Joe McPhee & Chris Corsano :: 28 juli 2012, Le Vecteur

Interstellar Space, een van Coltrane’s laatste wapenfeiten, werd pas zeven jaar na de opname ervan uitgebracht (1974); en toch zou je het kunnen beschouwen als de moeder aller sax/drums-albums. Waren solo- en duoplaten (en zelfs concerten) daarvoor eerder een zeldzaamheid, dan kregen de meest uitdagende der bezettingen in de loop der jaren talloze vervolgen. Ook dezer dagen is er geen gebrek aan: denk maar aan Vandermark/Nilssen-Love, Rempis/Rosaly, Irabagon/Pride, Butcher/Sanders, McPhee met Michael Zerang, Hamid Drake of Paal Nilssen-Love en, dichter bij huis, onze eigen Coltrane/Ali: Van Herzeele/Barcella.

Weinigen kunnen zowel solo als in duo zo goed hun mannetje staan als Joe McPhee, iets wat de intussen 72-jarige veteraan gisteren nogmaals met verve bewees. McPhee’s Tenor (1977) was een van de eerste wapenfeiten van het gerenommeerde Hathut-label en liet horen dat musiceren op je eentje, of met hooguit een partner, niet enkel volledige vrijheid geeft, maar ook discipline vergt. Met technische bagage en grof geweld kan je een kwartier vullen (sommigen toch), maar wil je dat een uur volhouden, dan vergt het creativiteit en empathie.

Daar is geen gebrek aan bij McPhee en zijn jongere collega Corsano. Begin 2010 bewezen ze in Hasselt al aardig op elkaar ingespeeld te zijn – een concert uit diezelfde tour belandde op de Under A Double Moon LP (Roaratorio, 2011) -, en deze keer ging het er vermoedelijk nog wat fijnzinniger aan toe. Corsano, die ooit nog wat geplaagd werd door een reputatie als hardkloppende octopus, heeft intussen al voldoende bewezen ook een erg subtiel stilist te zijn, zoals onlangs nog binnen Malus, het nieuwe project met Nate Wooley en Hugo Antunes, met een oor voor nuance en gedetailleerde inkleuring. Meer dan ooit is hij ook in de weer met allerhande hulpstukken om zoveel mogelijk klankkleur in de geïmproviseerde stukken te brengen.

Doorgaans leidde dat voortdurend wisselen van speeltjes tot een komen en gaan van geluiden die mooi contrasteerden met McPhee’s vloeiender aanpak. Of je hem nu alleen op een podium neerzet, met een duo, kwartet of binnen een groot ensemble, McPhee zal altijd, zelfs in stukken die je rechtstreeks terugvoeren naar de jankende klaagzangen van Ayler of de spirituele grandeur van Coltrane, te herkennen zijn aan zijn warme toon, vaak compacte ideeën en elegante melodische flarden, die hij niet ontmantelt met de agressie van de geweldenaar, maar de bedachtzaamheid van de wijze die intussen weet wat hem het meest oplevert.

Nochtans stak hij ook wat variatie in zijn spel. Het begon al met percussieve geluidjes die hij maakte door met z’n handpalm op het mondstuk van zijn pocket cornet te kloppen. Op dat instrument is zijn spel meestal ook wat grilliger en minder zuiver, vol met van een vuil randje voorziene sputterende varianten op het spel van Don Cherry. Een enkele keer speelde hij cornet én tenorsax binnen hetzelfde stuk, maar die laatste was dominant, en werd zowel gebruikt voor een paar haast minimalistische ballades als in een enkele krachtstoot die liet horen dat hij ook nog een aardig potje kan scheuren.

Corsano pikte erg mooi in op het spel van de meester en rommelde met gebroken accenten en tranceachtige elementen, maar een enkele keer introduceerde hij ook een latin-achtig ritme, dat McPhee aanzette tot het spelen met een al even aanstekelijk motiefje. Aanvankelijk hadden we bijna zin om Corsano eraan te herinneren dat hij niet verplicht was om al z’n hulpstukken – plankjes, darmpjes, schaaltjes, kommetjes, blazersmondstukken, lappen stof, etc. – uit de kast te halen, maar als het met twee strijkstokken plots leidde tot dat ene magisch moment waarop McPhee kon inpikken met een solo die hartverscheurend mooi was in al z’n eenvoud, dan was dat bezwaar snel vergeten.

Als het AC/DC-shirt en de spijkerarmband nog niet voldoende waren, dan was het wel duidelijk na het concert: McPhee is vijfenveertig jaar na z’n debuut nog altijd niet klaar met z’n verhaal. De muziek is misschien wat minder energiek en revolutionair dan vroeger, maar de creativiteit en herkenbare persoonlijkheid zijn nog volledig intact, iets wat meer respect had mogen krijgen van het onophoudelijk roezemoezend publiek in Charleroi.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

vijftien − 8 =