Dave Burrell + Silke Eberhard :: 10 februari 2012, De Singer

De geschiedenis van de improvisatie is doordrongen van verhalen over eerste ontmoetingen die uitgroeiden tot uitbundige explosies van creativiteit voor gelijkgezinden. Soms ongetwijfeld bij de haren getrokken, maar even vaak wel juist. Zo liet Planetary Unknown, de laatste van David S. Ware, een soms spectaculaire interactie horen, en dat terwijl het kwartet nooit eerder in die bezetting samenspeelde. Bij Burrell en Eberhard leidde het eerste concert meteen al tot een album (het zopas verschenen Darlingtonia). Dit tweede concert was iets minder overtuigend.

Er zit nochtans een mooi verhaal achter voor de betrokkenen. Het was immers toen Burrell op weg was naar De Singer voor z’n soloconcert enkele jaren geleden, dat hij in de auto van Tony Verstraete (eigenaar van Instant Jazz, online speelkamer voor ketelmuziekfreaks) een album hoorde van Silke Eberhard. Dat moet hem zodanig getroffen hebben dat hij haar heeft opgezocht met het voorstel om samen te werken. Het klikte en hun eerste duoconcert (en –album) was een feit. Voor het tweede concert van de twee werd toepasselijk teruggekeerd naar De Singer, waar het stel werd opgewacht door een enthousiast publiek.

De reputatie van Burrell is er dan ook eentje waar niet naast te kijken valt. Eind jaren zestig, begin jaren zeventig, was hij een van de opvallendste pianisten van the New Thing en een graag geziene gast in Europa. Hij was een van de vele ex-pats die uiteindelijk terechtkwamen in Parijs. Zijn cultalbum Echo uit 1969 (een favoriet van Thurston Moore, als u iets hebt met dergelijke trivia) was een echte who’s who van de geëmigreerde scene, met volk als Sunny Murray, Archie Shepp en Alan Silva. Daarna werd Burrells parcours minder eenduidig. In de jaren zeventig hing hij vooral rond bij Shepp en in de jaren tachtig bij David Murray, maar hij hield net zo goed van multidisciplinaire projecten of een duik in de traditionele jazz.

Wie gekomen was voor het frontale geweld van Echo, die was er dan ook aan voor de moeite, want de Burrell die je te zien kreeg aan de zijde van de Duitse altsaxofoniste Silke Eberhard (tweeëndertig jaar jonger dan de pianist) nam soms toevlucht tot een bijna minimalistische tussenvorm van Monk-achtige knoestigheid en een eerder ingetogen, reflecterende stijl. De Duitse, die vooral rondhangt in de buurt van de Intakt-kliek van o.a. Rudi Mahall en Aki Takase, liet zich alleszins niet intimideren en counterde elk idee van Burrell met vieve solo’s waarbij haar complete arsenaal tentoongespreid werd: fluweelzachte melodieflarden, staccato accenten en vliegensvlugge riedels, het passeerde allemaal. Heel even dachten we zelfs flarden Johnny Hodges én Charlie Parker te horen, maar dat kan ook onze verbeelding zijn.

Na een gul openingsstuk van een kwartier kondigde Burrell aan dat hij ‘down low’ wilde gaan en het tweede stuk ging dan ook van start met stugge bokkensprongen in het lage register, om van daaruit langzaam open te bloeien, via een paar herhaalde minithema’s en een flukse uitwisseling van ideeën. De pianist zat er onverstoorbaar bij, liet vaak ruimte vallen en als hij toch eens agressiever uithaalde, en liet horen waar die kapotgebruikte Cecil Taylor-vergelijking vandaan komt, dan leek het alsof z’n hele lichaam door spasmen overmeesterd werd. Eberhard gaf intussen het volle pond, met vaak toegankelijke solo’s vol elastische wendingen. Leuk om te zien waren ook haar tics. Heb je bij Mats Gustafsson de kwispelende tong en bij Tony Malaby die fladderende linkerarm, dan gaat het bij Eberhard om kniezwengels en een oncontroleerbaar naar achter stotende elleboog.

Kon je in de eerste set nog spreken van een geslaagde wisselwerking, dan slaagden de twee er echter niet in om dat niveau opnieuw op te pikken voor de tweede set. Burrell leek vaker toevlucht te nemen tot introspectie, terwijl Eberhard alles leek te willen volplamuren met solo’s, solo’s en nog meer solo’s, waardoor je een paar keer het gevoel kreeg dat de muziek uitgemolken werd tot voorbij z’n houdbaardheidslimiet. Er was wezenlijk niets veranderd ten opzichte van de eerste set, maar de clusters en uithalen leken veel minder sterk te werken aan een gezamenlijk verhaal, waardoor het meer een demonstratie dan een collaboratie werd. Het uitbundige slotstuk leek de verhoudingen even recht te trekken, met een fikse energiesprong en baldadig gedonder van Burrell, maar ook daar viel op dat het duo toevlucht zocht tot ideeën die al te vaak gebruikt waren.

Het concert was best wel de moeite, al was het maar om nog eens bevestigd te krijgen dat Burrell zo veel meer is dan de barricadenbestormer van 1969; je hoort net zo vaak invloeden uit marsmuziek, blues, swing en zelfs kamermuziek in z’n spel. Het leidde echter niet tot een creatief samenspel van het hoogste niveau en anderhalf uur was te veel van het goede. Misschien is dat iets voor een volgende tournee, als de mogelijkheden verder uitgespit zijn.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

17 − 4 =