Suede :: 8 augustus 2012, Lokerse Feesten

Twee jaar is Suede ondertussen terug bijeen, en dat lijkt meer en meer ook echt permanent te worden. Dat het met de vitaliteit nog goed zat, mocht de band komen tonen op de Lokerse Feesten, maar het festival bedankte met een rotslechte geluidsmix. Een niet te winnen gevecht, maar de Britse groep ging strijdend ten onder, wat alles in acht genomen meer dan respectabel was.

Eerste vaststelling: Suede was ooit een grote groep, maar is dat nu niet meer. Er is maar weinig publiek dat vooraan het podium samentroept om de Britpophelden van weleer te verwelkomen. De vroege jaren negentig liggen al weer ver, natuurlijk, en ook de radio is de groep zo goed als vergeten. Zonde, want daar is vaststelling twee al, halverwege “We Are The Pigs”: dit is nog steeds een uiterst strak spelende rockgroep, wiens songmateriaal nog geen spatje verouderd is. Stel dat de groep vandaag pas zijn eerste single zou uitbrengen; het zou niet gedateerd klinken.

Het is vaststelling drie die er helaas voor zorgt dat die laatste opmerking niet genoeg is om van een overwinning te spreken. Want wat een ellendige geluidsmix is de groep toebedeeld. Dat het volume te stil staat, tot daar aan toe; met zo’n Joke Schauvliege valt nu eenmaal niet te lachen. Maar zelfs los daarvan overheerst een doffe soep van bas en drum, en krijgen de scheurende riffs van Richard Oakes daaronder nauwelijks de ruimte om te schitteren. Dat is vooral jammer in de machtige glamrockstomp “Filmstar”, die het van die topzware gitaarlijn moet hebben. Je ziet de gitarist zich op het podium uitsloven, maar je hoort het niet.

Nog pijnlijker: ook met de microfoon van frontman Brett Anderson zit het aanvankelijk wat mis. Meteen na opener “Introducing The Band” — altijd al meer song dan de introtapestatus deed vermoeden — die op deze tour voor één zeldzame keer live gespeeld wordt, stapt hij al kwaad richting mixingdesk, tijdens een wat flauw “Trash” wordt hij zowaar overstemd door de valse backingvocals van toetsenist Neil Codling.

Maar aan de band ligt het dus niet. Die werkt zich letterlijk in het zweet, en Andersons hemd is dan ook al snel één grote okselvijver. Dat mag geen verwondering wekken, zoals de man alle hoeken van het podium verkent, zijn lange benige lijf — voor een 44-jarige ziet hij er nog verdomd fit uit — alle kanten uit zwiepend. En vanzelfsprekend wordt er met een lange microfoondraad in het rond gezwierd, al duurt het vandaag verrassend lang voor dat zover is.

Tussen 1992 en 1996 was Suede drie platen lang ongenaakbaar, en de greep klassiekers die de groep in strak tempo — meer dan een “hello” krijgen we niet als bindtekst, en dat pas na het veertiende nummer – afvuurt, is indrukwekkend. “Animal Nitrate” is zelfs in zo’n geluidsbrij nog altijd één brok opwinding, “She” marcheert met het onaantastbare zelfvertrouwen van een diva. Ook straf: hét hoogtepunt wordt geleverd door “Killing Of A Flash Boy”. Weinig groepen kunnen dat; een b-kantje spelen als sterkste moment. Een beetje pijnlijk wel dat “Can’t Get Enough” meteen erna volgt: de overeenkomsten tussen de nummers vallen op.

Dat het de groep ondertussen meer menens is met de reünie dan aanvankelijk gepland, blijkt uit recente opnamesessies. Een aantal nieuwe nummers werd al live gespeeld, en vervolgens geschrapt. Eén bleef tot nog toe overeind: “Sabotage”. Dat bleek een atmosferische ballad met elektronische toetsen, die laat vermoeden dat een nieuwe plaat niet per se een slecht idee moet zijn.

Met een vinnige eindspurt ging Suede uiteindelijk moedig en heftig spartelend ten onder in de geluidsdrab. “So Young” is nog sterk — zelfs al ligt de ironie als je eens rondkijkt in het publiek er vingerdik op –, van “Metal Mickey” is de energie nog voelbaar, maar “New Generation” en “Beautiful Ones” krijgen de stenen vlakte niet mee. Al wordt het nog één keer mooi wanneer bisnummer “Saturday Night” het signaal is voor een paar koppeltjes om innig te gaan slowen.

Suede is geen grote groep meer, wel nog een hele goeie. Deze veel te kale woestenij kon de groep woensdagavond niet bedwingen — daar hielp de geluidsman ook niet bij — maar geef Anderson een zweterige concertzaal en het wordt weer opwindend, zoals hij afgelopen herfst solo in het Leuvense Stuk bewees. We kijken er al naar uit, want deze herinnering kan maar beter zo snel mogelijk worden uitgewist.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

negentien + 2 =