C-mine jazz :: 14 april 2012, C-mine Genk

Op Dag 2 werd resoluut de kaart van het eclecticisme getrokken, met jazz uit diverse windstreken en een handvol artiesten die eigenlijk weinig of geen uitstaans hebben met het genre. Opmerkelijk was alleszins dat met de komst van Yuko en Daniel Johnston een grondige verjonging van het publiek werd doorgevoerd en dat het hier en daar koppen lopen was. Vaak ook nog terecht. Misschien heeft Genk de gouden formule gevonden?

Het is een traditie van verschillende grote festivals om het lokale jong talent in de kijker te zetten en ook hier werd dat mooi ingevuld door het inzetten van de Genk Young Lions, een gezelschap tieners dat onder leiding van pianist Ewout Pierreux een set bij elkaar verzameld had. Bij deze beloftevolle muzikanten werd eerder de kaart van de makkelijk verteerbare variant getrokken, maar dat is niet meer dan normaal. En die werd trouwens prima uitgespeeld, met een uitstekende drummer, gitarist en bassist, plus nog een harpiste. Het gros van de aandacht ging onvermijdelijk naar de charmante zangeres, die het gezicht werd van een project dat tegen de classy jazzpop van Eva Cassidy aanschuifelde. Gebeurde het aanvankelijk wat bedeesd, dan zag je het zelfvertrouwen per compositie toenemen. Prima initiatief, fijn concert.

De Arne Van Coillie Unit wordt geleid door een Limburgse pianist die niet zo lang geleden een album uitbracht met De hipste als titel. Geen idee wat daar precies de beweegreden van is, maar het was alleszins niet van toepassing op het concert, want samen met het Frank Vaganée Trio zorgde dit kwartet voor vermoedelijk het meest klassieke concert van de tweedaagse. Van Coillie, saxofonist Andy Declerck, bassist Flor Van Leugenhaeghe en drummer Luc Vanden Bosch zijn stuk voor stuk gedegen muzikanten en de stukken vloeiden dan ook moeiteloos uit de vingers. Er waren fraaie momenten ingebouwd — Van Coillie lijkt vaak te refereren aan meerdere (vooral lyrische) pianisten tegelijk, terwijl Vanden Bosch mooie dingen liet horen met de brushes — al was het moeilijk om de aandacht bij de les te houden. Het concert bevatte net iets te weinig prikkels om over de hele lijn te overtuigen.

Andere koek met Phronesis, een pianotrio dat met elke plaat extra zieltjes blijft winnen en met worp nummer 4 (Walking Dark) commercieel ongetwijfeld een grote stap vooruit zal zetten. Na al het voorgaande was dit immers een set die met zoveel branie en vuur gebracht werd dat je even niet goed wist waar eerst kijken. Leek je snel te beseffen dat dit trio niet gestuurd werd door de pianist (Ivo Neame), zoals je zou verwachten bij een pianotrio, maar eerder door bassist Jasper Høiby, die onvermoeibaar stunten uithaalt op z’n bas, dan werd later duidelijk dat dit gezelschap, net als The Bad Plus (een steeds terugkerend referentiepunt) of het Vijay Iyer Trio, een zeer democratisch gezelschap is waar elk lid een onmiskenbare en onmisbare bijdrage toe kan leveren. In opener “Abraham’s New Gift” was meteen ook al duidelijk wat een drumkanon ze in huis hebben met Anton Eger, een punker in maatpak waar geen rem op staat.

Hij roffelde er op los, ging als een bezetene tekeer op de cimbalen, laste hier en daar wat ongein in en bezorgde het concert zo een hoge rock-‘n-rollfactor. Nog indrukwekkender was “Love Song”, dat vanuit eigenzinnige ritmes uitgewerkt werd tot een huzarenstuk waarbij de veeleisende, maar toch toegankelijk stijl van de band sterk werd uitgewerkt. Aanstekelijke struikelritmes, verrassende wendingen en schijnbewegingen à volonté zorgen ervoor dat hun muziek steeds in beweging blijft, swingt als het kan, streelt als het wil en je meteen bij de lurven grijpt. Phronesis betrad het podium, had het publiek na minder dan tien seconden beet en zou het een set lang tegen de muur gedrukt houden. Dit was duidelijk een band op de piek van zijn creatieve kunnen. Ze mogen terugkomen.

