Henry Rollins, 25 januari, 2012, Aula Pieter De Somer (Leuven)

Dag op dag drie jaar nadat Henry Rollins de Brusselse AB inpakte met een marathon van twee uur en drie kwartier staat het punkicoon in de meest prestigieuze aula die de KU Leuven in de aanbieding heeft, en dat was maar terecht ook, want voor de zoveelste keer bewees de schrijver/acteur/radio- en tv-maker/wereldreiziger en docent in de levenskunst dat zijn legendarische werkethiek nog steeds buiten categorie is.

Drie decennia met gemiddeld 100 optredens per jaar, dat zorgt er dan ook voor dat je je vrij zeker van je stuk kan voelen op een podium. Het spoken word gegeven is bovendien een constante sinds de periode bij Black Flag, toen Rollins al de hort op ging met volk als Lydia Lunch en Hubert Selby Jr., z’n verhalen kwijt kon op albums als Family Man en gaandeweg een reputatie kreeg als een bevlogen verteller. De evolutie die je doorheen z’n albums hoort is bijzonder fascinerend: laten die horen dat hij best wel een grappige kerel is (iets waarvan niet zo heel vaak bewijs te vinden is op z’n bekendste albums met de Rollins Band), dan durfden de oudere shows wel eens meanderen of gebukt gaan onder van-dik-hout-zaagt-men-planken-monologen. Sinds begin jaren negentig komt er een kentering, wendt Rollins zich steeds sterker tot de buitenwereld en vindt hij een perfect evenwicht tussen persoonlijke en maatschappelijke thema’s.

Ook nu, met de nieuwe show ‘The Long March’, zat het weer snor met dat evenwicht. Je zou kunnen stellen dat hij nu en dan van de hak op de tak springt, maar meer dan een fluks “anyway” is er niet voor nodig om de man in een vingerknip een andere richting te laten uitslaan. Opnieuw zou hij twee uur en drie kwartier razen zonder ook maar één noemenswaardige aarzeling (probeer eens hoe lang u zinnige dingen kan vertellen zonder stil te vallen), zonder ook maar één pauze in te lassen. De Rollins die we te zien kregen is een waanzinnig bevlogen verteller, met een imponerende woordenschat, een trucklading metaforen, grappen en imitaties die hij allemaal even perfect uitvoert. Hij mag dan wel stellen dat hij niet zozeer grappig is als veel grappige dingen kan vertellen, maar die kunst beheerst hij dan ook tot in de puntjes. Hoewel hij deze keer slechts zijdelings ter sprake kwam, was zijn imitatie van George W. Bush er nog steeds eentje om Josh Brolins performance in Oliver Stone’s W. mee naar de kroon te steken.

Het begon bij een kleine uiteenzetting over wat er fout loopt in z’n land en hoe de schandalige ongeletterdheid een rechtstreeks effect is van de Amerikaanse burgeroorlog. Soms dreigt hij wat verlopen te lopen in z’n discours, maar of het nu gaat om van de pot gerukte hypothesen of ganse, uit het hoofd afgerammelde passages uit amendementen (of, iets later, de bijbel), je hangt aan ’s mans lippen. Zoals gewoonlijk waren het de meer persoonlijke observaties – over ouder worden en terugkijken op onbezonnen dagen – die het geheel extra kruidden, zoals de anecdote waarbij een vrouwelijke fan een oog verloor tijdens een Black Flag-concert of de frustrerende onmacht bij het krijgen van de brieven van fans met zelfmoordplannen. Het is nog altijd merkwaardig om de man zo open en persoonlijk, soms zelfs sentimenteel te zien worden, maar het blijft oprecht.

De voorbij jaren is Rollins ook vooral bekend als wereldreiziger, waarbij er een voortdurende “inhale/exhale”-beweging gemaakt wordt: het ene jaar reist hij de wereld rond voor goede doelen, werkgevers en als toerist, het jaar erop is het een opeenvolging van shows (en een reeks van 142 wordt dan bedacht met de opmerking “ik wou dat het er 182 waren”). Rollins’ verslavingen zijn kennisvergaring en in beweging zijn, en de verhalen die hij meebrengt worden gebracht met aanstekelijk enthousiasme. Of het nu gaat over documentaires maken voor National Geographic, waarbij hij zowel op rattenjacht ging in Indië als op bezoek ging bij een besloten Pentecostal gemeenschap in eigen land, onverhoopte bezoeken aan Iran en Noord-Korea (waar hij het opgebaarde lichaam van Kim Jong-Il mocht bezoeken) of een trip naar het door armoede geteisterde Haïti; steeds botst hij op revelaties, maar ook frustraties.

Het zijn immers niet enkel missionarisverhalen of een exotische goed nieuwsshow. Zo vaak als hij benadrukt dat je oog moet hebben voor andere volkeren en kleurrijke culturen, zo vaak botst hij zelf ook op muren van ontnuchtering, als bewezen wordt dat enkel geld bepaalde deuren opent en de bereidwilligheid om een bijdrage te leveren niet altijd in dank afgenomen wordt. Het had een deprimerende tirade kunnen worden, maar gelukkig werd de wrangheid ook gecounterd met luchtiger stukken. Hoogtepunt was daarbij zijn relaas over een bezoek aan Costco (zowat de Noord-Amerikaanse Macro) en observaties over vraatzucht, consumentisme en, opnieuw, ongeletterdheid.

Was de Rollins van twintig/dertig jaar geleden een onwaarschijnlijk intense performer die vooral heil zocht bij misantropie, introspectie en zelfhaat, dan heeft dat gaandeweg ruimte gemaakt voor een toegankelijker, naar buiten gericht mens- en wereldbeeld. Oplossingen heeft hij niet, en die wil hij ook niet geven, maar ’s mans levenskunst en onaflatende energie werken nog altijd als een shot adrenaline op het gemoed. Voorbije zomer was het dertig jaar geleden dat Rollins’ leven on the road een aanvang nam. Drie decennia later is de voormalige Häagen Dazs-medewerker uitgegroeid tot een levend instituut en lijkt hij vastbesloten om de strijd tegen de middelmaat te voeren tot hij erbij neervalt. Op 13 februari wordt hij eenenvijftig. Stuur een kaartje of een e-mail. Hij heeft het verdiend.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

twintig − 1 =