Inwolves + Neil Cowley Trio :: 11 mei 2012, AB Club

Brussels by night. Terwijl de stad zich in de valavond opmaakt voor een nieuwe feestnacht en de Anspachlaan dichtslibt met boomcars en ander ongeduldig volk om toch weer te kunnen flirten met die stedelijke hartaderbreuk, kreeg de AB Club een programma te verwerken dat bestond uit componenten die weinig uitstaans met elkaar hadden. Uiteindelijk zou blijken dat proeven van de verrassing net wat efficiënter is dan zwelgen in het bekende.

Als onze telling klopt, dan was deze verschijning van Karen Willems’ Inwolves nog maar het vierde optreden van het kwartet. Opmerkelijk dat ze er dan toch mee staan in de AB, want de band maakt het de luisteraar niet bepaald makkelijk met z’n onvoorspelbare melange van avant-garde en experimentele rockelementen. Het knappe is vooral de ademruimte die deze muziek zichzelf gunt. Hier krijg je geen ideeënindigestie voorgeschoteld, geen protserige, uit z’n voegen barstende epateerdiarree van een stel jonge honden die koste wat kost alles uit de kast willen halen. Voor oren die niet afgesteld zijn op avontuur kan dat ongetwijfeld leiden tot een monotone luisterervaring, al zijn er altijd weer die abrupte wendingen en andere stoorzenders om je bij de les te houden.

Soms heeft het iets van kinderen aan het werk zien met puzzels, maar dan met de opdracht om stukjes uit verschillende puzzels bij elkaar te passen. Willems werkt dan ook vaak aan een ritme of idee, pakweg met cellist Benjamin Glorieux, en dan valt ineens op dat pianiste van Heleen Van Haegenborgh, die even graag over haar instrument hangt als dat ze er voor zit, het spel meespeelt volgens haar eigen set regels, met delicate tingeltangels, beukend linkerhandgehamer of gemanipuleerde geluidseffecten. Ze is ook niet te beroerd om er een accordeon bij te halen. Idem voor toetsenist/geluidenman Benjamin Dousselaere, die nu eens zorgt voor een intrigerende impressionistische achtergrond of de rol van bassist opneemt, en dan weer richtinggevende riedels speelt.

De contrastwerking zorgt niet altijd voor even sterke resultaten, maar als de band vanuit zo’n zoekend stuk zonder houvast plots terechtkomt in een passage waarin alles ineens lijkt te kloppen, als een walsje zelfs hand in hand lijkt te gaan met een verminkte tangodrive en Willems uitpakt met die stompende drumslagen, dan wordt duidelijk dat je te maken hebt met muziek waar goed over nagedacht is. Het is dan ook een band die een nummer heeft dat van start gaat met gruwelijk foute synths en dat toch weet om te buigen tot het beste nummer van de set, al was het de primitieve aanval op de floor tom (“Heavy Feet”) die het langst bleef navibreren. “Laat je meevoeren door het onbekende” is het motto. Dat lukte eigenlijk uitstekend in deze dertig verrassende minuten.

Van het verrassingselement bleef dan weer een pak minder over bij het Neil Cowley Trio. Hoewel dit soort van jazzband er soms in slaagt om je met een combinatie van branie, energie en humor meteen van je stoel te pegelen, was er slechts één probleem, maar wel van die aard dat het beslag zou leggen op het optreden. Ondanks de veelzijdigheid van de muzikanten, de onweerstaanbare charme van Cowley en het brede gamma aan invloeden kan je je niet echt van de indruk ontdoen dat de man, een pianist waarvan je voelt dat hij soms op het rempedaal gaat staan om de bombast niet de overhand te laten krijgen, eigenlijk maar twee formules hanteert: die van de meanderende, met minimalistische ideeën geboetseerde ballades en de uptempo jazzpopsongs die steeds op vergelijkbare manier naar een climax toewerken.

In een korter optreden, of met twee aparte sets, was dit geen struikelblok geweest, want zoals vaak beweerd wordt, is dit het soort jazzband waarmee je rockliefhebbers kan laten horen dat jazz niet altijd een duf intellectueel spel hoeft te zijn. De poppy jazz van Cowley & co. knettert en bonkt met pop- en funkinvloeden zonder te verworden tot het behaagzieke theater van een Jamie Cullum. Ben Folds Five wordt terecht aangehaald als referentiepunt, maar je vindt er ook een wat aangelengde versie van bijvoorbeeld Phronesis (een trio dat net ietsje meer uitdaging biedt) of The Bad Plus in. Net als die laatste voelt het Cowley Trio zich niet te beroerd om uit te pakken met recht voor de raapse rockbeats, met verve uit de mouw geschud door Evan Jenkins. De man ziet eruit alsof hij tien minuten eerder weggeplukt werd vanachter de toog van een lokale voetbalkantine, maar hij weet hoe hij het in strakke banen moet leiden.

Lekker swingende stukken als “Fable”, “Hug The Greyhound” en de bruisende afsluiter “She Eats Flies”, met een weergaloze finale waarin Cowley z’n vingervlugheid even demonstreerde, waren aanstekelijk in hun enthousiasme en je vergaf het de band dat ze daarbij netjes binnen de lijntjes bleven kleuren. Bij de ballades was het een dubbel gevoel: “Meyer”, “Distance By Clockwork” en “Box Lily” zijn stuk voor stuk aardige songs, maar werden soms wat drammerig uitgewerkt. Een stuk als “Mini Ha Ha”, gebaseerd op een lachpatroon van Cowleys vierjarige dochter, was leutig, maar ook een gimmick. Het trio heeft alles in huis om een breder publiek aan te spreken (zet dit op Gent Jazz en de complete tent is mee), is flamboyant (en dan vooral de opvallende bassist Rex Horan) en charmant, maar net iets meer ballen en minder gemakzucht zou deze honderd minuten nog zoveel opwindender gemaakt hebben.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

zestien − negen =