Dan de indiepop van Yuko, een in Gent gebaseerd gezelschap met minstens één Genkse connectie (Rolf Verresen), maar vooral ook een tas vol uitstekende songs die aanstekelijkheid en finesse combineren met een toets artrock en hier en daar een rootselement. Deed het nu en dan ietwat denken aan een minder bombastisch Mercury Rev, dan zat het op andere momenten meer richting rootspop (“Dolly Parton”) of een droompopversie van Radiohead (inclusief het spelen met geluidjes, bescheiden elektronica etc). Dat heeft voor een stuk ook te maken met zanger/gitarist Kristof Deneijs, die nu en dan een falsetto of ijselijke gil uit z’n strot perst. Hoe complexloos het kwintet er ook bij stond, niets kon voorkomen dat onze blik voortdurend afgeleid werd naar percussioniste (want ‘drumster’ schiet tekort) Karen Willems.

De vrouw slaagt er in zelfs de meest gangbare drumpartijen te voorzien van een excentriek hoekje, iets dat live nog sterker dan op de plaat naar voren komt. En het is dan ook een plezier om haar aan het werk te zien, niet alleen door de variatie — van schuifaccenten over het snare-vel en hoekige ritmes tot plotse uithalen vol lompe ventenpower –, maar ook door de ongedwongen manier waarop ze dat lichaam in de strijd gooit. Willems zien meegolven op de cadans van de songs, schuddend op en schurkend over dat zitje, het is een zicht. Dat is niet zomaar muziek spelen, maar seks met een drumstel, gerampetamp met ritme en bewijs van een niet stuk te krijgen, instinctieve muzikaliteit. En toch bleven we niet tot het einde…

… want het stond in de sterren geschreven dat Mulatu Astatke, de koning van de Ethio-jazz, een topconcert zou geven op C-mine jazz, en het zat inderdaad goed vanaf het moment dat de achtkoppige band lijf en leden in de strijd gooide om de knapste grooves van het weekend op poten te zetten. Astatke — zelf een uitstekend vibrafonist, maar ook toetsenman en percussionist — gidste z’n band door een set die zinderde van de eerste tot de laatste seconde, op de heupen werkte als de vetste funk en je haast deed verlangen naar een massieve dansvloer zonder pluchen stoeltjes. Zat je je aanvankelijk af te vragen wat die cellist daar kwam doen, dan werden zijn bijdragen prominenter vanaf de tweede compositie en werd duidelijk dat elk lid van de band een onmisbare schakel was in een knetterende klankenwereld.

“Yekermo Sew” (beluister het op YouTube en laat ons weten hoe lang u stil kon zitten), bekend van Jarmusch’ Broken Flowers, was een prachtvoorbeeld van die meeslepende, hypnotiserende stijl, waarin ongedwongen ritmes en pulserende percussie voortdurend een plagerig dansje uitvoeren met de exotische blaaspartijen. Zowat elke muzikant kreeg meerdere keren de kans om uit te blinken, al was het vooral bassist John Edwards (die op weekdagen vrije muziek speelt voor hardcore improvliefhebbers) die de complete zaal inpakte met een fenomenale solo en een onaflatende groove. Zelden een bas zo lekker en lijfelijk horen stuwen. Hoogtepunt was misschien wel klassieker “Yegelle Tezeta”, een song met een drive zo vet, zo verslavend en ophitsend dat je maar een conclusie kon trekken: Astatke verdient een plaats naast James Brown en Fela Kuti. Magistraal.

