willekeur, maar dat is het geenszins, want deze composities zaten vol verrassingen en kromme wendingen die toch steeds op hun pootjes terecht kwamen, waardoor je ze het best kan situeren tussen de bricolagepop van I Love Sarah en de heftiger jazz- en elektronicagekte van Talibam!. Extra bonus voor het gortdroog aankondigen van “Kadootjes” en “Kom terug, Mike”, dat uitpakte met verrassend heavy spul. Hier zat Knalpot mooi op z’n plaats.

Powertrio Bushman’s Revenge is in deze contreien niet zo’n bekende naam, maar bestaat intussen al een decennium en bouwde een aardige reputatie op met zijn in de 70’s gemarineerde gitaarrock, waar invloeden in worden verwerkt uit de blues, psychedelica en (free) jazz. Zo citeert het trio Albert Ayler als een centrale invloed en namen ze al een puike cover op van Sonny Sharrocks “As We Used To Sing”. Voor dit concert hadden ze een extra toetsenman aan boord gehesen, wat het geheel nog wat voluptueuzer maakte. Gitarist Even Hermansen is de centrale spil van deze instrumentale formatie, met gitaarspel dat het ene moment aan bluesrockhelden Billy Gibbons of Rory Gallagher doet denken, maar later net zo goed aan een gitaarkannibaal als Sharrock.

Z’n stijl wordt grotendeels bepaald door het feit dat hij zonder plectrum speelt, wat het een rafelig randje geeft en de jambandsouplesse ten goede komt. Het is een van de bands die het sterkst op het verleden geënt is, maar ook een eigen stijl die daarbij niet in het gedrang komt. Die ene ballade was net wat te veel gesuikerd, maar de overige freestyle jams flirtten met hogere sferen zonder te vervallen in richtingloos gepingel, als een meer laidback versie van Earthless.

Zaterdag 15 juni

Waren de eerste twee dagen met telkens 6 concerten nog goed verteerbaar, vooral dan door de korte sets (vaak tussen 30-40 minuten), dan lag de lat wat hoger op de slotdag, met maar liefst 11 bands. En opnieuw stond er geen maat op de diversiteit. Het meidentrio Gurls – zangeres Emilie Nicolas, bassiste Ellen Andrea Wang en saxofoniste Hanna Paulsberg – speelde z’n debuutconcert en deed dat met songs die vooral leken te gaan over… jongens. De muziek, een frisse combinatie van pop en jazz, was kaal en luchtig en ideaal voor het prille middaguur. Liepen ze hier en daar het risico om net iets té schattig en aaibaar te blijven, dan zaten er toch wat knappe elementen in – meerstemmige zangpartijen, ritmisch handengeklap – die dit half uurtje boeiend hielden. Extra bonus: de humor van “Pork Chop Lover”, die het snakken naar een opgestoken middenvinger even deed vergeten.

Ironie: de eerste band die een beetje tegemoet komt aan het clichébeeld van de Noorse jazz (etherische klanken, weidse sound) is het Finse trio Virta. Hoewel Antti Hevosmaa (trompet), Heikki Selamo (gitaar) en Erik Heikkinen (drums) een variant spelen die wat potiger is en duidelijk de mosterd haalt bij de generatie van Arve Henriksen, Nils Petter Molvær en Jaga Jazzist, zijn de galmende gitaar en gelaagde trompetpartijen goed om beelden op te roepen van weidse panorama’s en verbluffende vergezichten. Summum van die aanpak was misschien wel “About To Fly”.

Wat aanvankelijk in de anonimiteit dreigde te verglijden, kreeg gaandeweg wel opnieuw wat spankracht, vooral door het samenspel van Hevosmaa en Selamo, die zich even zelfs leken te spiegelen aan Nels Cline en Willie Waldman binnen Banyan. Afsluiten gebeurde met hoogtepunt “Run Run Run”, dat net als de voorgangers aangekondigd werd met wat klungelige bindteksten die haaks op de etherische muziek stonden. Niet slecht, maar misschien wat gewoontjes tussen al het excentrieke geweld van Match & Fuse.

