Albertijn/Campaert/Coomans Trio + Digital Primitives :: 2 maart 2013, coStA

Verrassend veel volk in de coStA (zo slecht gaat het dus ook weer niet met ’t Stad) voor een avond waar onmogelijk een label op te plakken viel. Kon je het lokale starttrio nog indelen onder de noemer ‘vrije improvisatie’, dan zorgde het New Yorkse gezelschap opnieuw voor een eclectisch concert dat alle conventies aan z’n laars lapte en in handen van mindere Goden een regelrecht zootje had kunnen worden.

Antwerpenaar Christophe Albertijn is bij een breder publiek waarschijnlijk vooral bekend als bassist bij de Zita Swoon Group, maar was het voorbije decennium ook intensief in de weer met productiewerk en het spelen van veelal geïmproviseerde muziek en werk voor dansvoorstellingen. Vind je hem het ene moment terug naast veteranen als Kris Vanderstraeten en Jean Demey, dan speelt hij ook met jongelingen uit de elektronische muziek of avant-garde. In het eerste van drie concerten in de New York Jazz Concerten stond hij er met drummer Thomas Campaert, al jaren een vaste sparringpartner, en cellist Gino Coomans (Sheldon Siegel), met wie de samenwerking begon in 2012.

Je vangt hier en daar wel eens op dat vrije improvisatie recent vooral gedomineerd wordt door een steeds intensievere benadering van het microniveau. Geen idee of het trio daar bewust op inspeelt, maar het is wel een feit dat ook deze drie het vooral moeten hebben van een eerder abstracte aanpak die de muziek ontmantelt tot op het niveau van de fundamentele bouwstenen, met ongebruikelijke technieken, vreemde klanken en grillige interactie. Geen duidelijke melodieën en harmonieën dus, maar een uitwisseling van contouren en schetsen, suggesties en prikkels. Soms met een obsessief-repetitief karakter, vooral in het gitaarspel van Albertijn, maar net zozeer in het ruisende cimbaalwerk van Campaert en de schurende strijk- en plukpartijen van Coomans.

Die aanpak waarbij sjoemelelementen volledig overboord worden gegooid, is natuurlijk niet vrij van risico. Als je even niet veel te vertellen hebt, iets dat de groep overkwam in zijn tweede stuk, dan dreigt het boeltje genadeloos stil te vallen, maar voor het grootste deel van de set werkte dit uitstekend. Albertijn combineerde het onvoorspelbare van een Bailey met de zin voor detail van een John Russell en hier en daar soms het drone-achtige werk van Loren Connors, terwijl Campaert met handdoek en (vooral) zoemende elektronische drums zorgde voor een excentriek randje. Coomans ging de snaren te lijf met strijkstokken, wasknijpers en ander vreemd materiaal dat de gemiddelde liefhebber van kamermuziek op stang zou jagen. Om van een overdondering te spreken was het nog wat vroeg, maar er is ongetwijfeld een boeiende toekomst weggelegd voor dit trio. En Albertijn mag binnen een kleine drie weken al opnieuw aantreden met saxofoniste Audrey Lauro.

Het trio Digital Primitives – drummer Chad Taylor, rietblazer Assif Tsahar en multi-instrumentalist/zanger/goeroe Cooper-Moore – doet niet aan verwachtingen inlossen. Hoewel de drie hun nieuwe (derde) album Soul Searchin’ meegebracht hadden, werd het concert niet opgehangen aan die plaat. Naar goede gewoonte werd het een optreden, of eerder een evenement, dat enkel luisterde naar z’n eigen, onnavolgbare logica, van de hak op de tak sprong en soms verwarde, maar minstens zo vaak verblufte. Zo begon het met een minuten durende drumsolo van Taylor, die meteen zijn meesterlijke controle uit de doeken mocht doen. Weinig topdrummers hebben het lef om in zo’n sterke mate terug te vallen op eenvoud, al kreeg je gaandeweg een performance gepresenteerd met een indrukwekkende bevlogenheid.

Wie was opgedaagd om Cooper-Moore – toch een van de meest excentrieke figuren binnen de freejazz na Charles ‘Streets’ Gayle – loos te zien gaan op de vettig funkende diddly bo, moest trouwens geduld uitoefenen, want de man beperkte zich aanvankelijk tot een paar fluiten. Vanaf het moment dat Tsahar meeblies op de tenorsax verdween de nuance van Cooper-Moore’s spel wat, maar die zou zich nog uitdrukken op voldoende andere manieren. Zo leidde een stuk dat hij nog met de onlangs overleden David S. Ware speelde tot verbluffend mooi samenspel, maar dat moest snel baan ruimen voor een van zijn vele nevenstapjes als bezeten crooner. Z’n ode aan de liefde was aanvankelijk geinig, maar langer gerekt dan nodig en werd ronduit monotoon. Maar ook dat is Cooper-Moore, de inspiratie van het moment bepaalt het verloop.

Daarna ging het er misschien minder ontwricht, maar al even buitenissig aan toe, met wriemelende freejazz en in de blues gedrenkte moerasimprovisatie. Het was een beetje jammer dat Tsahar z’n basklarinet niet mee had, want die gebruikte hij in het verleden voor enkele van z’n mooiste stukken, maar ook op de tenorsax maakte hij steevast indruk met soulvol spel dat verder bouwde op de vurige tradities van de jaren zestig. Cooper-Moore waarschuwde (“They liieeeeee!!!”), brieste en keelde als een uitzinnige zot tijdens “The People” en contrasteerde met een prachtig ingetogen versie van “Back Porch Chill”, uit zijn duoplaat America met Tsahar. Afsluiten gebeurde net als vorige keer met een extra zonnige noot, “I’m So Happy To Be Alive”, compleet met onnozele samenzang.

Zorgt Digital Primitives (en vooral z’n frontman) soms voor momenten van gefronste wenkbrauwen, dan ga je gaandeweg beseffen dat de improvisatie, soul en kinderlijke naïviteit van dit trio minstens even boeiend en integer zijn als de ernstige onderzoeken van veel collega’s uit het genre. Digital Primitives is onvergelijkbaar en zorgt zelfs in een ongelijke, soms rommelige set die hinkstapt tussen freejazz, blues, funk, gospel en protestsong voor momenten waarbij de charme en naturel onweerstaanbaar puur zijn. Een schaapachtige grijns was ons deel. Daarvoor alleen al zou je ze aan de boezem drukken.

Er volgen nog een paar concerten in de reeks New York Jazz Connection. Meer info op de website.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

veertien − veertien =