We hadden op voorhand al wat schrik voor het concert van Daniel Johnston (de kwaliteit ervan staat of valt met hoe goed of slecht hij zich die dag voelt), zeker na zo’n knaller, maar daar was geen reden toe. Z’n gitaarspel tijdens de twee solostukken ‘rammelend’ noemend zou de eerstejaarsleerlingen van de lokale muziekschool beledigen, hij stond tijdens z’n zangpartijen te beven als een riet en haakte zich aan z’n micro vast alsof het een reddingsboei was, en de eerste keer dat hij z’n mond opende verjoeg hij meteen al een paar dozijn conservatieve jazzluisteraars, maar wat volgde was een set die op z’n best aandoenlijk én grappig was. Veel is daarbij te danken aan begeleidingsband Tommigun die, veel meer dan Smutfish een paar jaar geleden, mooi ten dienste stond van de muzikant, goed inpikte op z’n grillen en wat rommelige timing en meewerkte aan een set die soms leek op een Best Of-verhaal.

Johnston is eigenlijk de antithese van de jazz: hij doet niet aan improvisatie, swingt niet (of het zou al de daverende uitvoering van “Rock This Town” moeten zijn) en gaat direct op de man af. Maar dat is natuurlijk net wat z’n muziek zo bijzonder maakt. Die is puur, benoemt de dingen voor wat ze zijn, gooit die vervelende ironie gewoon overboord. Hij zingt over verliefd zijn, over angst en wanhoop, over The Beatles, over wandelingen met een koe. Hoogtepunten: “Hey Joe”, “Love Enchanted” en het onvermijdelijke “True Love Will Find You In The End”, maar vooral een hartverscheurend mooi “Worried Shoes”. Het was nog altijd vreemd om de man in die context te zien (en we vragen ons af hoe velen zouden reageren als dit een tegenvaller van formaat was geweest), maar het bleek achteraf een goede keuze. Een verademing kan jazz altijd gebruiken.

De mannen van trio Fly — tenorsaxofonist Mark Turner, bassist Larry Grenadier en drummer Jeff Ballard — behoren op hun instrument tot de absolute wereldtop en ze spelen bijna uitsluitend met figuren die gerekend worden tot het allerbeste dat de jazz de voorbij decennia overkomen is. En als je oog hebt voor jazz vanuit een muziektechnisch perspectief, dan is dat smullen. Ballard wordt vaak vergeleken met figuren als Dave King, Nasheet Waits en Joey Baron, kleppers die een onwaarschijnlijke muzikaliteit koppelen aan een vermogen om het verschil te maken. Samen met Grenadier vormt hij ook een indrukwekkende eenheid (zoals Mehldau zal beamen), maar toch, ondanks de aanwezigheid van ouder en nieuwe werk (“Lady B”, “Kingston”, “Super Sister”) en de onverwoestbare standard “Come Rain Or Come Shine”, kwam dit concert nooit van de grond.

De reden? We kunnen er onze vinger ook niet op leggen, maar het voelde aan als bio-ingenieurs aan het werk zien in hun lab, als luisteren naar theologen die een of ander duister mysterie uit de doeken proberen te doen. De basisingrediënten van dat discours leken vertrouwd, wat ermee aangevangen werd, had gewoonweg geen impact. Muziekleraars over de hele wereld hebben vast een paar ledematen veil om te kunnen spelen als Ballard/Grenadier, maar het ontbrak hen aan soul en begeestering. Dat was nog meer van toepassing op Turner, die speelde met een elegantie die zo gepolijst was dat ze haast vergleed tot totale anonimiteit. Zelden zagen we virtuositeit en saaiheid zo genadeloos gecombineerd worden als bij Fly. Gelukkig waren er nog de vier voorgaande concerten om op terug te kijken, concerten die ervoor zorgden dat C-mine jazz 2012 alsnog verschoof van een prima naar een uitstekende editie.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

1 × vijf =