Het kwartet Torstein Ekspress rond trompettist Torstein Lavik Larsen kon gerust beschouwd worden als de meest klassieke jazzband van het festival. Hoewel de band beweert geïnspireerd te worden door o.m. vissen, hip hop, voetbal en hedendaagse muziek, is het resultaat heel wat minder geschift dan je zou denken. Anderzijds deden ze dat spelen van veelal lentefrisse, dansende composities wel heel goed, met een ontspannen klinkende sound, op potige bas (opnieuw Fredrik Luhr Dietrichson) drijvende ritmes en een paar lekker aanstekelijke grooves die het verre neefje leken van de composities van Moskus, waar Hans Hulbækmo ook de vellen beroert.

En dan de terugkeer van Alfie Ryner, die deze keer resoluut kozen voor donkere, wat sleazy achtersteegjes, waar de brommende, gestreken bas herinneringen opriep aan de broeierigheid van de muzikale cinema van Barry Adamson, waarbij de ronkende sax z’n rol prima vervulde. Opnieuw kwam er ook heel wat humor bij kijken, toen de saxofonist een verhaal afstak en voor een stukje theater zorgde als verkeersflik. Maar ook hier bleek jazz onvoldoende als inspiratiebron, want er werd uitgepakt met loodzware grootstadsmuziek, theatraal onheil en ook de comeback van de tango. Het was het ideale opstapje naar de krachtpatserij die zou volgen.

Met het Deense SVIN werd voor het eerst gekozen voor rollende spierballen, iets dat zich later die dag, zij het in gewijzigde vorm, nog een paar keer zou voordoen. Het was alleszins snel duidelijk dat de Denen de échte Vikingen van Scandinavië zijn, want de attitude en dB’s kregen een aardige schop onder de kont. De start was niets minder dan weerbarstig spartelende noiserock, waarbij gitaar en toetsen keihard in de aanval gingen en de bonkige drummer begon aan een imponerende sessie conditietraining. Rock, metal, noise en een toefje jazz met elkaar in de mangel gedraaid en fijngemalen tot een puree van glasgruis.

Aanvankelijk klonk dat geweld, waarin nu en dan plaats gemaakt werd voor jengelende surfgitaren, baritonsaxgeronk en basgebrom, nog behoorlijk indrukwekkend, alsof je luisterde naar wat The Thing ervan zou bakken als ze wat jazz van zich zouden afwerpen. De fijnzinnigheid die die band aan de dag kan leggen was hier echter naar de achtergrond verdrongen, want zelfs in de minder volumineuze momenten, als het spel wat atmosferisch werd, of zelfs drone-regionen ging opzoeken, bleef je je bewust van die oerkracht. Die was dan ook het best op z’n plaats in de stonergetinte passages. Een botte muilpeer, die ervoor zorgde dat we onze hamburger graag wat bloederiger hadden gehad.

Daarna was het tijd voor een nieuw hoogtepunt. Pianiste Anja Lauvdal van o.m. Moskus en Skrap mag gerust gerekend worden tot de grootste jonge talenten van de Noorse jazz, iets wat ook nog eens onderstreept werd door het zinderende concert van de twaalfkoppige formatie Skadedyr, dat ze samen leidt met Heida Mobeck (samen met Lauvdal in Skrap) en die haast leest als een who’s who van de aanstormende generatie, met o.m. leden van Ich Bin N!ntendo, Karokh, Moskus, Torstein Ekspress en Wolfram Trio (derde keer Fredrik Luhr Dietrichson!). Eveneens een samengaan van muzikanten die studeerden in Oslo en Trondheim en collectieve ambities hebben die wat verder reiken dan het herhalen van wat de vorige generaties deden.

Lauvdal, Mobeck en co. wisten zich niet enkel te onderscheiden door een aparte instrumentatie, met daarin o.m. tuba, accordeon, viool en steel guitar, maar ook door de composities, die soms speelden met een haast orkestrale grandeur, maar net zozeer passeerden via folk, jazz en moderne klassiek. De sferen varieerden al even sterk, tussen evocatieve broeierigheid en soulvolle schizofrenie, waarbij de schetsen voortdurend bijgewerkt werden, geciteerd werd uit Dylans “Like A Rolling Stone”, strakke gitaarpartijen een plaats gegund werd en de collagetactieken wondermooie fragmenten toebedeeld kregen, zoals het korte stukje van zangeres Ina Sagstuen (zij weer) en accordeonist Ida Løvli Hidle. Een festivaltopper.

