Pontiak :: Echo Ono

Dat pose, show en drukdoenerij geen vereisten zijn om goeie muziek te maken, dat hebben de drie broers van Pontiak al langer begrepen. Op Echo Ono, hun achtste album in zeven jaar, slagen ze er bovendien in om die less is more-aanpak te verfijnen met een compact gestructureerde, haast vetvrije plaat die hun sterktes in de verf zet.

“No distortion pedals were used in the making of this record. Please listen at full volume.” Dat staat er te lezen op de achterkant van het album. Het is al een indicatie van het purisme van Jennings (bas), Van (gitaar, zang) en Lain Carney (drums), en dat wordt hier nog verder uitgediept. De band werkte immers met een ouderwetse mengtafel die hij in een schuur in Arkansas op de kop kon tikken en ging aan de slag met niets dan vintage apparatuur. Het resulteerde in een gortdroge, maar zeer organisch klinkende plaat die laat horen dat dynamiek zo veel efficiënter is als ze niet door vergevorderde studio-ingrepen en groteske mastering aangedikt wordt.

Bovendien werd gezorgd voor uitgebeende songs die, met uitzondering van de wat meanderende afsluiter, nergens ook maar in de buurt komen van de vier minutengrens en voorbij zijn voor ze kunnen vervelen. Er werd van meet af aan werk gemaakt van een samenhangend statement, en dat valt er aan te horen, want Echo Ono baant zich een weg met een mooie flow, waarbij eerst aangezet wordt met een handvol potige rockers en vervolgens stukken die een genuanceerder beeld geven. “Lions Of Least” start meteen met een snijdende riff van de soort die je doet vermoeden dat je bij de cock rock van Monster Magnet beland bent. Maar dan wordt teruggeschakeld naar een lomere groove en een afwisseling van gitaar- en orgeldominantie die het woestijnkarakter van de band nog eens in de verf zet.

Ze krijgen wel eens het stonerrock-label opgeplakt en hoewel dat eigenlijk verkeerde verwachtingen schept, heeft Pontiak wel een verweerde sound die je doet denken aan weidse landschappen en ritjes met oude Amerikaanse bakken, maar dan eerder volgens de manier waarop Neil Young, Willard Grant Conspiracy en Black Mountain dat doen in hun logge rockers. “The North Coast” en “Left With Lights” vloeien vervolgens voort uit de opener, met eerder zweverige zangpartijen en bezwerende sfeer, maar ook telkens met lekker weghakkende refreinen die er live ongetwijfeld voor zorgen dat de nekspieren hun werk zullen doen. Het is geen metal, maar het heeft ergens wel dat onverdunde primitivisme, de mogelijkheid om met een minimum aan middelen een maximale impact te bereiken.

Vanaf “The Expanding Sky” (de band heeft iets met licht, kleuren en schaduwen, en wat is dat laatste trouwens anders dan een lichtecho?) worden de akoestische elementen dominanter en wordt nauwer aansluiting gezocht bij een folkachtige inkleuring. In “Silver Shadow” leidt het tot een song die met eenmelancholie en gitaarsound die zo van de hand van Jason Molina had kunnen komen. Pieken gebeurt echter pas met “Stay Out, What A Sight”, een hypnotiserend pareltje dat door zo’n repetitieve ritme en getokkelde akoestische gitaar meteen een apart westernsfeertje op poten zet. Voor de verandering zou je willen dat ze het deze keer wél vijf minuten langer gerokken hadden.

Met “Royal Colors” slaat de balans opnieuw over naar het elektrische en psychedelische. Huilende feedback en geprevelde woorden doen het voorbereidende werk en halverwege gaat opnieuw de beuk erin met een stevige lap heavy psych. Dat wordt ook verdergezet in het heftig startende, instrumentale “Panoptica” dat door z’n snelheid meteen een buitenbeentje is. Helaas begint het al snel te vervelen, wat het tergend traag uitdovende einde nog eens in de verf zet. Een meesterwerk is Echo Ono niet geworden, maar het is wel een opvallend zuivere plaat, uitgevoerd door een trio dat er in geslaagd is om met oerklassieke elementen z’n eigen sound en karakter te creëren en ideaal luistervoer voor wie veel kilometers met de wagen maakt.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

11 + twaalf =