Noiserocktrio Ich Bin N!ntendo stond voor ons vertrek naar Oslo al aangekruist als must see voor deze driedaagse. Hun album met het Zweedse saxbeest Mats Gustafsson wond er al geen doekjes om: dit trio is bereid om de laatste restjes houvast te laten varen als het tot gevolg heeft dat de spanning, intensiteit en expressie er voordeel bij hebben. Bovendien heeft de band met Christian Winther (zie ook Karokh) een van de meest opvallende figuren van het festival in huis. Samen met een extra drummer werd meteen uitgepakt met geïmproviseerde herrie die een beetje in het verlengde ligt van OffOnOff (het trio Terrie Ex, Massimo Pupillo en Paal Nilssen-Love), en zonder aarzelen in de chaos dook.

Melodie, harmonie en voorspelbare ritmes moesten eraan geloven, en als Winther al eens aan de micro ging staan, dan ging zijn stem verloren in de onophoudelijk gierende en razende geluidsbrei, een vrije vormexpressie die hooguit 25 minuten duurde, maar een aardige ravage aanrichtte. Mooi is het allemaal niet, maar het schopte de popneigingen van vele andere bands aan gruzelementen met slechts één bekommernis in het achterhoofd: adrenaline en totale vrijheid. Mission accomplished.

Op elk festival is er wel een band waar je geen vat op krijgt, en voor ons was dat deze keer het Ierse OKO, dat voortdurend speelde met de grenzen van de kitsch en de meest uiteenlopende invloeden wilde combineren. Leek het ene moment een verwijzing naar de Kraftwerk van Autobahn, dan ging de turntable-man even later aan het scratchen, haalde het gezelschap een handleiding progrock uit de kast (iets waarvoor die achtsnarige (!) gitaar van pas kwam), werd er gespeeld met dub, fusion en elektrorock. Er kwam zelfs een keytar aan te pas (en wij maar denken dat de laatste exemplaren jaren geleden ritueel verbrand waren, samen met de partituren van “Rockit”), evenals vocoderachtige effecten. Geen bal van te begrijpen, al had het kwartet een geslaagde epische finale in de aanbieding.

Monty Pythons “We are the knights who say….. “Ni”! schalt door de speakers, en meteen beseffen we waar het Franse zottenkwartet Ni! z’n naam haalde. De band mogen we ook gerust rekenen tot de revelaties van dit festival, want wat het kwartet liet horen tartte bij momenten de verbeelding. Je kan hun muziek gemakshalve onderbrengen onder de noemer “mathrock”, maar dat ruikt al snel naar berekende, intellectuele puzzelmuziek. Wat Ni! liet horen was zoveel meer fun dan dat. De invloed of sound van bands als Don Caballero en Dysrhythmia was er wel, maar net als bij (het eveneens Franse) Api Uiz werd er regelmatig gelonkt naar de jazzcore van Victims Family of Nomeansno.

Hun songs gaan over Spanje, Carl Lewis en voetbal, zaten vol “Ni!”-kreten en combineerden doorgedreven technisch vermogen met absurde humor en grenzeloze energie. De songs struikelden over hun eigen structuren, barstten van eht frenetieke enthousiasme en bevatten samenspel van twee gitaristen dat met chirurgenprecisie in elkaar stak. Potentieel hypervermoeiend, maar de composities denderden niet té lang voort en bevatten niet alleen rock, maar ook roll. Bij uitstek een band die je live moet zien. Klassiek festivalmoment: een groep Japanse toeristen die tijdens de set van Ni! langs het podium passeerde en rustig de tijd nam om foto’s te nemen van het spektakel dat zich afspeelde.

Als je het kwintet Synkoke het podium op ziet komen, dan verwacht je je aan gladde synthpop of arty tegendraadsheids à la Animal Collective, maar daar stond ons een aardige verrassing te wachten. De band speelt immers een behoorlijk intense, technisch overdonderende combinatie van jazznoise en indierock met progelementen. Het zat allemaal bijzonder strak in elkaar, met een gitarist (Ole Aadland) die explosiviteit koppelt aan finesse, een saxofonist (Erik Nerheim) die tekeergaat met onder effecten bedolven, langgerekte uithalen en dan is er voor de derde keer bassiste Ellen Andrea Wang, deze keer ultraprecies op een elektrisch exemplaar. Het was allemaal zeer gestroomlijnd en goed uitgedacht, maar dat zonder die viscerale kracht te verliezen. Mede door een indrukwekkende geluidsmix zorgde SynKoke dan ook voor een behoorlijk indrukwekkende oorveeg.

Vergelijkingen? Niet makkelijk. Het ene moment had het vaag iets van Little Women, maar soms kreeg je ook de hoekigheid van een James Chance of werd het even allemaal wat atmosferischer. Na een reeks van negen bands en het hoogtepunt van Ni! zaten we eerlijk gezegd niet meer te wachten op een nieuwe portie moeilijkdoenerij, maar hier viel moeilijk aan te weerstaan. Synkoke was nog zo’n band die de spirit van het festival belichaamde, met hypermoderne, met jazz overgoten rock-‘n-roll die voortdurend de spanning tussen toegankelijkheid en tegendraadsheid opzocht. De overgave zorgde voor een eclatant succes.

De festivalafsluiter, het Noorse Bol, timmert intussen al een kleine twintig jaar aan de weg, maar is sinds 2000 bezig in huidige bezetting, met drummer Tor Haugerud, toetsenist Ståle Storløkken en vocaliste/elektronica-artieste Tone Åse. Ze spelen echter ook regelmatig met twee van de meest gerenommeerde gitaristen van Noorwegen: het gitaarwonder Stian Westerhus, die zowel solo als aan de zijde van Sidsel Endresen recent nog schitterde, en Hans Magnus Ryan, gitarist van het machtige Motorpsycho die ook als Snah door het leven gaat. De combinatie klonk vanaf de eerste noot vanzelfsprekend en misschien ook wat toegankelijker dan verwacht. Ondanks een voorkeur voor elektronica en improvisatie hadden de stukken stuk voor stuk een kop en een staart en regelmatig melodieën die zich vastbeten als uitgehongerde bloedzuigers.

Åse nam daarbij vaak de rol op van onweerstaanbare sirene, terwijl de vier mannen zorgden voor een muzikaal kader dat even verfijnd als bombastisch in elkaar stak, met lagen aan ambient verwante klanken die samen leidden tot een grandioze meeslependheid. Gaandeweg kwam er echter ook meer ruimte voor experiment: Westerhus creëerde opvallende Nintendo-geluidjes met z’n batterije effecten, de percussie ging soms een verbond aan met Snahs jachtige uitwaaierende gitaarspel en de psychedelische passages kregen zowaar een dansbare flair met een haast tribale sfeer. Het werd dan ook enorm enthousiast onthaald door een publiek dat voor het eerst collectief uit de bol leek te gaan voor een band. Een knappe, wat apart afsluiter.

Als er iets over Match & Fuse 2013 te zeggen valt, dan is het wel dat het een speciaal festival is. Je kan je moeilijk voorstellen dat je dit ook georganiseerd krijgt op deze schaal in België, terwijl de brede diversiteit aan bands vooral verbonden werd door de hang naar avontuur en een vage verwantschap aan de jazz. Die is soms zo onduidelijk dat je heel wat van deze bands bijna gaat verdenken van schrik om schatplichtig te zijn aan een traditie, maar tegelijkertijd leken ze zich allemaal comfortabel te bewegen in hun zelfgeschapen, muzikale droomwereld. Kortom: heel wat van deze bands zijn klaar voor het buitenland en gaan we ongetwijfeld nog tegenkomen. Tenslotte valt nog maar te hopen dat de volgende edities met dezelfde toewijding in elkaar gestoken worden. Ook in Noorwegen ben je immers maar zo goed als de visie van je voorman.

Het Match & Fuse-verhaal gaat intussen verder. Zo zijn er een paar kleine concertreeksen gepland, vindt op 25 en 26 juli een Mini-Fest plaats in de Londense Vortex en liggen de locaties voor de volgende editie al vast: in 2014 trekt de karavaan naar Rome, in 2015 naar Warschau, in 2016 naar Toulouse, om tenslotte het vijfjarig bestaan van 2017 opnieuw in Londen te vieren. Het zijn meteen een paar van onze festivaltips voor de komende jaren.

 

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

19 + 4 =